Het Woord is vlees geworden

1996-02-09
  • Jaargang 40
  • nummer 3
,,De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen.” Zo begint Psalm 19. Als je wilt weten, hoe geweldig God is, hoe groot zijn heerlijkheid is, moet je naar de hemel boven je kijken, want die vertelt het. De hemel is namelijk het werk van zijn handen. Niet alleen de damkring met de wolken, ook de eindeloze ruimte daarboven met de maan en de zon en al die ontelbare sterren, die – dat wist de dichter nog niet, maar wij wel – evenzovele zonnen zijn, heel dat immense helaal is gemaakt door die ene God. Hoe groot moet die God dan wel niet zijn!

Wat is waarheid?
Wie of wat zit er achter het heelal en ook achter ons bestaan als mensen?
Die vraag, daar heeft niet alleen het oude Israël over nagedacht, het is een algemeen menselijke vraag. Een volk dat zich met deze vraag wel heel intensief heeft beziggehouden, is dat van de oude Grieken. Hun denkers waren voortdurend op zoek naar wat zij noemden: de waarheid, d.w.z. de ware werkelijkheid, die achter het waarneembare ligt, het wezen der dingen. Want, zeiden ze, wat onze zintuigen waarnemen, is niet zonder meer de ware werkelijkheid. Onze zintuigen bedriegen ons nogal eens. Hoe het werkelijk is, het wezen der dingen, de waarheid, daar kun je alleen achter komen door zuiver denken.
Ons Westerse denken is voor een belangrijk deel uit dit Griekse denken voortgekomen.
Dat geldt met name voor het wetenschappelijke denken. Zo is het typisch Grieks, wanneer een natuurkundige zegt: Warmte is in werkelijkheid beweging van molekulen. Met werkelijkheid bedoelt hij dan niet: wat een mens direkt ervaart - want dat is maar subjectief - maar wat er volgens het wetenschappelijke denken achter het verschijnsel warmte zit.
Nu kenden de oude Grieken allerlei godenverhalen die het bestaan van mens en wereld verklaarden, maar tegen de tijd dat Christus geboren werd, nam geen enkele weldenkende Griek die meer letterlijk. In plaats daarvan zag men het heelal als het voortbrengsel van wat men noemde: de goddelijke Rede. Zoeken naar waarheid betekende voor hen daarom: zoeken naar de 'logica' van de goddelijke Rede. Als je die kent, als je de 'waarheid' kent, zeiden zij, weet je waarom je er bent, wat het doel is van je bestaan, en dus ook, wat je doen en laten moet om dat doel te bereiken.
Het was dus volgens die Griekse den~ kers zeer wenselijk de waarheid te leren kennen. Wenselijk en ook mogelijk, want, zeiden ze, de mens heeft in zijn redelijke verstand iets meegekregen van de goddelijke Rede, zodat hij in staat is de logica I achter al wat is, zelf te bedenken, als hij zijn verstand maar goed gebruikt.

De verordeningen des HEREN zijn waarheid
Wie of wat zit er achter het bestaan van mens en wereld, en hoe kunnen wij mensen erachter komen, wat we moeten doen om het doel van ons bestaan te bereiken?
Die twee vragen zijn ook in Psalm 19 aan de orde. Het antwoord op de eerste vraag wordt in het eerste deel van de psalm gegeven: Het heelal is het werk van Gods handen. En in het tweede deel krijgen we antwoord op de tweede vraag: AI verkondigt de hemel in een over heel de aarde verstaanbare taal, dat er achter al wat is, een geweldig God zit, die met alles een bedoeling heeft, wij mensen kunnen nooit zelf bedenken, wat wij moeten doen om het doel van ons bestaan te bereiken.
Maar dat hoeven we ook niet, want die God, de HERE, heeft het ons bekend gemaakt, volkomen bekend gemaakt in zijn wet. Die wet is waar, waarachtig, betrouwbaar: wie zich daaraan houdt, komt niet bedrogen uit, die bereikt zijn doel.
Die wet komen we ook tegen in Joh. 1:17. Daar zegt de evangelist: "De wet is door (tussenkomst van) Mozes gegeven."
Maar daar wordt tegenover die wet iets anders gesteld, iets beters. En dat betere wordt o.a. 'de waarheid' genoemd.

De waarheid is gekomen
Wat nu? Heeft de dichter van Psalm 19 soms te hoog opgegeven van de volmaaktheid van Gods wet als leidraad voor de mens om het doel van zijn bestaan te bereiken? Is die wet misschien toch niet zo waar, dat er geen waarheid is die haar te boven gaat? Maar om wat voor een waarheid gaat het dan? Heeft Johannes soms een waarheid op het oog als waar die Grieken het over hadden, waar een mens met zijn rede achter kan komen? Inderdaad lijkt Johannes nogal sterk aan te sluiten bij het Griekse denken. Joh. 1 begint met: "In den beginne was het Woord", en 'woord' (logos), zo noemden de oude Grieken ook de goddelijke Rede.
Bovendien is het ook niet alleen maar een kwestie van hetzelfde woord, want als Johannes het heeft over het Woord, waardoor alle dingen geworden zijn, bedoelt hij daarmee de goddelijke bedoeling achter de schepping, achter al wat is, en dat doet sterk denken aan wat de Griekse denkers over de goddelijke Rede zeiden. En zoals die Grieken ervanuit gingen, dat de mens de 'waarheid' kan kennen, zo bedoelt Johannes, als hij zegt dat "de waarheid gekomen is", kennelijk ook, dat het voor ons mensen mogelijk is geworden de goddelijke bedoeling achter de schepping te kennen.
Maar daar houdt de gelijkenis dan ook op. Want zowel wat betreft het middel waardoor mensen de waarheid kunnen kennen, alsook wat de inhoud van die waarheid betreft, verschilt wat Johannes zegt hemelsbreed van wat de heidense Grieken dachten.
Want hoe is volgens Johannes 'de waarheid gekomen'? Hoe zijn mensen erachter gekomen, wat al van eeuwigheid Gods bedoeling is geweest, waarom Hij er in den beginne toe is overgegaan de wereld en de mens te scheppen?

Niet door logisch redeneren, maar doordat er Iemand, een Persoon naar hen toe gekomen is: Jezus Christus.
"De waarheid is door Jezus Christus gekomen". Hier, in vs. 17, noemt Johannes voor het eerst de naam van de Persoon over wie hij het al vanaf vs. 1 steeds heeft gehad. Van die goddelijke Persoon heeft de evangelist in vs. 6 e.v. verteld, dat Hij op een bepaald moment in de geschiedenis, vlak na Johannes de Doper, naar de mensen op de aarde, om precies te zijn naar Gods eigen volk Israël toe gekomen is. Maar hij heeft er toen niet bij gezegd, in wat voor gedaante, in wat voor hoedanigheid die Persoon toen, op dat historische moment gekomen is.
Misschien als een bovenaardse, hemelse gestalte, verblindend van glans en met een donderende stem?
Zoiets zou je misschien wel verwachten, afgaande op wat Johannes over Hem gezegd heeft. Wat verwacht je bij Hem die het Woord heet, anders dan een donderende stem, en bij Hem die het Licht heet, anders dan een verblindende gestalte?

Vlees geworden
In vs. 14 krijgen we antwoord op deze vraag. "Het Woord is vlees geworden", zegt Johannes, "en het heeft onder ons gewoond". "Het Woord is vlees geworden", daarmee bedoelt de evangelist niet, dat wat voorheen slechts een klank of een abstract begrip was, nu ineens een tastbare, levende werkelijkheid is geworden, want het Woord waar het hier om gaat, was in den beginne al een Persoon.
Met 'vlees' bedoelt Johannes hier: mens, echt mens. Het Woord, de goddelijke Persoon in wie God zijn diepste bedoeling naar buiten gebracht en kenbaar gemaakt heeft, zegt Johannes, is niet tot ons gekomen als een hemelse verschijning, die een mens met verwondering, met ontzag, of zelfs met dodelijke schrik vervult, maar als een mens, een echt mens van vlees en bloed met alle zwakheden en beperktheden die een mens eigen zijn. Net als ieder van ons is Hij geboren als een klein baby'tje, happend naar adem, bibberend van de kou en schreeuwend om melk.
En ook later, als volwassene, heeft Hij honger gehad en dorst, is Hij moe geweest en heeft Hij gehuild.
En Hij is ook niet maar even op aarde verschenen om een boodschap af te geven en daarna weer te verdwijnen, "Hij heeft onder ons gewoond". Letterlijk staat er: "Hij heeft onder ons in een tent gewoond", maar die uitdrukking gebruikt Johannes niet om aan de echtheid van het wonen af te doen; hij wil daarmee slechts herinneren aan de manier waarop de Here in de woestijn bij zijn volk woonde: in een tabernakel; maar daarop komen we straks nog terug.
In ieder geval, het vlees geworden Woord heeft op aarde een adres gehad, waar je Hem kon opzoeken, zoals Andreas deed, toen hij zijn broer Simon met Hem wilde laten kennismaken (Joh. 1:39-43).

Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd
Het Woord, dat God is, is tot ons mensen gekomen als een mens, een mens zoals wij.
Zou dáárom de wereld Hem niet als haar Schepper, en Gods volk Hem niet als zijn Koning hebben herkend en erkend, zoals de evangelist in vs. 11 en 12 opmerkte?
Dat kan een rol gespeeld hebben, zegt Johannes, maar daarmee zijn dan die wereld en dat volk niet verontschuldigd, want wie goed keek, kon in die mens, waar zo op het oog niets bijzonders aan was, wel degelijk goddelijke heerlijkheid ontwaren: "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders".
Letterlijk staat er: "een heerlijkheid als van een eniggeborene van de kant van een vader". In de Groot Nieuws Bijbel is het zo vertaald: "een glorie zoals een enig kind die ontvangt van zijn vader".
Terecht: het gaat hier om een vergelijking.
Een enig kind hoeft bij het overlijden van zijn vader de erfenis met niemand te delen, hij krijgt die voor de volle 100%.
Zo, zegt Johannes, hebben wij in het vleesgeworden Woord de heerlijkheid van God voor de volle 100% aanschouwd.
Als we God zelf hadden gezien, hadden we geen grotere heerlijkheid te zien gekregen dan we nu zagen in zijn vleesgeworden Woord.
Dat heeft diegene die het Woord is, trouwens ook zelf tegen ons gezegd: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien".

Gods heerlijkheid: zijn genade
Het vleesgeworden Woord van God vertoonde evenveel goddelijke heerlijkheid als God zelf. Maar hoe kan dat? God, die de zon geschapen heeft, moet toch minstens zo'n verblindende lichtglans over zich hebben als de zon.
Maar van zo'n lichtglans, zo'n heerlijkheid was bij het vleesgeworden Woord, Jezus Christus, toen Hij op aarde rondliep, geen sprake. Wel bij de engel die zijn geboorte verkondigde, maar niet bij Hem zelf. Hoe kan Johannes dan zeggen, dat hij in Jezus Gods heerlijkheid voor de volle 100% heeft aanschouwd?
Het vleesgeworden Woord, zegt de evangelist, was "vol van genade en waarheid".
Genade en waarheid, dat zijn geen dingen die in het oog springen. Ik zou, zegt Johannes, ze zelf misschien ook nooit bij Jezus hebben opgemerkt, als mijn leermeester Johannes de Doper mij niet op Hem gewezen had: "Deze was het, van wie ik zei: Die na mij komt is voor mij geweest, want Hij was eer dan ik". Op grond van dat getuigenis ben ik achter Jezus aan gegaan en toen ben ik er gaandeweg achter gekomen, hoe vol van genade Hij was: hoe gul Hij was in het aanvaarden van zwakke, telkens weer tekort schietende mensen, hoe groot zijn bereidheid, ja hoe vurig zijn verlangen was om in hun tekorten te voorzien en hun zonden te vergeven.
Op het laatst bleek Hij zelfs bereid aan een kruis zijn leven te geven als offer ter verzoening van die zonden.
Ja, toen, toen Hij beroofd van alles wat bij mensen heerlijkheid heet, aan dat kruis hing, toen hebben we pas echt zijn heerlijkheid aanschouwd: de heerlijkheid van zijn genade, zijn liefde.
En toen hebben we ook gezien, dat Hij vol was van waarheid: dat Hij, juist doordat Hij vol was van genade, één grote en volkomen betrouwbare openbaring was van de goddelijke bedoeling achter al wat is.
"In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen", hebben we in vs. 4 gelezen. Dat betekende, hebben we gezien, dat heel de schepping is voortgekomen uit de uitgesproken wil van God, dat mensen in gemeenschap met Hem zullen leven. Daarin zoekt God zijn eer, daarin wil Hij verheerlijkt zijn: niet in zo groot mogelijke energie-uitbarstingen in het heelal, maar in mensen die door zijn genade in gemeenschap met Hem gaan leven. Dat hebben ook de engelen in de kerstnacht gezongen: heerlijkheid voor God betekent vrede op aarde bij mensen die delen in zijn genade.
Wij hebben ontvangen Die heerlijkheid, de heerlijkheid van Gods genade, zegt Johannes, die hebben wij aanschouwd in het vleesgeworden Woord van God, in de mens Jezus Christus. En we hebben die niet alleen gezien, we hebben uit die volheid van genade die we in Jezus zagen, ook zelf genade ontvangen.
"Uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade".
Jezus Christus heeft ons niet alleen de gemeenschap met God aangewezen als het doel van ons bestaan, om vervolgens het zoeken van die gemeenschap met God ook geschonken.
Want in Hem is God zelf naar ons toe gekomen met zijn liefde.
De heidense Griekse denkers van Johannes' dagen wezen de mensen op de goddelijke Rede als het geheim achter al wat is, maar zij lieten het aan de mensen zelf over om te proberen met hun eigen rede tot die goddelijke Rede op te klimmen en zo het doel van hun bestaan te vinden.
Maar ook Mozes, zegt Johannes, heeft niet meer kunnen doen dan de mensen een wet geven, die naar het ware leven de weg wees; het ware leven zelf kon ook hij niet geven. In Jezus Christus echter heeft God zelf ons zijn heerlijke gemeenschap, het doel van ons bestaan, aangeboden door onder ons te komen wonen. In de bedeling van Mozes woonde God ook wel bij zijn volk, in een tent, de tabernakel, maar die tent was omringd door een hele voorhof van afstand-scheppende wetsbepalingen.
In Jezus echter heeft God - dat wil zeggen: "een eniggeborene, die God is, die aan de boezem des Vaders is"; zo wordt Christus volgens de meest betrouwbare handschriften in vs. 18 genoemd - als mens tussen de mensen onder ons gewoond. Vooreerst nog maar tijdelijk: slechts enkele tientallen jaren. Maar zij die zijn heerlijkheid, zoals die toen te zien was, over hun leven hebben laten schijnen, zuIlen straks de heerlijke gemeenschap met God ten volle en voor eeuwig mogen beleven op de nieuwe aarde, waar "de tent van God bij de mensen"
zal zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief