Kerkelijke tucht (2)

1997-06-27
  • Jaargang 41
  • nummer 13
Hieronder het tweede en laatste deel van Van den Bergs artikel over de kerkelijke tucht. Vanuit de in onze tijd ontstane verlegenheid rondom de praktijk van de kerkelijke tucht zoekt Van de Berg verder naar bijbelse gegevens die ons een begaanbare weg wijzen.

Te riskant voor de tarwe
Op een (kwade) dag blijkt dat op een akker onkruid tussen de tarwe groeit. De eigenaar van de akker, de Mensenzoon, had dat onkruid niet gezaaid. Hij had alleen goed zaad gezaaid. Het onkruid kwam van de boze. Als de slaven van de eigenaar het onkruid ontdekken, willen ze onmiddellijk aan de slag om het te wieden en de akker vrij te maken van onkruid. Het hoort er immers niet thuis.
Hoe eerder het wordt uitgeroeid hoe beter. Ze staan te trappelen van ongeduld om het karwei te klaren. Ze worden gedreven door het ideaal van een zuivere gemeente. Daar willen ze zich helemaal voor inzetten. Uitrukken dat onkruid! Maar dan zegt de Zoon des mensen: doe dat niet, want je kunt 0 zo gemakkelijk met het onkruid ook het koren uittrekken. Laat het onkruid en de tarwe samen opgroeien. Zuiveren kan nu nog niet. Dat is te riskant voor de tarwe. Het zou onvergeeflijk zijn als die werd uitgetrokken. Ik denk dat we hier een antwoord krijgen op de vragen die we hebben laten liggen. Het is niet zo dat Jezus niet geïnteresseerd is in de zuivering van de dorsvloer. Wat Johannes de Doper over Hem gezegd heeft, is wel degelijk op Hem van toepassing. Er is bij Hem geen plaats voor bomen die geen vrucht dragen of voor kaf en onkruid. Hij wil wel degelijk een zuivere gemeente zonder vlek of rimpel. Alleen maar: dat is nu nog niet te realiseren.
Het is er de tijd nog niet voor. De tarwe en het onkruid zijn nu nog te zeer verstrengeld.
De slaven van de Zoon des mensen 'wij!' kunnen dat niet feilloos ontwarren. Wij zijn niet in staat alleen maar onkruid uit te trekken. Zodra we daaraan beginnen, beschadigen we ook de tarwe. De kerkgeschiedenis heeft helaas bewezen hoe waar deze woorden van Jezus zijn. Wat is er in de naam van een zuivere gemeente niet ontzaglijk veel vermeend onkruid uitgetrokken, dat helemaal geen onkruid bleek te zijn. Wat hebben we in de loop van de eeuwen, al onkruid wiedend, niet ontzaglijk veel schade toegebracht aan tarwe. Wie van ons kan met zekerheid uitmaken wanneer er sprake is van puur onkruid? Wie kan bepalen wanneer onkruid niet meer verstrengeld is met tarwe? Nee, de akker wieden, de dorsvloer zuiveren, een pure gemeente tot stand brengen, is niet onze opdracht. Dat is het werk van de Zoon des mensen, de Messias. Hij zal zijn dorsvloer door en door zuiveren.
Dat zal Hij doen op de dag van de oogst, als alles is voldragen.

Onze opdracht
En hoe moet het dan in die tussentijd, vandaag? Moeten we dan alles maar gewoon zijn gang laten gaan en alles tolereren? Moeten we daar niets aan doen? Moeten we met de armen over elkaar toezien als de zonde in de gemeente toeneemt? Nee, natuurlijk niet. Dat deed Jezus ook niet. Hij veroordeelde het overspelige meisje niet en stenigde haar niet, maar zei wel: zondig niet nog eens. En Hij heeft de Farizeeërs en schriftgeleerden scherp aangevallen en hun de spiegel van Gods Woord voorgehouden, maar Hij heeft hen wel op de akker laten staan en hen niet uitgerukt. Gelukkig maar, want later, na de Pinksterdag, zijn er heel wat van hen tot geloof gekomen. Dat kan.
Zolang onkruid op de akker blijft staan, kan het nog tarwe worden. Daar ligt onze opdracht: elkaar met het Woord van God confronteren, overal waar we in de gemeente op zonde stuiten. Dan kunnen er verschillende dingen gebeuren.
Het kan zijn dat sommigen dat niet kunnen verdragen en eigener beweging vertrekken. Het kan ook zijn dat mensen zich bekeren en zich 'hoewel ze onkruid leken te zijn' na verloop van tijd ontpoppen als tarwe. Er zal ook onkruid blijven, soms zelfs zo goed gecamoufleerd dat wij het niet als zodanig herkennen. Maar het is niet aan ons onkruid uit te roeien.
Dat is het werk van de Mensenzoon, straks als zijn heil ten volle werkelijkheid wordt. Dan worden de bomen zonder vrucht geveld. Want het heil en vruchteloosheid zijn niet te verenigen. Dat we het onkruid samen met de tarwe moeten laten opgroeien, betekent niet dat we tot werkeloosheid gedoemd zijn. Vandaag hebben we hier, op Gods akker, zijn Woord te hanteren. Dat is onze opdracht. En dat is niet niks. Het is juist heel ingrijpend. Gods Woord schenkt heil en het laat vruchten groeien, maar waar het niet aanvaard wordt, roept het ook verzet op. Het ontmaskert èn het troost. Het verenigt èn het schift. Het spreekt vrij èn het veroordeelt. En zo is dat Wóórd hier vandaag toch al zuiverend bezig. Of dat ook ingrijpend is!
Maar de grote zuivering is dat nog niet.
Die blijft voorbehouden aan de Mensenzoon, op zijn dag, wanneer Hij de bokken van de schapen zal scheiden.

Oude Testament en Synagoge
Ter afsluiting laat ik hier nog wat achtergrondinformatie met betrekking tot kerkelijke tucht volgen. Tucht zoals wij die kennen, kwam in het Oude Testament niet voor. Alleen mensen die cultisch onrein waren, werden geweerd van de tempeldienst. Maar cultisch onrein zijn was beslist iets anders dan zondig zijn.
Wel kent het Oude Testament het voltrekken van de ban 'dat wil zeggen: het prijsgeven aan de totale destructie' en de doodstraf. Daarin is wel sprake van een straf op de zonde, maar er spelen ook andere motieven mee (bijvoorbeeld maatschappelijke), waardoor ze een ander karakter hebben dan de kerkelijke tucht. Mensen die in zonde leven afhouden en uitsluiten van de tempeldienst en van de offers 'dat wil zeggen: van de gemeenschapsoefening met Jahwe' komt in het hele Oude Testament niet voor. Wel wordt duidelijk gemaakt, dat degenen die in zonde leven en toch gemeenschap met de HERE zoeken tijdens offermaaltijden, zich vergissen en die gemeenschap in werkelijkheid niet hebben (zie bijvoorbeeld Psalm. 15 en Jes. 1:10w). De joodse Synagoge in de tijd van het Nieuwe Testament kende twee soorten ban, die wezenlijk verschilden van de oudtestamentische ban:
a. een ban die één dag geldig was. Ze kon door iedereen uitgesproken worden en blokkeerde gedurende één dag het contact tussen degene die de ban uitsprak en degene die erdoor getroffen werd. Na die éne dag verviel deze ban automatisch.
b. een ban die dertig dagen duurde.
Ook deze ban kon door iedereen uitgesproken worden. De gevolgen van deze ban waren ingrijpender, omdat hij de getroffene uitsloot van contact met grotere groepen mensen. Er bestond ook een verscherpte vorm van deze ban, die slechts door een rechtbank uitgesproken mocht worden en die een volledige sociale en maatschappelijke boycot inhield.
Opvallend is, dat het deelnemen aan de tempeldienst door deze banvormen niet onmogelijk gemaakt werd.
Daamaast kende de Synagoge de excommunicatie. Elk persoonlijk en maatschappelijk verkeer met een geëxcommuniceerde was verboden. Ook mocht een geëxcommuniceerde niet meer deelnemen aan de tempeldienst en evenmin aan de samenkomsten in de synagogen.

Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament is de ban zoals die door de Synagoge werd toegepast, onbekend. Wel is er sprake van excommunicatie (zie bijvoorbeeld 1 Kor. 5:11-13; 2 Thess. 3:6,14,15; 2 Tim. 3:5; Tit. 3:10). Wij verkeren vandaag wat de kerkelijke tucht en excommunicatie betreft in grote verlegenheid. Het nieuwe type randkerkelijke wordt niet eens boos meer als de tucht wordt toegepast, constateerde de genoemde Rotterdamse classis. Maar ook bij mensen die niet tot de randkerkelijken gerekend kunnen worden, hebben tuchtmaatregelen niet meer het gewenste effect. Dat hangt samen met het feit dat er tegenwoordig zoveel verschillende kerken zijn. In de tijd van het Nieuwe Testament was dat anders. Toen was er maar één kerk. Als je toen buiten de gemeente gezet werd, hield dat in dat je uit het licht weer in de duistemis terecht kwam. En dat kon je aan het denken zetten, zodat je jezelf ging afvragen: waar ben ik mee bezig; laat ik opstaan en weer naar mijn Vader gaan. Vandaag ligt dat anders. Als iemand nu buiten de gemeente geplaatst wordt, kan hij zich, als hij dat wil, zomaar bij een andere kerk of groepering aanmelden zonder dat hij zijn leven hoeft te veranderen. Daardoor is excommunicatie bij voorbaat vleugellam geworden. Afhouding van het avondmaal is in het Nieuwe Testament geheel onbekend. Wel vinden we er aanwijzingen die duidelijk maken, dat mensen die volgens het klassieke gereformeerde avondmaalsformulier afgehouden behoren te worden, toen niet van deelname aan het avondmaal uitgesloten. We kunnen daarbij denken aan:
- Judas. Christus wist precies wat er met hem aan de hand was. Toch weert Hij hem niet van zijn tafel en reikt hem het brood.
- In Korinthe kwamen partijschappen en scheuringen voor (1 Kor. 1:11w; 3:3w) en ook hoererij (6:12w). Hoewel 1 Korinthe de enige brief is waar Paulus het avondmaal ter sprake brengt, geeft hij nergens ook maar een hint dat de mensen die zich daaraan schuldig maken, van het avondmaal moeten worden afgehouden.
Toch kunnen we Paulus niet in de schoenen schuiven, dat hij dergelijke zonden niet erg vond.

Menselijke inzetting
Afhouding van het avondmaal als aparte tuchtmaatregel komt voort uit de gedachte, dat door toelating van zulke mensen de tafel des Heren zou worden ontheiligd. Een dergelijke formulering komen we echter in de Schrift niet tegen.
In het Oude Testament komt het woord 'ontheiligen' in twee betekenissen voor:
a. ontheiligen van heilige plaatsen en dingen (zie bijvoorbeeld Leviticus. 19:8; 22:15). Omdat er in het Nieuwe Testament geen sprake meer is van speciale heilige plaatsen en dingen (de avondmaalstafel is niet heiliger dan de ontbijttafel), kan er ook geen sprake meer zijn van ontheiligen in deze betekenis.
b. ontheiligen van Gods naam (Leviticus. 20:3), van zijn Woord (Num. 30:12).
In het Nieuwe Testament komen we het woord 'ontheiligen' dan ook alleen nog tegen in de mond van de Joden, die bijvoorbeeld Paulus ervan beschuldigen de tempel ontheilig te hebben. Het woord 'heiligen' komt in het nieuwtestamentische spraakgebruik wel voor, namelijk met betrekking tot God (Uw naam worde geheiligd) en met betrekking tot de mens (wij worden geheiligd door de Geest van God). Wat uit de mond (het hart) van de mens komt, kan hem dan ook verontreinigen (Matth. 15:11,18,20). Nieuwtestamentisch gezien kan de tafel des Heren dus niet ontheiligd worden. Daarmee is het gangbare motief voor het afhouden van het avondmaal als aparte tuchtmaatregel weggevallen. Het is niet meer dan een menselijke inzetting.

Boven de Schrift uit
In het artikel over de kerkelijke tucht waarschuwt de Nederlandse Geloofsbelijdenis er uitdrukkelijk voor "niet af te wijken van hetgeen Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft" (art. XXXII).
In de loop van de kerkgeschiedenis zijn die afwijkingen echter niet zeldzaam. Zo was er in de oude kerk een stroming die gemeenteleden die in zwakheid en uit lijfsbehoud een offer gebracht hadden aan de keizer, maar die daama hun schuld beleden en berouw hadden, niet meer als gemeenteleden te accepteren.
In de Rooms Katholieke Kerk konden allerlei penitenties opgelegd worden en kon men in bepaalde gevallen uitgesloten worden van een begrafenis in gewijde grond. In protestantse kerken kan gewezen worden op de afhouding van het avondmaal en op de eis die lange tijd gegolden heeft, dat men in geval van een gedwongen huwelijk publiekelijk schuld moest belijden in een kerkdienst. De in sommige gemeenten geldende regel, dat aan mensen die samenwonen, geweigerd wordt hun huwelijk te bevestigen, is ook een voorbeeld van zo'n binnensluipende tuchtmaatregel.
In al deze en dergelijke gevallen is er sprake van tuchtmaatregelen die boven de Schrift uitgaan en daarom verwerpelijk zijn. Het verlangen naar een zuivere gemeente en de strijd tegen de zonde in de gemeente mogen ons er niet toe verleiden ons heil te zoeken in het invoeren van zulke menselijke instellingen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief