Kerkelijke tucht
1997-06-13
Voorzover we van vrijgemaakte afkomst zijn, hebben we vaak traumatische ervaringen met betrekking tot kerkelijke tucht opgedaan. Wij hebben daar trouwens niet het patent op. Ook in Pinkstergemeenten kan men soms heel rigoureus tewerk gaan. En bij de Dopersen uit de 16e en 17e eeuw was het helemaal raak. Die bleven elkaar maar uitzuiveren en vielen zo uiteen in talloze splintergroepjes. Daarachter zat het verlangen naar een zuivere, levende, volmaakte gemeente zonder vlek of rimpel, naar een gemeente waarin geen plaats was voor zondaars, naar een paradijs zonder zonde.- Jaargang 41
- nummer 12
Verlangen naar een zuivere gemeente
Wie zou daar niet naar verlangen? Het is immers een prachtige droom: een gemeente waaraan niets mankeert, waar iedereen gegrepen is door het evangelie en met heel zijn hart Christus volgt, waar niemand het Woord van God naast zich neerlegt en doet wat hij zelf wil, waar de zonde geen voet aan de grond krijgt en niemand aan de rand leeft. Naar zo'n gemeente kun je verlangen. Wat zou het geweldig zijn als de gemeente waarvan je lid bent, dat beeld vertoonde. De Dopersen joegen dat ideaalbeeld na.
Dat deden ze heel rigoureus en radicaal.
Iedereen die - hoe dan ook - dit beeld verstoorde, werd buitengesloten.
Soms bleef er niet meer over dan een groepje van vijf mensen, dat de zuivere gemeente claimde te zijn. Totdat bleek dat ook binnen dat groepje nog weer gezuiverd moest worden.
Natuurlijk was dat een karikaturale ontwikkeling. Maar ook in de vrijgemaakte kerken hebben we er iets van geproefd en aan den lijve ondervonden.
Dat heeft ons schichtig gemaakt, zodat we eigenlijk niets meer van kerkelijke tucht willen weten. Het is een heet hangijzer geworden. We zitten ermee in onze maag.
In 1985 is op de conferentie van Ned. Geref. predikanten over dit onderwerp gesproken en ook daar bleek die verlegenheid.
Kerkelijke tucht zoals we die in het verleden kenden, wil niemand meer. Maar over de vraag hoe het dan wel moet, bestond geen eenstemmigheid.
Hoe maak je uit wanneer er wel tuchtmaatregelen genomen moeten worden en wanneer niet?
Of moet je het maar helemaal vergeten.
Dat zijn de vragen waarmee we vandaag in onze kerken zitten - en niet alleen in de onze. In het Nederlands Dagblad van 21-2-1997 stond een artikel, waarin vermeld werd dat de classis Rotterdam van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) heeft geconstateerd, dat de gereformeerde regels voor censuur niet is toegesneden op het nieuwe type randkerkelijke en dat toepassing ervan weinig vruchtbaar lijkt. We kunnen zonder meer stellen dat de kerkelijke tucht problematisch geworden is. Geeft het Nieuwe Testament ons aanwijzingen? Laten we het eens opslaan.
Bijltjesdag
We beginnen bij Johannes de Doper.
Hij staat bekend als een boetgezant, een rasechte boeteprediker. Toch is dat eigenlijk geen goede typering van hem. Het hart van Johannes' prediking en optreden was niet boete ter wille van de boete, maar Gods heil. Johannes predikt het komende heil des Heren, het koninkrijk der hemelen dat voor de deur staat. En daaromomdat dit heil op het punt staat te komen - moet het volk zich bekeren (Luc. 3:3-17). Want Gods heil is geen confetti of suikergoed. Voor wie weigert zich op Gods heil af te stemmen, is dat heil als een verzengende bliksem en een alles ontwortelende storm.
Het heil laten komen zonder je erop te oriënteren, betekent je ondergang.
Daarom roept Johannes op tot boete en bekering. Wie denkt dat daarvoor geen aanleiding is, omdat hij - ongeacht zijn levensstijl - toch wel bij God hoort vanwege zijn pfstamming en dat een oriëntatie op het heil en het voortbrengen van vruchten der bekering niet nodig zijn, vergist zich op een fatale wijze. Voor hem komt het heil als een flitsende bijl, die dorre, vruchteloze bomen omhakt. Johannes kondigt de komst aan van het grootste heil dat God kon schenken, namelijk van de Messias. Maar die komt niet als een beminnelijke suikeroom, die links en rechts met geld en geschenken smijt, maar met de wan in zijn hand. Hij zal het kaf van het koren scheiden en het verbranden met onuitblusbaar vuur.
Op die manier komt het heil. Want het gaat om een zuivere gemeente, waar geen plaats is voor alles wat aan die zuiverheid afbreuk doet. Bekeer je, zegt Johannes. Want bomen zonder vrucht worden er niet geduld. Kaf hoort er niet thuis. Dat kan niet bestaan, geen stand houden, in de aanwezigheid van het heil.
Genezend en helend
Dat was de boodschap van Johannes.
En dan komt de Messias, Jezus, die volgens Johannes prediking alles en iedereen wiens leven voor God vruchteloos en steriel is, zou wegbezemen en die een grote allesomvattende zuivering zou voltrekken. Johannes, die inmiddels zelf gevangen genomen is door Herodes, heeft daar met spanning naar uitgezien. Hij hunkerde ernaar en zag uit naar een gemeente, waar eindelijk schoon schip was gemaakt.
Maar er gebeurt van dat alles niets.
Nergens flikkert die bijl in het zonlicht.
Nergens wordt een boom omgehakt.
Nergens wordt kaf op een hoop geveegd en in brand gestoken. Jezus wervelt niet als een stormwind door Palestina om er alles weg te blazen wat niet deugt. Geen sprake van. Hij is barmhartig en vol mededogen. Genezend en helend gaat Hij rond. Hij is vol aandacht voor het gekneusde, geschonden en verwrongen leven. Dat is natuurlijk prachtig. Maar degenen die al die ellende teweeg brengen, de bikkelharde onderdrukkers, die alleen maar aan eigen belang denken, laat Hij ongemoeid. Die bliksemt Hij niet weg.
Johannes is daar helemaal ontdaan van. Hij heeft de boodschap van God toch zo ondubbelzinnig doorgegeven.
Aan die boodschap twijfelt Johannes niet. Het gaat God om een zuivere kerk. De dorsvloer zal van kaf gezuiverd worden door de Messias. Dat staat als een paal boven water en valt eenvoudig niet te betwijfelen. Maar wat wel aan twijfel onderhevig is, is de identiteit van de Messias. Is Jezus van Nazareth wel degene die komen zou?
Daar begint Johannes vraagtekens bij te zetten. En vanuit de gevangenis laat hij Jezus vragen: bent U het wel?
Uw optreden is zo anders dan ik heb aangekondigd. Ik herken daarin niets van de grote zuivering. Bent U wel degene voor wie ik U hield?
In het antwoord dat Jezus op die vraag geeft, laat Hij duidelijk doorschemeren dat Hij inderdaad de door Johannes aangekondigde Messias is.
Dat onderbouwt Hij door te verwijzen naar wat Hij doet: zieken genezen, doden opwekken, aan armen het evangelie verkondigen. In heel zijn antwoord verwijst hij nergens naar het omhakken van bomen en het verbranden van kaf. Hij rept met geen woord over de grote zuivering. Die komt helemaal niet in het blikveld.
Dat is heel opvallend. Het roept ook vragen op: hoe zit dat nu met die grote zuivering? Waarom doet Jezus daar niets aan? Heeft Johannes er dan toch naast gezeten met de aankondiging ervan? Kwam daarin misschien niet God zelf maar Johannes' eigen verlangen naar een zuivere gemeente aan het woord? We laten die vragen nog even rusten en richten ons eerst op een ander gedeelte uit de evangeliën, namelijk op het verhaal van Jezus en de vrouw die op overspel betrapt was (Joh. 8:1-11).(1)
Wie van u zonder zonde is
Het verhaal is bekend. De joodse leiders brengen het meisje bij Jezus en confronteren Hem met de eis der wet.
Ze willen wel eens horen hoe Hij er tegenover staat. Hun eigenlijke drijfveer daarbij is niet zozeer het verlangen naar een zuivere gemeente als wel het ontlokken van een onvoorzichtige uitspraak aan Jezus, waarop ze Hem kunnen pakken. Ze zijn ook niet geïnteresseerd in zijn opvatting. Ze hopen alleen maar een stok in handen te krijgen, waarmee ze Hem kunnen slaan. Maar voor ons is Jezus' antwoord belangrijk om te weten te komen hoe Hij tegenover het ideaal van de zuivere gemeente stond.
De Farizeeërs en schriftgeleerden namen een duidelijk standpunt in: tollenaars, hoeren en zondaars schreven ze af. Die konden er niet bij horen. Zo hanteerden ze bijvoorbeeld de ban, de uitsluiting uit de synagoge, in het geval van de blindgeborene die door Jezus was genezen. En het verhaal uit Joh. 8 suggereert, dat zij op het standpunt stonden, dat het overspelige meisje inderdaad gestenigd moest worden. Zo waren de regels immers.
Daar moet je je aan houden, want anders wordt het een chaos. De gemeente moet vrijgehouden worden van zondaars.
Jezus reageert door te zeggen: wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen. Daar hebben ze niet van terug en een voor een druipen ze stilletjes af.
Nou, dat kunnen we begrijpen. De rabbijnen hadden allerlei slimme foefjes uitgedokterd, waardoor mannen slippertjes konden maken zonder daardoor in de beklaagdenbank te komen. Maar in hun hart wisten ze natuurlijk best dat dat niet in de haak was. Dat zij er vandoor gaan en dat niet een van hen een steen durft op te pakken, verbaast ons dan ook niet. Ze hebben eenvoudig het morele recht niet dat meisje te stenigen.
Vreemd en opvallend
Maar er is er één die wel zonder zonde is: Jezus zelf. Hij is de zondeloze.
Hij heeft het volste recht die vrouw te stenigen. Maar Hij doet het ook niet. Hij bukt zich wel, maar alleen om met zijn vinger in het zand te schrijven en niet om een steen op te pakken.
Omdat wij dit verhaal al zolang kennen, kijken we daar niet meer zo van op, maar merkwaardig is het natuurlijk wel. Hier staat de Enige die het recht heeft zondaars te veroordelen, buiten te sluiten en te stenigen. Dat was ook precies wat Hij zou doen, had Johannes geprofeteerd: omhakken en verbranden zou Hij ze. En je zou denken: hier is nu een geschikt moment om daarmee te beginnen. Nu kan er een begin gemaakt worden met de grote zuivering. Maar er gebeurt niets in die richting. Jezus richt zich op, niet om een steen te gooien, maar om te zeggen: heeft niemand je veroordeeld?
Ook Ik veroordeel je niet.
Dat is vreemd en opvallend. En de vragen dringen zich op: hoe zit het dan met die grote zuivering? Is Jezus niet geïnteresseerd in een zuivere gemeente? Waar blijft het omhakken van de bomen en het verbranden van het kaf? Wat speelt hier? Opnieuw laten we deze vragen nog even voor wat ze zijn en richten we onze aandacht eerst op nog een ander gedeelte uit de evangeliën: de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe, door Jezus zelf verteld en uitgelegd (Matth. 13:24-30,36-43).
Daarover de volgende keer.
Noot:
1 Uit het feit dat de Farizeeërs en schriftgeleerden steniging als straf noemen, kunnen we afleiden dat het om een verloofd meisje gaat. Volgens de mozaïsche wetten moesten die in geval van overspel namelijk ter dood gebracht worden door steniging. De rabbijnen hadden voorgeschreven dat getrouwde vrouwen die op overspel betrapt werden, gedood werden door wurging.