Een profeet wordt wachter
1996-01-26
De profeet Ezechiël wordt door God aangesproken met de naam mensenkind. Hij staat maar niet aan de kant van God, maar ook aan de kant van de mensen. Hij is de mens onder de mensen.- Jaargang 40
- nummer 2
Wachter over het huis Israëls
Wanneer God met de verwoesting van Jeruzalem Zijn boosheid de vrije loop laat, als zijn geduld ten einde is en de ballingschap eigenlijk pas goed begint, gaat Hij nog een stap verder. De profeet wordt aangesteld tot wachter over het huis Israëls. Hij moet maar niet aan de kant van de mensen staan maar ook tegenover God.
Een wachter moet in tijd van oorlog op de muren van de stad klimmen en hij moet het volk waarschuwen als hij de vijand aan ziet komen. Waarschuwt hij niet en er komen mensen om dan is dat de schuld van de wachter. Heeft hij wel gewaarschuwd, en zijn er mensen die de waarschuwing niet ernstig namen en daardoor omkwamen dan treft de wachter geen schuld.
Er is in de kerk geknoeid met dat woord wachter.
Ik had als student ergens gepreekt en kreeg er na de dienst van langs van een paar ouderlingen. Ik zal het er wel naar gemaakt hebben. Eén van de ouderlingen verontschuldigde zich min of meer en zei: "Wij ouderlingen zijn nu eenmaal wachters op Sions muren".
Daar zit wat in.
Maar met het wachter-zijn van de profeet Ezechiël heeft dat niets te maken.
Zeker, de profeet is wachter op Sions muren, maar van welke kant dreigt er gevaar? Wie is de vijand waarvoor de profeet moet waarschuwen?
Die vijand is God.
Als God met getrokken zwaard op weg is naar Zijn volk dan wil Hij door Zijn eigen profeet voor de voeten gelopen worden.
Wie komt hier op?
Stelt u zich voor dat een generaal een stad wil verwoesten en hij stuurt één van zijn officieren naar de stad. Die moet op de muur klimmen en de mensen waarschuwen als hij hem ziet komen.
Onvoorstelbaar toch?
Maar zo is de Here God.
God van het volk dat Hem had verlaten.
God van de mensen die Hem nu hebben verlaten.
God van de kerkverlaters.
Gods toom
Wij hebben altijd vrij onbekommerd geleefd bij het geloof in de toorn van God. Die was zo ver weg. Maar er is iets aan het veranderen.
De door de toorn van God bedreigden zijn niet meer ver weg maar ze zijn onder ons.
U hebt wel eens gehoord van de leer van de algemene verzoeming, neem ik aan. De leer dat het tenslotte met iedereen wel goed komt.
Ik breng die leer niet.
Maar ik ga tot aan de uiterste grens van deze dwaling.
Ik durf de grens niet te overschrijden, want dan neem ik de dreigende woorden waarvan de Bijbel zo vol is, niet meer ernstig en dat wil ik blijven doen.
Ook dit bijbel hoofdstuk is dreigend.
Maar wanneer ik tot aan het uiterse randje van deze soms zo lieve dwaling ga (en laat het eerbiedig klinken) dan heeft de Heilige Geest het er naar gemaakt.
Want midden in dit verhaal van de ontlading van de toorn van God komt hier zijn ontferming zo stralend tevoorschijn.
Terwijl Hij onderweg is om te straffen denk de Here: Hoe krijg ik ze onder mijn boosheid vandaan? En dan wil Hij dat zijn eigen profeet Hem de voet dwars zet.
Mijn gedachten gaan, terwijl ik dit schrijf, steeds naar het gebed van de profeet Habakuk (3:2): "Here... gedenk in de toorn aan ontfermen."
Hoe kan dat samen gaan: toorn en ontfermen?
Bij God kan dat blijkbaar, op een wijze die wij niet kunnen begrijpen.
De kerk zal, tegen heug en meug desnoods, moeten blijven spreken van Gods toorn zonder de boze woorden van God weg te moffelen. De moed daartoe mag zij ontlenen aan het feit dat God er in Zijn boosheid nog altijd wat op gevonden heeft. Wij moeten de bijbelse verhalen misschien soms twee keer vertellen: de ene keer mag Gods toorn er uit spreken en de andere keer zijn ontferming maar nooit zo spreken dat toorn en ontferming elkaar opheffen.
En in beide verhalen mag het er uitspringen: Hij vindt in gunst en niet in wraak zijn lust, de hitte van zijn gramschap is geblust.