Hij was in de wereld

1996-01-26
  • Jaargang 40
  • nummer 2
Niet zo lang geleden is er een nieuwe Bijbelvertaling verschenen met als titel: Het Boek. Daarin heeft men ernaar gestreefd zo begrijpelijk mogelijk weer te geven, wat er bedoeld wordt. Een goed streven, waarvoor een vertaler zich best wel wat vrijheden mag veroorloven. Alleen, bij Het Boek is men daarin soms wel wat erg ver gegaan. Zo luiden daar de beginwoorden van het Evangelie van Johannes: “In het allereerste begin was Christus er al”, in plaats van “In het begin was het Woord”.

Hier zijn de vertalers van Het Boek duidelijk hun boekje te buiten gegaan.
Want dat met het Woord in Joh. 1:1 Christus bedoeld wordt, lijdt geen twijfel.
Maar het zal toch niet per ongeluk zijn, dat de evangelist pas in vers 17 Jezus Christus bij name noemt, nadat hij Hem daarvoor steeds heeft aangeduid met termen als 'het Woord' of 'het Licht'. Een vertaler gaat zijn boekje te buiten, wanneer hij het met zijn vertaling zijn lezers gemakkelijker wil maken dan de schrijver het zijn lezers heeft gemaakt. En in Joh. 1 heeft de schrijver het zijn lezers zonder twijfel met opzet niet gemakkelijk gemaakt.
Vergeef me de vergelijking, maar je zou Joh. 1:1-18 qua opzet kunnen vergelijken met een politiefilm. Zo'n film begint vaak met een scène waarin je van de dader alleen maar de hand met het pistool ziet, of de voeten, die van het lijk weglopen. Pas aan het eind van de film wordt duidelijk, wie de eigenaar van die hand of die voeten was. Een regisseur zou het natuurlijk zijn kijkers veel gemakkelijker maken het verhaal te volgen, wanneer hij al aan het begin de identiteit van de dader bekend zou maken. Maar dat zou niemand hem in dank afnemen, want het aardige van zo'n film is juist dat je als kijker voor dezelfde raadsels geplaatst wordt als de politiemensen die het onderzoek doen, zodat je wordt uitgedaagd om mee te denken.
Zo plaatst ook Johannes ons in het 'voorwoord' van zijn evangelieverhaal met opzet voor een raadsel door zestien verzen lang over Christus te spreken zonder eenmaal zijn naam te noemen.
Als je dan als vertaler toch al in het eerste vers de naam Christus invult, doe je hetzelfde als een filmregisseur die, tegen de bedoeling van de schrijver in, al meteen de dader vol in beeld brengt.

Een nieuwe 'hint'
Maar al noemt Johannes pas in vs. 17 degene over wie hij het heeft bij zijn naam, daarvóór geeft hij wel steeds meer aanwijzingen, waardoor het de goede verstaander steeds duidelijker wordt, dat het over Christus gaat.
De vorige keer hebben we Johannes horen spreken over het Woord, waardoor alles geworden is, en waarin leven was, leven dat het licht der mensen was. We hebben dat zo verstaan, dat heel de schepping is voortgevloeid uit één bepaald voornemen van God: dat er mensen zouden komen, die in gemeenschap met Hem zouden leven.
Vanuit dat voornemen, met die bedoeling voor ogen, heeft God de wereld en de mens daarin geschapen en vervolgens de mens ook zijn gemeenschap aangeboden, zijn 'licht' voor de mens doen schijnen. Licht heeft in Joh. 1 namelijk de betekenis van: gemeenschap.
Dat licht schijnt echter in de duisternis: God stuit bij de mens op een afwijzende houding, als Hij zijn gemeenschap aanbiedt. Die afwijzing van de kant van de mens heeft God echter niet van zijn voornemen af kunnen brengen: "de duisternis heeft het (licht) niet gegrepen", niet overweldigd en gedoofd. Nog steeds is God uit op gemeenschap met mensen: het licht schijnt, nu. Een zeer goede verstaander, die Christus en zijn werk goed kent, zou hier al kunnen zeggen: dit gaat over Christus. Ook al omdat de evangelist in vers 1 en 2 al heeft laten doorschemeren, dat het Woord een Persoon is. "Het Woord was bij God en het Woord was God", dat kan immers alleen op een Persoon slaan.
God heeft zijn bedoeling naar buiten gebracht en volvoert die - Hij laat zijn licht schijnen - in en door een Persoon.
En wie Christus kent, weet dat die Persoon niemand anders dan Christus kan zijn.
Maar ook nu is Johannes er nog niet aan toe Christus bij zijn naam te noemen.
Wat hij wel doet in vers 6 en volgende, is een nieuwe aanwijzing, een nieuwe hint geven. Hij gaat het er nu namelijk over hebben, wannéér dat licht, dat in de duisternis schijnt, is begonnen te schijnen zoals het nu schijnt.

Pas op, hij niet!
"Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes."
Even lijkt het alsof de evangelist er nu al toe overgaat de naam waar het om gaat bekend te maken. Ook dat zie je vaak in politiefilms: dat de aandacht een tijd lang gericht wordt op iemand die het wel eens gedaan zou kunnen hebben, maar die dan uiteindelijk toch niet de dader blijkt te zijn.
Zo zou je hier als lezer ook even kunnen gaan denken, dat Johannes de Doper - want over die Johannes gaat het hier - het licht was waarover de evangelist het in het vorige vers had.
En in de tijd toen het vierde evangelie geschreven werd, waren er ook niet weinigen die dat dachten, juist ook in Efeze, de stad waar de evangelist woonde en werkte, zie Hand. 19. Maar mochten zij bij het lezen van vers 6 gedacht hebben, dat de schrijver hen bijviel, dan zijn ze door hem in het volgende vers grondig uit de droom geholpen, want daar zegt de evangelist onomwonden: "Hij was het licht niet".
Trouwens, wat hij in vers 6 over Johannes de Doper zegt, sluit eigenlijk ook al uit, dat hij degene was over wie het in de voorafgaande verzen ging, want er staat: "Er trad een mens op, van God gezonden". Een 'mens van God gezonden', dat is niet niks. Johannes de Doper wàs dan ook niet zomaar iemand. Terecht hebben jullie hem hoog, zegt de evangelist tegen de vereerders van de Doper. Maar denk erom, hij was maar een mens, terwijl degene die ik zoëven het Woord en het Licht noemde, meer is dan een mens, zelfs meer dan een 'mens van God gezonden': "het Woord was Gòd".
Johannes de Doper was maar een mens, dus "was hij het licht niet". Maar hij was wel "om te getuigen van het licht". Hij "kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden". Hij moest de komst aankondigen van Hem die wèl het licht was, want die kwam eraan: "het waarachtige (het echte) licht (...) was komende in de wereld".
'Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht', zegt Johannes. Dit hoeft niet te betekenen, dat degene wiens komst Johannes de Doper moest aankondigen, alle mensen zou redden. Wel, dat in Hem God naar alle mensen toe kwam om hun zijn gemeenschap aan te bieden. Licht maakt gemeenschap mogelijk: door elkaar in de ogen te kijken leer je elkaar kennen. Zo heeft een mens om God te leren kennen ook een bepaald soort licht nodig en de komst van dat Licht mocht de Doper aankondigen.
Hij kon zelf de gemeenschap tussen God en mens niet tot stand brengen: "hij was het licht niet", maar hij mocht die gemeenschap wel aankondigen als iets wat hij die na hem komen zou, mogelijk zou maken.
Dat was ook inderdaad de inhoud van de prediking van de Doper: "Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen".
De hemel, God, komt binnenkort weer gemeenschap met jullie zoeken, een gemeenschap als van een goede koning met zijn trouwe onderdanen.
Zorg dan dat je, wanneer Hij komt, de juiste houding tegenover Hem aanneemt: niet de afwerende houding die jullie van nature tegenover Hem aannemen, maar de zich openstellende houding van het geloof. Neem dus een andere houding aan tegenover God, keer je om, bekeer je! Johannes de Doper, zegt de evangelist, "kwam als gelovige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem zouden geloven".

In de geschiedenis
De goddelijke Persoon in wie het leven, het licht der mensen is, die zelf het licht is, die Persoon, zegt de evangelist, "was komende in de wereld" toen Johannes de Doper optrad. Hiermee heeft hij die Persoon, die hij in vers 1 'het Woord' heeft genoemd, in een historisch kader geplaatst. We kunnen nu in de geschiedenis naar Hem op zoek. En dan moeten we zoeken naar iemand wiens komst Johannes de Doper heeft aangekondigd. Wie een beetje de geschiedenis rond het optreden van de Doper kent, moet nu toch langzamerhand wel weten, wie de evangelist bedoelt. Toch noemt deze ook nu zijn naam nog niet, hij houdt de spanning erin. Hij gaat eerst nog spreken over hoe het die Persoon, die als het waarachtige licht in de wereld kwam, in de wereld verging.
"Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend." De wereld, daarmee bedoelt Johannes de schepping, maar vooral ook de mensheid.
Die is "door Hem geworden". Dat betekent, dat degene om wie het hier gaat, er als Maker recht op had, dat de mensheid Hem zou erkennen.
Maar dat niet alleen. In vs. 3 heeft Johannes gezegd: "alle dingen zijn door het Woord, geworden", en het Woord, hebben we gezien, is het voornemen van God om mensen te laten leven in gemeenschap met Hem. Volgens dat voornemen, met dat doel voor ogen, heeft God de wereld, en vooral ook de mensheid geschapen: door zijn woord. Dat betekent, dat wij mensen ervoor gemáákt zijn om in gemeenschap met God te leven. Zonder die gemeenschap met God missen we ons scheppingsdoel. Gemeenschap met God is dus wat een mens nodig heeft om tot zijn doel te komen, en waar dus ook het verlangen van ieder mens op gericht zou moeten zijn.
Hij die als het waarachtige licht in de wereld kwam, kwam dus als de vervulling van wat het diepste verlangen van heel de mensheid zou moeten zijn.
Maar wat deed de mensheid, toen Hij kwam? Ontving ze Hem met open armen? Nee, zegt Johannes, "de wereld heeft Hem niet gekend". De wereld heeft niet verheugd op zijn komst gereageerd: Ha, bent U daar? U bent degene op wie wij met smart gewacht hebben! Nee, als de wereld al reageerde, was het kil en vijandig.
Jammer, doodjammer! Maar valt het de wereld wel zo aan te rekenen, dat ze zo reageerde? Misschien heeft ze het uit onkunde gedaan en was het niet kennen meer een kwestie van niet hèrkennen dan van niet willen kennen.
Dat kan wel zijn, zegt Johannes, maar Hij die het waarachtige licht is, kwam niet zomaar ergens in de wereld tussen de mensen wonen, "Hij kwam tot het zijne". Hij kwam wonen in het land dat God al eeuwen geleden tot het zijne had gemaakt, en temidden van een volk dat ook al eeuwen lang als uitverkoren volk van God zijn woord had mogen horen. Hij kwam dus tot mensen bij wie je moeilijk van onkunde kon spreken. Maar ook die mensen, de zijnen, "hebben Hem niet aangenomen", zegt Johannes. Let erop, dat de evangelist hier de uitdrukking 'niet aangenomen' gebruikt in plaats van het nog min of meer verontschuldigende 'niet gekend'.
Maar, niet gekend of niet aangenomen, het resultaat was hetzelfde: er werd geen gebruik gemaakt van het aanbod dat God aan de mensen deed, terwijl wat God aanbood, het leven met Hem, toch juist datgene was wat een mens nodig heeft, waarvoor hij gemáákt is.
Gods lokroep, die tot de mensen kwam door zijn Woord, dat als een persoon in de wereld kwam, vond geen gehoor, noch bij de mensheid in het algemeen, noch ook bij Gods eigen volk.

Wie Hem aangenomen hebben
Heeft de duisternis dan toch het licht gegrepen, overweldigd? Is Gods voornemen, dat Hij al voor de schepping in zijn Woord naar buiten heeft gebracht, nu toch definitief gestrand?
Nee, toch niet, zegt Johannes. Want al heeft de wereld en al heeft zijn volk als geheel Hem niet aangenomen, er zijn er uit beide toch die Hem wel hebben aangenomen, die wel "in zijn naam geloven" - het doel van het getuigenis van Johannes de Doper. Die mensen ontvangen van Hem dat leven met God, dat voor een mens het enige echte, het eeuwige leven is.
En zij ontvangen het op een manier waar Johannes de Doper, hoewel hij gekomen was om ervan te getuigen, nog niet eens weet van had. Want die sprak van de komende gemeenschap tussen God en mensen als van een gemeenschap tussen een koning en zijn onderdanen: "het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen". Maar nu zegt de evangelist: "hun heeft Hij macht (bevoegdheid) gegeven om kinderen van God te worden". God wil niet slechts hun Koning zijn, Hij wil hun Vader zijn.
Dat is wat God op het oog heeft, waarom Hij alles geschapen heeft: dat mensen met Hem zullen leven als zijn kinderen. En dat gaat dus door, ondanks het feit dat in het algemeen de mensen en zelfs de leden van zijn eigen volk die gemeenschap met Hem niet willen. Ja, van zichzelf wil geen enkel mens gemeenschap met God.
Dat is het ongerijmde van de mens na de zondeval: hij is nog steeds ervoor gemaakt om met God te leven als een kind met zijn Vader, maar van zichzelf wil hij dat niet: van zichzelf wil ieder mens God maar het liefst op een afstand houden.

Uit God geboren
Maar hoe komt het dan, dat er toch kennelijk mensen zijn die Hem die hun dat leven met God kwam aanbieden, wel hebben aangenomen en wel in zijn naam geloven? Die mensen, zegt Johannes, daar is iets mee. Die zijn niet meer zoals een mens sinds de zondeval van nature is. Zij zijn zo radikaal anders geworden in hun houding tegenover God, dat je wel van een nieuwe geboorte kunt spreken. Zij zijn "niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mens, doch uit God geboren". Een gewone geboorte is een geboorte 'uit bloed'.
Letterlijk staat er: 'uit bloeden', meervoud.
Iets van de vader komt samen met iets van de moeder en dan ontstaat er een kind, dat zowel eigenschappen van de vader als van de moeder vertoont. En als het goed is, gebeurt dat niet per ongeluk, maar omdat de ouders het willen, omdat zij willen dat er uit hun samenleven nieuw leven ontstaat. Dat is wat Johannes bedoelt met 'de wil van het vlees': niet zozeer de geslachtsdrift als wel de wil, het streven van al wat leeft, om het leven door te laten gaan in steeds weer een nieuwe generatie. Uit dat streven echter, zegt Johannes, kunnen geen kinderen van God voortkomen.
Zelfs niet uit 'de wil van een man', het streven van een vader om zijn kind normen en waarden bij te brengen. Wij mensen kunnen onze kinderen van alles meegeven: onze erfelijke eigenschappen, onze naam, ons bezit, onze kennis, onze normen en waardenalthans, dat kunnen we proberen. Maar wat ze niet kunnen meegeven is het ware geloof, waardoor een mens het aanbod van God om zijn kind te zijn aanneemt. Dat geloof kan alleen God een mens geven. Als Hij tot een mens zegt: Mijn kind ben je, je bent uit Mij geboren, dan IS die mens ook werkelijk uit God geboren en dan gaat hij ook leven als een kind van God, dat zijn hemelse Vader liefheeft en niets liever wil dan dichtbij Hem zijn en doen wat Hij zegt. Dat kunnen wij onze kinderen niet geven, hoe graag we het ook zouden willen. We kunnen het onszelf niet eens geven. We kunnen er alleen maar God om bidden met een beroep op zijn Woord, dat Hij al voor de schepping heeft geuit, en dat Hij ook in de persoon van Jezus Christus in de wereld heeft gebracht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief