Verdicht gebeuren (3- slot)

1997-12-27
  • Jaargang 41
  • nummer 26
Is het geoorloofd een procedé van verdichting van een meervoudig gebeuren tot een enkelvoudig gebeuren zoals dat in Deuteronomium 9-10 nog min of meer aan te wijzen valt, ook elders in verhalende schriftgedeelten te vermoeden? Met die afsluitende vraag kondigde ik de vorige keer deze laatste aflevering aan.

Het losse hoofd van de reus
Een verhaal waarvan ik al veel langer vermoed, dat het op een dergelijke wijze verstaan nog aanmerkelijk aan zeggingskracht wint, is het tot onder de kinderen bekende verhaal van David die met slinger en steen de Filistijn tegemoet gaat (1 Samuël 17).
De Filistijn - schrijf ik niet zonder reden. Zeker, tweemaal in het verhaal krijgt hij de naam Goliath mee: wanneer hij aan de lezer en wanneer hij aan David wordt voorgesteld (17,4 en 17,23). En achter die naam Goliath gaat ongetwijfeld een Filistijnse kampvechter schuil, zoals die ooit op deze aardbol rondgelopen heeft: fors van postuur en voorzien van een speer met een schacht als een weversboom (zie ook 2 Samuël 21,19 en 1 Kronieken 20,5).
Maar in ons verhaal wordt hij verder consequent aangeduid als de Filistijn - een eerste gegeven waarop mijn vermoeden berust. Die speer met een schacht als een weversboom lijkt, samen met de naam Goliath, toch wel letterlijk uit die andere notitie weggelopen (2 Samuël 21,19), zij het dat de Filistijn hier wat wapenrusting betreft tot in het absurde opgetuigd is. Zo topzwaar dat een ander zijn schild voor hem uit moet dragen (17,4-7 en 17,41). Een kolos die nauwelijks in beweging te zetten is. Tussen de regels proef je de spot. Die consequent volgehouden aanduiding van Davids tegenvoeter als de Filistijn krijgt voor mij reliëf tegen de achtergrond van een motief dat eerder in het boek opduikt in verband met de zalving tot koning van Saul. De taak van de messias, de gezalfde, zo werd Samuël daar te verstaan gegeven, zou vorm krijgen in het verlossen van Israël uit de macht van de Filistijnen (10,16). En zie nu in ons hoofdstuk het contrast tussen de twee messias sen (zoals De Jong ze ooit genoemd heeft) uitgetekend: Saul door vrees voor de Filistijn bevangen (17,11) en David hevig verontwaardigd om de door Saul uitgeloofde beloning: de dochter van de koning - alsof slechts de naam van Saul in geding is en niet de Naam van de Eeuwige (17,25-30). [Tussen haakjes: in de vraag van vers 26 hoor ik geen belangstelling, maar verontwaardiging: Wàt zal men de man doen die ... ? En de tweede vraag van David aan Eliab (17,29) verdient een geprononceerder vertaling: Is dat dan niet de vraag?] Maar om nu ter zake te komen: Zou het kunnen dat dit verhaal meer bedoelt te verhalen dan een eenmalige gebeurtenis? Dat het zodanig is aangezet dat het recht doet - inderdaad op een manier die een kind begrijpen kan - aan heel de vervulling door David van zijn levenstaak als messias tegenover de kwade macht die vertrapt de zwakken en de kleinen voor wie de Eeuwige een zwak heeft? Die kwade macht hier gepersonifieerd in de Filistijn? En hiervan geldt dan wel: het is maar een vraag. Met het oog op die vraag vestig ik graag de aandacht op nog een aantal trekken in het verhaal die het profiel ervan in niet geringe mate versterken. Anders dan in veel kinderbijbels te zien is, valt de Filistijn uitdrukkelijk voorover (17,49). Er volgt een detail dat op de argeloze lezer een even stuitende als overbodige indruk maakt: het afhakken door David van het hoofd van de Filistijn (17,51). Maar over dat hoofd is het laatste woord nog niet gezegd: David brengt het naar Jeruzalem (17,54). Onmogelijk - luidt het commentaar van de kritische bijbelwetenschap: Jeruzalem moet dan immers nog veroverd worden (2 Samuël 5,6-8). Om ons vervolgens, zoals zo vaak, met de losse eindjes van een aan puin geschoten verhaal achter te laten.
Maar waarom - eens temeer wanneer hier zijn levensverhaal verteld wordtzou David niet met dat hoofd op het grotere verhaal vooruit mogen lopen: naar Jeruzalem en naar de tent (17,54) die hij daar voor de ark spannen zal (2 Samuël 6,17)? Dan ontrolt zich voor het oog van de goede verstaander een schitterend en veelzeggend tafereel: evenals eerder in het boek de Filistijnse god Dagon (1 Samuël 5,3-4) ligt nu ook de God vijandige Filistijnse macht op zijn gezicht ter aarde gevallen voor de ark van de HEER, in tweeder instantie met afgehouwen hoofd. En laat Saul dan maar niet, nog voor David koers kan zetten naar Jeruzalem, vragen naar de bekende naam van Isaï, maar naar waar David dit vandaan heeft (17,55-58).

Geheiligde grond
Het volgende voorbeeld, opnieuw een tot onder de kinderen bekend bijbelverhaal, breng ik met wat meer Ik voor mij zou daardoor niet meer in paniek raken. Want bedoelt de verteller van het verhaal wel allereerst of enkel ons een stad van hout en steen uit te tekenen? Of ook en misschien nog wel meer de mentaliteit die deze stad kenmerkt? Blijkens de vloek aan het slot van het hoofdstuk is dat een cultuur geweest die over lijken gaat, een cultuur waarin kinderlevens niet tellen (6,26).
De zevendaagse processie rond de muren van de stad maakt vanuit militair oogpunt maar een dwaze indruk.
Maar wat voor de wereld dwaas is heeft God uitverkoren om wijzen te beschamen (1 Corinthiërs 1,27). Voor de goede verstaander is deze dagelijkse stille omgang dan ook eerder liturgisch dan militair van aard: een teIlen, zeven maal zeven, van de dagen van pasen naar pinksteren, en van de jaren tot het jubeljaar waarin de joweel, de hoorn geblazen wordt, alle scheef gegroeide verhoudingen weer rechtgetrokken worden en, alle grootgrondbezit inmiddels ontstaan ten spijt, het land opnieuw zo verdeeld wordt als het van de aanvang af verdeeld was (Leviticus 25). Het blijft waar: Jericho is de poort naar het land. Met de woorden van een kinderlied: als wij Jericho niet winnen, komen wij het land niet binnen. Maar waarom zou een al aangetroffen ruïne geen dienst kunnen doen als teken aan de wand? En waarom niet zou in die dagelijkse processie van dag tot dag als wapen tegenover (de dreiging van) een cultuur die over lijken gaat het besef levend gehouden worden dat de aardbodem van de HEER is (Leviticus 25,23). In de woorden van Psalm 24 (berijmd): de aarde en haar volheid zijn des HEREN koninklijk domein. In dat teken staat toch ook de ban: een claim van de HEER op wat onteigend was - om het opnieuw te kunnen toedelen. Dat alles correspondeert met de teneur van de opmaat tot het verhaal: een ontmoeting waarin exact dezelfde woorden klinken die Mozes tegemoet klinken vanuit het brandend braambos: doe je schoenen van je voeten, want de plaats waarop je staat is geheiligd (Exodus 3,5 en Jozua 5,15). Wat gaat er van die woorden niet ook een bemoediging uit: hoe ontaard ook die stad, hoe ontaard ook de wereld waarin wij leven - de Eeuwige geeft zijn claim daarop niet op. Het is geheiligde grond. Grond om zijn bedoelingen met deze aarde vorm te geven. Proeftuin voor schroom naar voren. Op grond van vrij algemeen aanvaarde uitkomsten van archeologisch onderzoek zou Israël in de tijd van Jozua op de plaats van Jericho nooit een ommuurde stad hebben kunnen aantreffen, maar slechts een eeuwenoude ruïne. Nu ben ik laconiek genoeg om ook wat vrij algemeen aanvaard is niet zondermeer voor onomstotelijk te houden. Maar stel je voor dat het waar is: zou daarmee het bekende en tot de verbeelding sprekende verhaal over de vallende muren van Jericho (Jozua 6) zelf als een kaartenhuis in elkaar storten en in zijn val vele bijbelverhalen, zo niet heel de Schrift, meesleuren? een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont.

Doof en blind
Tenslotte een voorbeeld van nog weer heel andere aard. En daartoe neem ik de lezer mee naar het tweede evangelie.
Daarin zijn twee verhalen te vinden die van de vier evangelisten alleen Marcus ons vertelt, gemakshalve vaak aangeduid als de genezing van een doofstomme en de genezing van een blinde (7,31-37 en 8,22-26). Ditmaal zijn het doorgaande motieven in dit evangelie die voor mij verraden dat deze beide verhalen bepaald meer willen oproepen dan een eenmalig gebeuren.
Het motief van doofheid en blindheid speelt immers in het evangelie al vanaf het vierde hoofdstuk met (ondermeer) de gelijkenis van de zaaier (4,3-8). Het heet dat aan de twaalf en nog enkelen meer het geheim van het Rijk is toevertrouwd, maar dat het voor anderen daarbuiten gelijkenissen blijven - ziende blind en horende doof als zij nu eenmaal willen zijn en daarom ook zullen zijn (4,10-12). Marcus neemt hier onmiskenbaar een hoofdthema uit de profetie van Jesaja op, zoals dat meteen al in het roepingsvisioen van de profeet tot uitdrukking komt (Jesaja 6,9-10). Het is een hard gelag - de boodschap waarmee Jesaja op pad gestuurd wordt: grote delen van zijn eigen volk zullen blijken even doof en blind en verhard van hart te zijn als eertijds de farao van Egypte was. Stel je voor!

Zowel in de profetie van Jesaja (29,10-12; 29,18 en 42,18-20) als in het evangelie naar Marcus blijft dat motief vervolgens terugkeren. Niet voor niets klinkt in dat vierde hoofdstuk vol gelijkenissen steeds het refrein op: wie oren om te horen heeft, die hore (4,9; 4,23 en 4,24). Want ook bij de leerlingen blijkt er nog van alles aan het verstaan te schorten (4,10; 4,13 en 4,33-34). Dat blijft zo, ook nadat tot tweemaal toe in het breken van brood door Jezus voor een schare ontredderde mensen het geheim van het Rijk opengaat (6,34-44 en 8,1-9).
Het gaat aan de leerlingen voorbij; zij blijken bij de broden niet tot inzicht gekomen (6,52 en 8,17-21; ook 7,17-
18). Ook zij zijn ziende blind en horende doof (8,18). Ook hun harten blijken verhard (6,52 en 8,17), evenals eerder die van de Farizeeën (3,5). Steeds weer klinkt in het evangelie de vraag op, niet eens zozeer naar het geheim van het Rijk (4,11) als wel naar het geheim van Jezus, naar zijn eigenheid, zijn identiteit (1,27; 4,41; 6,2-3; 6,14-15). Na het verhaal van de genezing van de blinde (8,22-26) stelt Jezus zelf die vraag aan de orde en komt Petrus met zijn belijdenis: de Christus (8,27-29). Een waar inzicht lijkt eindelijk door te breken, maar dat blijkt in het vervolg op zijn best slechts ten dele waar. Alles wat Jezus zegt over de invulling van zijn messiasschap wordt zelfs door de naaste kring van zijn leerlingen nog steeds niet verstaan (8,31-33; 9,30-32; 10,32-34).

Terug nu naar die beide genezingsverhalen waarvoor alleen Marcus plaats inruimt in zijn boek: de doofstomme en de blinde (7,31-37 en 8,22-26). Ook hier staat de profetie van Jesaja op de achtergrond: in deze beide verhalen samen met de al eerder verhaalde genezing van de verlamde (2,1-12) komt een woord van Jesaja tot vervuIling: dan zullen de ogen van de blinden geopend en de oren van de doven ontsloten worden; dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen (Jesaja 35,5-6). Veel mensen met wie Jezus in het tweede evangelie in aanraking komt, zijn buiten de gemeenschap geraakt en aan de rand van het leven terechtgekomen (1,40-45; 5,1-20; 5,25-34; 5,35-43 en 7,24-30). Voor de verlamde, de doofstomme en de blinde is dat, ieder op eigen wijze ook waar.
Hun handicap werkt op zijn minst in het geestelijke en het sociale door. De verlamde is verlamd door besef van schuld (2,1-12). De doofstomme verblijft in om en nabij dezelfde streken (7,31) als waar een bezetene tussen de graven huist, omdat hij het leven niet aankan (5,1-4). De ingangen en de uitgangen van het leven zijn bij hem verstopt: hij is niet in staat te innen wat er in de ander omgaat en al evenmin in staat te uiten wat er in hemzelf omgaat. Het lijkt mij niet ondenkbaar dat de opening en ontstopping van die verstopte ingangen en uitgangen van het leven een proces van maanden of jaren geweest is in plaats van uren of minuten, een ondeelbaar ogenblik waarin het in het verhaal verdicht is. Maar een beslissende wissel is in deze ontmoeting met Jezus omgezet (7,33-35). Dit mensenkind gaat bovendien niet in de laatste plaats open voor de dingen van God, open voor zijn Schepper. Want op de achtergrond hoor ik weer de stem van Jesaja: op die dag zullen de doven schriftwoorden horen en van donkerheid en duisternis verlost, zuIlen de ogen van de blinden zien (Jesaja 29,18).
Van de blinde staat het er met zoveel woorden dat het zicht groeien moet en hij, na zolang de ogen voor de wereld en de mensen om hem heen gesloten te hebben, moet wennen aan het licht. Nadat Jezus hem eenmaal de handen heeft opgelegd, ziet hij mensen: net bomen, maar ze lopen. Pas na een tweede oplegging van de handen ziet hij helder (8,23-25). Hoe veelzeggend! Temeer wanneer je ontdekt hoe Marcus deze beide verhalen in zijn evangelie opstelt als spiegels waarin je. ziet hoe mensen die Jezus volgen, hoe moeizaam dat proces ook verloopt, heel geleidelijk opengaan voor het geheim van Jezus en het geheim van het Rijk (4,11).

Nog een laatste opmerking in verband daarmee. De gelijkenis van de zaaier confronteert ons met de vraag wat er van het zaad terechtkomt. Vertaald: of het geheim van het Rijk bij ons wel in goede aarde valt. Het kan zo ontmoedigend zijn te horen dat zoveel zaad verloren gaat (4,3-8 en 4,14-20). Zoals de herhaalde verwijten van blindheid en doofheid al evenzeer ontmoedigen kunnen (6,52; 7,18 en 8,17-21). Maar naast de gelijkenis van de zaaier komt dan de gelijkenis van het zaad te staan: het zaad in de akker, dat zichzelf niet verloochent, maar doet waartoe het geroepen is, zomaar, vanzelf, tegen de verdrukking in soms (4,26-29). En dan staat het er aan het einde van dat hoofdstuk vol gelijkenissen zoveel milder: dat Jezus in veel van die beelden spreekt naardat wij in staat zijn te horen (4,33). Die beelden waarin het geheim van het Rijk besloten ligt, draagt een mens bij zich, zelfs onverstaan, steeds tot er een dag aanbreekt waarop er weer een laag van die beelden opengaat. Zo zijn die beelden zelf als zaad dat in de weg van geduld in onze levens ontkiemt.
Even geduldig, zegt ons het spiegelverhaal over de blinde, blijft Jezus ons de handen opleggen en vragen of wij al iets zien. Tot wij de laatste angst overwonnen hebben en elkaar zien in het onvergankelijk licht, van aangezicht tot aangezicht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief