Het beroep op Psalm 103 in Den Heyers boek over de' verzoening' (2)

1997-12-27
  • Jaargang 41
  • nummer 26
“Psalm 103 van centrale betekenis voor het bijbelse beeld van God – het lijkt me geen gekke greep”, schreef ds. de Jong ter inleiding op het eerste artikel over het geruchtmakende boek van de gereformeerde hoogleraar Den Heyer. Maar waar gaat het precies om in deze psalm? En hebben andere gedeelten uit de bijbel daar ook iets mee te maken en iets over te zeggen? En: blijft er in de door Den Heyer voorgestelde visie nog wel een wezenlijk verschil met bv. de Islam over? In dit tweede artikel vervolgt De Jong zijn commentaar op de visie van Den Heyer en anderen.

Jesaja 57 : 16
De andere plaats die ons aan Psalm 103 doet denken vinden we in Jesaja 57: 16. 'Want Ik zal niet altoos twisten, noch voor eeuwig toornig zijn', horen we de Here God bij deze profeet zeggen en ook nu stellen we de vraag hoe dat bedoeld is. Wat heeft God hiermee tot Israël te zeggen? Jesaja 57 behoort tot de toevoegsels, die aan het Troostboek van Jesaja 40 - 55 zijn vastgehecht. Het Troostboek van Jesaja 4055 is een werk uit één stuk waarin de troost voor het Godsvolk van in en vlak na de ballingschap wordt ontvouwd. De eerste helft ervan, de hoofdstukken 41 - 48 (hoofdstuk 40 is inleiding), bevat een brede herinnering aan het verlossend optreden van de Here God door de hand van de Perzische koning Kores. In het tweede deel, de hoofdstukken 49 - 55, wordt Gods volk op een nog grotere verlossing voorbereid.
De heiden Kores als verlosser van de andere (niet-Israëlitische) kant, die zelfs de erenaam van Messias krijgt toebedeeld, staat model voor de unieke Knecht des HEREN voor wie de aarde te dor is om als grond voor zijn roots te dienen (Jesaja 53 : 2) en die daarom wel helemáál van de Andere (niet-menselijke) Kant moet komen. Maar zoals Israël tegen Gods Kores-project gemurmureerd heeft, ondanks de uitnodiging: Vertrouwt Mij het werk mijner handen toe (45 : 11), - Israël was boos omdat God aan een niet-Israëliet de titel Messias durfde geven - zo zal ook de unieke Knecht bij Israël niet in de smaak vallen: te vreemd, niet van eigen bodem. En zo zal het slechts een rest van Israël zijn die zich rondom de unieke Knecht laat vergaderen. De troost van Gods heilswerk zal niet algemeen genoten worden. Ze is voor de 'rest'. Over die troost gaat het nu ook in het toevoegsel van Jesaja 57 : 14 - 21 .: En ook hier is het zo dat alleen de nederige vromen erdoor geholpen zuIlen zijn. Aan Israël wordt opnieuw vertroosting toegezegd, heet het in vers 18, maar beperkend wordt daaraan toegevoegd: '... namelijk aan de treurenden ervan', dat wil zeggen: de verlossingsbehoeftigen. Wat staat aan de overigen in de weg om de geboden troost zich toe te eigenen? Dat zit op hun hoogmoed vast, in dit gedeelte tevens hebzucht genoemd. Die hoogmoed ligt als een struikelblok op de weg die God voor de verlossing van zijn volk kiest. En zo begint dan ook dit stuk: 'Hij zegt: Verhoogt, verhoogt, bereidt deweg; verwijdert de struikelblokken van de weg mijns volks' (vers 14). De Here God woont namelijk in den hoge en in het heilige èn bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven (vers 15). Maar als er nu geen nederigheid is dan stokt de verlossing en struikelt zij op de straat. Tenzij God daar iets op vindt. Maar wat? Moet Hij zijn volk straffen om de zonden, zijn mensen murw slaan om hen zo tot nederlqheid en verbrijzeling des harten te brengen en ze op die manier toegankelijk te maken voor de troost van de verlossing? In de ballingschap had de Here God die. straffende houding aangenomen. 'Om de ongerechtigheid zijner hebzucht was Ik toornig en sloeg het volk, terwijl Ik mij in toorn verborg' (vers 17a).

Genezing
Maar hielp het? Nee, zegt God door de profeet, het gestrafte volk 'wendde zich af en ging zijn eigen gekozen weg' (vers 17b). (Dat rijmt zuiver op wat we in het Lied van de lijdende Knecht lezen: 'Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg', Jesaja 53: 6, en aan zulke overeenstemmingen kun je zien dat in de.
toevoegsels van het Troostboek verder gemediteerd wordt over wat in het Troostboek zelf aan de orde is gesteld.) De ballingschap had niet gebracht wat God ervan verwachtte. Echte, blijvende rouwmoedigheid leverde ze niet op. Net als bij de zondvloed. Toen zat de zonde ook als een verstekeling aan boord van de ark en trad daarna in het gedrag van Noach en Cham weer duidelijk aan het licht. Zonde wordt uiteindelijk niet door bestraffing uit de wereld geholpen. Er zit in ons mensen een hardleersheid die er zelfs door de gruwelijkste tuchtiging van God niet uitgeranseld wordt. Dat is de conclusie die God na de ballingschap trekt en op grond waarvan Hij de steven radicaal wendt en van tactiek verandert. Lettend op de ongevoeligheid van het volk dat na de straf van Babel de draad van de zonde weer gewoon oppakt, zegt Hij: 'Zijn wegen heb Ik gezien, doch Ik zal het genezen' (vers 18; in vers 19 nog een keer herhaald).
Genezen, - waarvan? Van die hardleersheid, natuurlijk. En van die hoogmoed en die hebzucht. Hoe dan?
Het woord 'genezen' verwijst ons opnieuw naar Jesaja 53. Daar staat, in het vijfde vers: 'Om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem en door zijn striemen is ons genezing geworden'. De genezing zal (blijkt hier) komen van het strafdragend lijden van de Knecht des HEREN, om zijn doorboring en verbrijzeling, door zijn striemen. Vanwege deze overeenstemming in woord en zaak van de genoemde genezing zijn wij gerechtigd het hele hoofdstuk van het plaatsvervangend en verzoenend lijden (ik bedoel dus Jesaja 53) onder de tekst van Jesaja 57 : 18 te leggen. Wij worden genezen, niet door de straf die aan ons voltrokken wordt, ook niet door een vergeving die de strafvraag onbeantwoord laat, maar door het straffend oordeel dat over het hoofd van de Knecht des Heren, onze Heiland, is losgebroken.

Strafdragend tijden
Nee, zegt men nu echter vandaag, dat is een misvatting. Dat hebben we wel altijd zo gezien, maar het valt uit de teksten zelf toch niet op te maken. Het is anders. Wel zo dat, inderdaad, over de Knecht des Heren de striemen gekomen zijn, maar het was niet God die daarachter stond. De Knecht liep klappen op omdat Hij zich voor ons in het gevaar begaf. Wij deden dat niet, het ontbrak ons aan de nodige moed, maar Hij gaf geen krimp, Hij week niet uit. En dit nu aan te zien, dat deze Rechtvaardige om deze intrede voor ons zo mishandeld werd, dat verandert ons van binnen, dat maakt nieuwe mensen van ons. En in die zin is ons door zijn striemen genezing geworden. Het staat er toch: 'Wij hielden hem weliswaar voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte' (vers 4)? Maar nee, zo was het niet, - gaat het dan toch verder? En daaraan kun je duidelijk zien dat we ons vergissen als we zeggen dat het lijden van Christus het dragen van een goddelijke straf was. Zo leert men vandaag, te beginnen bij Wiersinga van destijds. Zou het waar zijn? En vers 10 dan: 'Het behaagde de HERE hem te verbrijzelen'? Daar is het toch de Here God die dit de Knecht aandoet? Maar hoe zit dat dan? Niet door God geslagen, maar wel door de Here verbrijzeld? Dat is toch tegenstrijdig?
Toch niet. 'Een door God geslagene en verdrukte', dat zou in onze taal een pechvogel, een schlemiel moeten heten; 'God' heeft in die uitdrukking de betekenis van 'lot'. Een schlemiel, wij hielden Hem voor een schlemiel. Wat goed opgemerkt van de profeet, want zo is de Heiland inderdaad vaak voorgesteld.
Denk maar aan al die zielige beelden van de gekruisigde Christus die in zoveel kerken staan opgesteld.
Het is alsof de evangelist Johannes dat van te voren heeft zien aankomen en heeft willen voorkomen dat we Jezus in die hoek zouden zetten. Hij heeft zijn best gedaan ons de lijdende Jezus in zijn fierheid te laten zien. Bij hem vinden we verteld hoe Jezus een waardig protest heeft laten horen, toen de bediende van de hogepriester Hem ten onrechte een klap in zijn gezicht gaf. 'Indien Ik verkeerd gesproken heb, geef aan wat verkeerd was. Maar indien het goed was, waarom slaat gij Mij?' (Johannes 18 : 23). Prachtig! Jezus heeft dus niet als een zieligerd geleden, maak je daaruit op. En de profeet heeft dat al aangegeven door die misvatting als zou Hij een door God geslagene zijn te weerspreken. Niet het lot en uiteindelijk ook niet de vijandige mensen bezorgden Jezus zijn striemen, maar het behaagde de HERE hem te verbrijzelen.
Om de overtreding van zijn volk is die plaag op Hem geweest. En daarom tasten wij niet mis als we zeggen dat het 't strafdragend lijden van de Knecht geweest is dat ons de genezing geschonken heeft. De zweep van de straf over onze eigen rug kon dat niet bereiken, maar het wegnemen van de straf wel. Het wegnemen van de straf, door die te leggen op die Ene. Waren al die straffen van voorheen, zondvloed en ballingschap en de rest, dan helemaal nutteloos en waardeloos? Nee, want ze geven er ons uit de verte een vermoeden van hoe zwaar de straf wel niet was die Hij te dragen kreeg. Opvoedingsmiddelen dus, die ons tot aan de rand van het geheim brengen.

Hoe ziet God van twist en toom af?
We stelden ons de vraag hoe het bedoeld is als we in Jesaja 57 : 16 de Here God horen zeggen dat Hij niet altijd wil twisten en niet voor eeuwig toornig wil zijn. Woorden zijn dat waaruit zijn sterke genadewil spreekt. Dat blijkt nog ten overvloede uit de overweging die Hij eraan toevoegt: 'anders zou de geest voor mijn aangezicht bezwijken, terwijl Ik toch zelf de levensadem heb gegeven'. Dit getuigt van compassie en mededogen met mensen die onder hun schuldenlast zieltogend wegkwijnen.
'Ze redden het niet als Ik de hand niet over mijn hart strijk', zegt God in zijn zelfoverleg. Maar uit het verband of het vervolg maken we op hoe God dat dan waarmaakt dat Hij niet altijd zal twisten of eeuwig zal toornen. En daar gaat het ons nu om. Het blijkt dan dat God zijn begenadiging in de vorm van die genezing geeft; dat we vers 16 met vers 18/19 moeten verbinden. Hij zal niet altoos twisten en niet eeuwig toornen, want Hij zal zijn volk genezen door wat het verdiend heeft op zijn Knecht te leggen. En juist dat maakt de begenadiging zo sterk. De mensen worden zo metterdaad onder de last van hun schuld weggehaald. Want wat zou er gebeuren als God zonder het plaatsvervangend en strafdragend lijden van zijn Knecht ophield met twisten (eeen rechtsstrijd voeren) en toornen? We hebben toch gezien dat straffen het volk niet tot andere mensen maakte. Zou het zomaar laten lopen van de schuldvordering dat dan wel doen? Zou dat niet leiden tot verachting van de genade?
Natuurlijk, het kán wel eens, dat iemand belangeloos genade voor recht laat gaan. Dat een schoffie met een slecht rapport thuiskomt en dan van zijn moeder een bord soep krijgt in plaats van een berisping (zoals een leuke tvreclame ons vertelt). Zeker, zoiets kán, maar niet steeds en als het gebeurt, geschiedt het eigenlijk bij de gratie van het omgekeerde. Als dat omgekeerde, dat normale en billijke van een zekere vereffening, er nooit was, dan werden genade en ontferming spotgoedkoop en nietszeggend. We zouden die zelfs niet opmerken. De incidentele erbarming heeft de doorgaande strengheid tot vooronderstelling. Zoals een kind, dat bij de ontmoeting met de koningin tegen de regels van het protocol ingaat, alleen maar bij de gratie van datzelfde protocol grappig is.

De omslag in onze religie
Evenzo is het nu ook bij de gratie van het omgekeerde dat Den Heyer zó met ernst en eerbied over de verzoening zonder de voldoening kan spreken, dat wij er haast voor gewonnen worden. In die serieusheid werkt de oude leer nog door. Als het besef daarvan helemaal verdwenen zal zijn (waar zijn boek aan werkt), dan zal dat waar Psalm 103 van spreekt gewoon worden en zeker geen 'jubelzangen van bevrijding' (Psalm 32 : 7) losmaken. Want dat mag óók wel onze aandacht hebben dat Psalm 103 een lofzang is die geboren is uit de verwondering. Van iemand (David of een ander) die ervan ophoorde dat God genade voor recht liet gaan. Hoe kan God die rechtvaardig is dat doen!? Mensen die bij voorbeeld op de manier van Jeremia 3 over het stoppen van Gods toorn spreken, gaan er niet van zingen. Die nemen dat, zeker op de duur, voor kennisgeving aan, als ze al niet helemaal over Gods toorn zijn gaan zwijgen. 'God is vóór ons,' zeggen zij, 'natuurlijk is Hij vóór ons. Waarom zouden wij Hem dienen als het anders was?' Heeft men wel in de gaten dat dit een ander geloof voorstelt waar het wezenlijke van het christelijke uit weggevloeid is? Niet immers dat God barmhartig is maakt de kern van ons geloof uit, maar dat Hij dat in Christus en om Christus' wil is. Niet een uit zijn verbanden losgesneden Psalm 103 is het centrale van de bijbel, maar een Psalm 103 waar Jesaja 53 onder ligt (zoals ik dat met behulp van Jesaja 57 duidelijk probeerde te maken). Maar van dit kenmerkend bijbels-christelijke neemt men vandaag afscheid. Daarbij denk ik niet enkel of speciaal aan Den Heyer, al effent hij daarvoor met zijn boek samen met anderen de weg. De hele christenheid is bezig met Christus als de Middelaar te breken. Ik zie daar een opening naar de religie van Mohammed in. Naar het jodendom evenzeer, maar daarmee zou ik blijven hangen in het kleine wereldje van de intellectuele christenelite. Bovendien, de joodse godsdienst kent nog de ernst van de boete, de tesjoeva.
Nee, ik heb nu de gewonere mensen op het oog die, slecht gecatechiseerd als ze zijn, de bekende klanken in de kerk over zich heen laten gaan of reeds van kerk en geloof min of meer weg-geseculariseerd zijn. Zij liggen open voor een religie die meer heeft van de Kor'an dan van de Bijbel. Zij noemen God nog wel geen Allah, natuurlijk niet, maar hun denken over Hem verschilt niet van dat van de islam. Even vlak, even ondiep. Ik heb me wel eens afgevraagd hoe dat toch gekund heeft, in de zevende eeuw, dat christelijk Noord-Afrika en Turkije zo voetstoots tot dat andere geloof zijn overgegaan.
Is daar niet een omslag in het eigen geloof aan vooraf gegaan, waardoor voor de islam de velden van het Middellandse Zee-bekken wit lagen om te oogsten? En zou zich dat nu voor Europa niet kunnen herhalen? We weten toch dat de leer van de verzoening door de voldoening altijd een struikelblok geweest is, toen zowel als nu, nu zowel als toen? Welnu, de islam biedt zich, afgezien van enkele eigenaardigheden en strengheden die samenhangen met het feit dat ze zes eeuwen jonger is dan het christelijk geloof (en die daarom ook niet blijvend zijn!), als een comfortabel alternatief aan. Wanneer dat aanbod meteen meerderheids- of sterke minderheidspressie (!) gepaard zou gaan, dan zie ik een softe, bangelijke en verwaterde christelijke kerk daartegenover geen stand houden. Want wat is eigenlijk het verschil, zal men dan zeggen, tussen God die zonder voldoening vergeeft en Allah de barmhartige Erbarmer die dat óók doet? Evenwel, nu hebben we het niet meer over Den Heyer, maar over de grote strateeg achter hem wiens gedachten ons niet onbekend zijn ...
Daar wil ik het in een laatste artikel nog over hebben.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief