Een heuvelstructuur in het lied van Debora
1997-06-27
Toen mij uit de boeken van mijn overleden vader een aantal werken van Martin Buber ten deel vielen, was een opmerking in ‘Het geloof der profeten’ voor mij aanleiding om eens extra naar de compositie van het lied van Debora in Richteren 5 te kijken. Daarbij kwam ik tenslotte uit bij een compositie die mij bekend is uit de brieven van Paulus en die ook door de evangelisten gebruikt wordt. Toch was de uitgewerkte structuur in Richteren 5 een verrassing en het publiceren waard. Te meer omdat de acceptatie van deze structuur gevolgen heeft voor de interpretatie van bepaalde verzen.- Jaargang 41
- nummer 13
Toppen
In het lied is een centrale top te onderscheiden in vers 12 "Waak op, waak op, Debora!.... zing een lied! Sta op Barak! En voer uw krijgsgevangenen weg.....!"
De verzen 2 - 11 zijn op hun beurt gegroepeerd rond een subtop, de verzen 6 - 8 met als centrum in vers 7: "totdat ik opstond, Debora, opstond als een moeder in Israël".
Daarnaast zijn de verzen 13 (of 14)-30 (of 31) gegroepeerd rond een tweede subtop, de verzen 19 - 22 met als centrum in vers 20 "tegen Sisera".
Voor en na de eerste subtop wordt de Here, de God van Israël, geprezen.
Voor en na de tweede subtop is de aandacht gericht op de voorbereiding en de nasleep van de strijd.
De centrale top
Het eerste gedeelte van vers 12 met de aansporing tot Debora heeft meer verband met het voorafgaande, waarin Debora met een loflied de Here prijst, herinnert aan de tijd van verdrukking, en het volk aanspoort de rechtvaardige daden des Heren te bezingen.
Het tweede gedeelte met de aansporing tot Barak richt zich meer op het volgende gedeelte van het lied, waarin verteld wordt, hoe een aantal stammen van Israël zich verzamelde, hoe de Here de overwinning gaf, en hoe het verder afliep met Sisera. Vers 12 wordt geflankeerd door twee zinnen die met het woord 'toen' beginnen. De laatste zin van vers 11 "Toen daalde het volk des Heren af naar de poorten" geeft m.i. aan hoe de toestand in het land weer normaal werd en het volk na de overwinning terugkwam uit de schuilhoeken. Vers 13 "Toen stelde Hij die ontkomen waren, als heersers over edelen, het volk des Heren deed Hij voor mij heersen als helden" slaat wellicht op de periode vlak voor de strijd, toen de stammen zich verzamelden.
De eerste subtop
De verzen 6 - 8 zijn gegroepeerd rond vers 7b. De onderdelen voor en na 7b houden met elkaar verband. Enerzijds vertonen ze een zekere overeenkomst en anderzijds is er een verschil. Dat wordt wellicht aanschouwelijker door deze verzen te laten inspringen:
6a In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël,
6b waren de wegen verlaten en wie op weg moesten zijn gingen kronkelende paden
7 leiders ontbraken in Israël, ja, zij ontbraken, totdat ik opstond Debora, opstond als een moeder in Israël.
8a Verkoos men nieuwe goden, dan was er strijd bij de poorten.
8b Waarlijk, schild noch speer werd gezien onder veertigduizend in Israël.
De overeenkomst in 6a en 8b is het gebrek aan wapens. Samgar viel Filistijnen aan met een ossenstok en Jaël verdedigde zich (of haar goede naam) met een tentpin. De tegenstelling is het persoonlijk verzet van Samgar en Jaël tegenover het algemeen ontwijken van de strijd in Israël.
De overeenkomst in 6b en 8a is de invloed die de Kanaänieten hebben op het land en de steden van Israël. Het verschil ligt in het ontwijken van de moeilijkheden door zich te verplaatsen via binnenwegen tegenover de strijd die het gevolg is van een poging de eigen zaken te regelen in de steden.
Tenslotte staat in vers 7 het ontbreken van leiders (van het gewapende verzet) tegenover een moeder in Israël die ook zonder wapens opkomt voor haar volk.
De omgeving van de eerste subtop
De verzen 2 tot 5 staan tegenover de verzen 9 tot 11. De overeenkomst bestaat in de aansporing de Here te prijzen. Vers 2 heeft zijn parallel in vers 9: prijst de Here om de bereidwilligheid onder het volk. De verzen 3 tot 5 zijn gericht tot koningen en machthebbers buiten Israël en richten de aandacht op de macht van de Here die Hij toonde in het verleden. De band van de Here met zijn volk wordt benadrukt. Tweemaal wordt de Here als de Here, de God van Israël genoemd. Het noemen van de Sinaï, de berg van de verbondssluiting, kan daarom nauwelijks gemist worden. Het verbond van de Here met zijn volk wordt aan het begin van het lied geplaatst, omdat het de basis vormt voor het vertrouwen van Debora en de nederlaag van Sisera. In de verzen 10 en 11 wordt het volk Israël aangespoord om de Here te prijzen tegenover de eigen volksgenoten. Naast de rechtvaardige daden des Heren worden in vers 11 dan ook de rechtvaardige daden van zijn leiders in Israël genoemd.
Zowel rijken als armen, zowel degenen die onderweg zijn op de vroeger verlaten wegen, als ook degenen die thuis en bij de drinkplaatsen rusten, worden aangespoord.
De tweede subtop
Ook hier is eenzelfde compositie te vinden als bij de eerste subtop:
19a Koningen kwamen en streden, toen streden de koningen van Kanaän bij Taänak, aan de wateren van Megiddo;
19b geen stuk zilver maakten zij buit!
20 Van de hemel streden de sterren, vanuit haar banen streden zij tegen Sisera
21a De beek Kison sleurde ze mee, de aloude beek, de beek Kison;
21b - ga voort, mijn ziel, met kracht!
22 toen dreunden de hoeven der paarden van het wilde jagen dier dapp'ren.
De overeenkomst in 19a en 22 is de troepenverplaatsing. De tegenstelling wordt gevormd door het geregelde oprukken van vers 19a tegenover de wanordelijke vlucht van vers 22. In 19b wijzen de woorden "geen stuk zilver maakten zij buit!" op het verlangen van de Kanaänieten voor de strijdeen verlangen waarin ze teleurgesteld werden. Daartegenover staat vers 21 b, dat ik niet zou willen opvatten als een aansporing van Debora tot zichzelf, maar als aansporing van de koningen van Kanaän tot zichzelf op het moment dat zij de ondergang zien naderen. Een aansporing om zich uit alle macht in veiligheid te brengeneen verlangen waarin zij teleurgesteld werden. Rond de naam van Sisera staan dan nog de sterren van de hemel aan de ene kant en de beek Kison aan de andere kant. Het noemen van de sterren met hun glans lijkt mij ook verband te hebben met het zilver dat in 19b genoemd wordt. De vlucht van de Kanaänieten heeft dezelfde woeste beweging als het aanstormende water van de beek Kison.
De omgeving van de tweede subtop
In de verzen 14 tot 18 wordt gesproken over de stammen die wel en niet opkomen. In 14 en 15a worden de stammen genoemd die zich verzamelen.
In 15b tot 17 worden de stammen vermeld die niet komen, waarbij een verband gelegd wordt tussen hun woonplaatsen en water: aan de overkant van de Jordaan en aan het strand van de zee. Vers 18 komt terug bij de stammen Zebulon en Naftali die met ere genoemd worden, omdat ze opkomen met speciaal gevaar voor eigen leven en voor dat van hun families, omdat zij dichter bij Hazor wonen.
Eenzelfde driedeling vinden we in de verzen 23 tot 30. In vers 23 wordt gesproken over de inwoners van Meroz (Toevlucht), die zelfs geen gevaar wilden lopen, toen de Here de overwinning al gegeven had. Zij hielden rekening met de ontsnapping en de wraak van Sisera. Ze verwachtten Sisera, terwijl hij niet zou komen. De verzen 24 tot 27 gaan over Jaël, die Sisera waarschijnlijk niet verwachtte, maar hij kwam wel. De moeder van Sisera keek daarentegen in de verzen 28 tot 30 met ongeduld uit naar haar zoon, terwijl hij niet kwam.