De kerkenraad uit

2010-04-02
  • Jaargang 54
  • nummer 7
Het is boeiend om te zien hoe de verschillen tussen kerken op theologisch niveau soms zorgvuldig in stand gehouden worden, terwijl op een ander niveau (noem het sociologisch of psychologisch) precies dezelfde dingen aan de orde zijn. Eén daarvan is de zorg rond ambtsdragers. Daarover schrijft in De Waarheidsvriend van 4 maart de hoofdredacteur van dat blad, P.J. Vergunst, die na een hartinfarct in december onlangs zijn werkzaamheden weer mocht opnemen.
In veel PKN-gemeenten zijn op de eerste zondagen van het nieuwe jaar nieuwe ambtsdragers aangetreden, terwijl anderen het eind van hun ambtstermijn hadden bereikt. En juist over hen heeft Vergunst zorg. Na geconstateerd te hebben dat bij geestelijk leven ook hoort dat je groeit, dat je verder komt in het leven met de Here, vraagt hij:

Als vorderingen standaard horen bij het ambtelijke leven, wat betekent dit dan voor de ambtsdragers als de tijd van hun terugtreden uit de kerkenraad gekomen is? Dan raken we toch gerijpte mannen kwijt die geworteld zijn in het Woord van God, die de noden van de gemeente kennen en haar op het hart dragen? In elke gemeente kwamen we hen vanouds wel tegen, mensen met ambtelijk gezag. Het waren niet altijd degenen met de hoogste positie in het maatschappelijke leven (integendeel soms), het waren niet degenen die het meest aan het woord waren - het waren wel mensen die leefden bij de beloften en ook de geboden van God en daardoor op de juiste ­tijd een beslissend woord konden spreken.
Vele van deze broeders hebben twee keer de twaalf jaren vol gemaakt, die een ambtsdrager onder de hervormde kerkorde mocht dienen, een enkeling zelfs drie keer.

En als deze broeders dan afscheid moesten nemen, zegt Vergunst, dan deden ze dat vaak met pijn in het hart en met tranen in de ogen. Zou dat vandaag nog zo wezen, vraagt hij zich af:

Zou zelfs het tegendeel ondertussen niet veel vaker voorkomen? Ik denk het wel, hoor het om me heen. Er zijn vele ambtsdragers die teleurgesteld de kerkenraad verlaten, die zelfs gefrustreerd terugzien op hun ambtelijke jaren. Die teleurstelling heeft een andere grond dan dat ze voortkomt uit de ervaring die ieder heeft die in het Woord arbeidt, namelijk dat het zaad van het Evangelie ook weggepikt wordt door de vogels of dat het gevallen is op een rotsachtige bodem. ()
Maar de teleurstelling of frustratie van oud-kerkenraadsleden gaat dieper. Er is onvrede over het functioneren van de kerkenraad en de eigen plaats daarin. Mag ik de gevoelens zo samenvatten dat velen de kerkenraad te weinig ervaren hebben als een kring van broeders die samen over het Woord spraken? Dat lijkt een open deur, maar is het niet. De vergadercultuur heeft ook de kerk besmet en het mailverkeer maakt dat iedereen veel te veel documenten te lezen krijgt. Hoeveel tijd heeft de diaken daarentegen gehad voor het concreet omzien naar zieken, gehandicapten, mensen in de marge van de maatschappij? Hoeveel tijd is een ouderling bezig met het reguliere huisbezoek in vergelijking met de tijd die hij aan beleid moet besteden?
Dan komen daar de vergaderingen van de kerkenraad bij. Hoeveel ruimte is er voor bezinning bij een open Bijbel, het samen een boekje bespreken? Is er daarbij een klimaat om elkaar in het hart te kijken, kwetsbaar te zijn en de vragen over jouw leven met God te benoemen? Al is de ervaring dat de afhandeling van de andere agendapunten dan voortvarender gaat, die tijd voor het geloofsgesprek is op veel plaatsen beperkt. ()
Ik pleit () voor een concreet, pastoraal omzien naar degenen die onlangs het ambt hebben neergelegd. Als het dragen van het ambt een mens verfomfaait - de uitspraak is van prof. Van Ruler -, dan geldt dat beslist in onze tijd. In een vertrouwelijke setting luisteren naar de ervaringen van de oud-ambtsdragers, naar hun zegeningen, leermomenten en teleurstellingen, kan van betekenis zijn voor het bewaren van de gemeente bij het Woord en bij elkaar.
Dat leermoment zou vooral kunnen zijn het snoeien in de vele vergaderingen en een concentratie op de kern. Laat ieder een welomschreven taak hebben, waarop hij op een bestemde tijd bevraagd kan worden. Laat een ouderling niet ‘eindeloos’ met een pastoraal team hoeven te overleggen, maar laat hij de tijd gebruiken om zich te oefenen in de verborgenheden van het geloof, om zo uitdeler te kunnen zijn van Gods menigvuldige genade. Laat de diaken zich veel tussen de mensen mogen begeven, om een luisterend oor te combineren met een open hand.
Eigenlijk is het best eenvoudig, voor de één een herder en voor de ander een naaste zijn. Dan doen we waartoe we geroepen zijn, waarbij het bevestigingsformulier ons bepaalt, waarin Gods Woord ons onderwijst. Dan blijven we samen in de leer van Christus.

Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK Enschede.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief