Een gelijkenis in viervoud

1997-06-27
  • Jaargang 41
  • nummer 13
(39) Hij sprak ook een gelijkenis tot hen:
a) Kan een blinde een blinde geleiden?
Zullen zij niet beiden in een put vallen?
b) (40) Een discipel staat niet boven zijn meester, maar al wie volleerd is, zal zijn als zijn meester.
c) (41) Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet? (42) Hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter, die in uw oog is, wegdoen, terwijl gij de balk, die in uw eigen oog is, niet ziet? Huichelaar, doe eerst de balk weg uit uw oog, en dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter in het oog van uw broeder weg te doen.
d) (43) Immers, er is geen goede boom die slechte vrucht voortbrengt, noch ook een slechte boom die goede vrucht voortbrengt. (44) Want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend.
Want van dorens leest men geen vijgen, en van een braamstruik oogst men geen druif. (45) Een goed mens brengt uit de goede schat zijns harten het goede voort, en een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond.
(Luc. 6,39-45)

Eén of meer?
"Hij sprak ook een gelijkenis tot hen": zo begint de pericoop die we hierboven lieten afdrukken. Onze eerste indruk zou kunnen zijn, dat het hier gaat om maar één gelijkenis, en wel die van een blinde die als geleide van een blinde wil optreden (v. 39). Maar als we even terugkijken naar 5,36, dan zien we, dat ook daar gesproken wordt van 'een gelijkenis"', terwijl het blijkens het vervolg (44. 36-39) gaat om maar liefst drie gelijkenissen. Dat ze als 'een gelijkenis' worden aangekondigd, zal te maken hebben met het feit, dat ze onderling nauw samenhangen; dat ze alle drie hetzelfde thema hebben, nl. de verhouding 'oud-nieuw'.
Als ik wel zie, hebben we zo in ónze pericoop te doen met vier gelijkenissen, die ik alvast genummerd heb met a, b, c, d. Dat ze als één worden aan gediend, wijst erop, dat ze alle vier om hetzelfde punt cirkelen.

De samenhang tussen de eerste twee
Dat gelijkenis b met gelijkenis a samenhangt, is misschien niet aanstonds duidelijk. Dat komt, doordat b wat cryptisch is geformuleerd. Toch kan ieder constateren, dat het daarin gaat over de verhouding tussen een leraar en diens leerling. Wel, dan is het goed eens even te kijken naar Rom. 2,19.20 "(Indien gij) ... u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt ... en een leermeester van onmondigen ...". Daar hebben we dezelfde combinatie van blindengeleider en leermeester.
Om de strekking van b te verduidelijken, zou ik v. 40 enigszins vrij aldus willen vertalen: "Boven het niveau van je leraar kom je als leerling niet uit.
Voor iedereen geldt: zelfs als je volleerd bent, sta je nóg maar op het niveau van den leraar die je gehad hebt." Nietwaar? Een pianoleraar die alleen beginnelingen opleidt, zal op een gegeven moment tegen een begaafden en ijverigen leerling zeggen: "Nu heb ik je alles bijgebracht wat ik zelf in huis heb. Wil je nog verder komen, dan zul je een anderen leraar moeten zoeken. Ik heb je gebracht aan mijn plafond. Meer kan ik niet."
Gelijkenis a zegt dus: wil je een blinde helpen zijn weg te vinden, dan moet je zélf over een paar goede ogen beschikken. Gelijkenis b zegt: wil je een leerling wat bijbrengen, dan moet je dat zélf in je mars hebben.
Jezus heeft het hier met name tegen zijn twaalf discipelen (zie v. 20), die Hij pas heeft uitgekozen (w. 12-16). Hen heeft Hij bestemd als geestelijke leidslieden (a), als leraren (b) van Israël en de wereld. Mensen die van geestelijk licht verstoken zijn ('blinden") moeten zij bij God brengen; mensen die nog onvoldoende weet hebben van God en zijn geboden ('ongeschoolden') moeten zij leren, hoe ze hebben leven. Hij roept hen met deze beide gelijkenissen dan ook op, inzicht in en kennis van de geheimen van het Koninkrijk der hemelen te verwerven. Anders zullen ze straks niet bekwaam zijn anderen te leiden en te leren.

De herhaling van a en b in cen d
Dat wij zo de gelijkenis uit v. 40 recht verstaan, wordt door wat volgt bevestigd.
Immers: dat a zijn vervolg en nadere uitwerking vindt in c, zal duidelijk zijn. Was in a sprake van twee blinden, twee gelijkelijk visueel gehandicapte lieden, in c wordt het geval toegespitst: degene die zich opwerpt als helper, is N.B. visueel zwaar gehandicapt, terwijl degene die hij helpen wil, dat slechts in lichte mate is.
Wat in c - in tegenstelling tot a - verder opvalt, is de verwijtende toon die Jezus aanslaat: 'huichelaar'. Dat heeft te maken met het feit dat Jezus de fout waarvoor Hij hier zijn discipelen waarschuwt, aan de Farizeeërs, die in die tijd het volk pretendeerden te kunnen leiden en leren, verwijt; vgl. Mt. 15,14; 23.16.24.26. Zoals Hij in de Bergrede tegen zijn leerlingen zegt: "Als jullie in het doen van wat God wil het er niet beter afbrengen dan de schriftgeleerden en de Farizeeërs, dan kom je het Rijk van God beslist niet binnen" (Mt. 5,20), zo zegt Hij hier tegen hen: "Past op, dat je straks het volk anders en beter leidt dan hun huidige leidslieden dat doen."
Nu, evenzeer als a in c, vindt bin d zijn vervolg. In b lazen we: het niveau van den leraar bepaalt het niveau van de lessen die een leerling van hem kan verwachten. En nu zegt d in aansluiting daarop: de kwaliteit van de boom bepaalt de kwaliteit van de vrucht die de consument van die boom kan verwachten. Die beelden van een leraar die les geeft (c) en van een boom die vrucht geeft (d) behelzen beide hetzelfde. Immers: al aanstonds in het paradijsverhaal is met eten van de vrucht van een boom beeldend uitgedrukt: het opsteken van kennis.

Dat ook van gelijkenis d de spits gericht is op de twaalf, dat Jezus hén erop wijst: "de mensen moeten straks iets goeds van jullie kunnen lereri'; vind ik bevestigd in Jh. 15,16. Daar noemt Jezus, als Hij spreekt over zijn keuze van de twaalf, als doelstelling: "opdat gij heengaat - d.w.z. als apostel, als leraar de wereld intrekt - en veel vrucht draagt; en wel vrucht die kan duren". In die 'vrucht die kan duren' hebben we de 'goede (= gave) vrucht' waarvan lc. 6,43 spreekt in tegenstelling tot de 'slechte (= aangestoken) vrucht', die snel wegrot. (Vgl. voor het 'vrucht dragen' als beeld van het apostolisch werk ook Rom. 1,13.)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief