Jacqueline

1997-12-27
  • Jaargang 41
  • nummer 26
Het schijnt kerstfeest te zijn. Ik zie het vaag aan de schittering van zilveren dingen die voor het raam hangen, ruik de geur van dennegroen. Dit zal het eerste kerstfeest worden dat ik niet thuis ben. In twee jaar tijd is mijn gezondheid afgebroken. Van een gelukkige, levenslustige vrouw ben ik, na twee herseninfarcten en een gemeen virus dat mijn afweersysteem heeft aangetast een hulpeloze stakker geworden. Van huis uit ben ik een optimist, zie altijd nog wel een sprankeltje licht, zelfs na die twee infarcten. Met fysiotherapie en logopedie kom je soms nog een heel eind. Maar het virus kunnen ze niet de baas worden.
Dat maakt me iedere keer zieker. En nu lig ik hier in een verpleeghuis te wachten. Ik voel en hoor dat het er hopeloos voor me uitziet. Binnenkort ga ik dood. En dat wil ik helemaal niet. Ik wil vechten tot het uiterste. Ik kan al een poos niet meer praten, mijn ogen zijn ook heel slecht, ik kan amper onderscheiden wie er aan mijn bed zit. Arend, mijn man komt iedere dag. Dan neemt hij de verpleging het werk dat ze aan mij hebben uit handen. Zolang hij er is doet hij alles. En dan bedoel ik ook alles. Want ik kan niets meer. Hij praat met me. Vertelt me alles wat er in en om ons huis gebeurt, dingen waarvan hij denkt dat ze me interesseren. Over de kinderen praat hij en over de kleinkinderen. Ook die zoeken me op, de schatten. We hebben zo'n fijn gezin. Ach, er was wel eens wat. Onze oudste zoon trok nogal veel met z'n schoonfamilie op en daar had ik wel eens een beetje last van. En Arend met z'n goeie baan, waardoor we met nogal belangrijke mensen in aanraking kwamen. Ik voelde me in zulk gezelschap altijd een beetje minderwaardig, ben altijd dat gewone Amsterdamse volks meisje gebleven diep in m'n hart, ook al droeg ik de duurste kleren en sieraden en zat m'n kapsel perfect. Ja, waar maak je je druk om hè?
Arend vertelt me dat ze nog iets met me willen proberen en ik geef één kneepje in zijn hand. Zo communiceren we: één kneepje is 'ja' en twee kneepjes is 'nee'. Hij wil er nog niet aan dat ons leven samen voorbij is.
Ach Arend, lieve man. Ja, jongen veeg mijn tranen maar weg. Ik zou je dierbaar gezicht in mijn handen willen nemen om je te troosten. Maar mijn handen zijn machteloos. Arend is weggegaan. Hij zou bij de kinderen eten op deze eerste kerstdag. Wij vieren kerst altijd uitbundig, mooi gedekte tafel, lekker eten, cadeautjes onder de kerstboom. Maar verder zegt het ons niets. Vrede op aarde is een loze kreet, dat is me in de loop van mijn leven wel duidelijk geworden. Wij zijn niet gelovig maar we hebben onze kinderen met dezelfde normen en waarden opgevoed als onze buren die de kerk platlopen.
Prima mensen hoor, ze hebben er wel eens met ons over gepraat. Maar Arend moet er niets van hebben. Ik had er wel meer over willen weten, vooral omdat ik vaak verlangde naar een beetje steun. Maar dan dacht ik: mijn hele familie gelooft niet. En dan zou ik de enige zijn. Dat is eenzaam! Nee, ik blijf toch liever dicht bij mijn familie. Mijn kamergenote krijgt nog laat bezoek, ik hoor een vreemde stem die zachtjes met haar praat. Na een poosje klinkt de stem iets luider. Ik span me in om te luisteren. Ik hoor woorden, vreemde woorden.

De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets
Hij doet mij neerliggen in grazige weiden
Hij voert mij aan rustige wateren
Hij verkwikt mijn ziel
Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis
ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij
Uw stok en uw staf die vertroosten mij
Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen
Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen mijns levens
Ik zal in het huis des Heren verblijven
tot in lengte van dagen.

Wat gebeurt er toch met mij? Het wordt zo stil in me. Het lijkt wel of er armen om me heengeslagen worden. Ik leg mijn hoofd tegen een schouder aan. Is er een schouder, de schouder van Arend? Van mijn moeder misschien?
O, wat is dit goed. Er is nog nooit zo iets goeds in mijn leven geweest. Ik voel me zo veilig, zo geborgen. Heel diep uit mij komt een snik, meer heb ik niet, meer kan ik niet. Laat me in deze armen blijven, aan deze schouder rusten.
Meer verlang ik niet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief