Gedichten lezen

1996-02-09
  • Jaargang 40
  • nummer 3
Libera Nos, Domine De wind woei om het eenzaam huis In 't laatste avonduur; Toen lichtte een vreemde de klink der deur En zat bij 't open vuur.

Ik dierf niet vragen wie hij was En hij gaf teken noch taal; En ik noodde hem niet, maar hij zat aan Naast mij aan 't avondmaal.

Mijn lippen trilden en in mijn hart Laaide hittige haat; Maar hij glimlachte en hief tot mij Zijn bitterschoon gelaat.

En 'k sprak en zei: "Ik ken u niet!
Wat, aan mijn haard, zoekt gij?"
Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand, En brak het brood met mij.

En ik herkende ...; 's morgens vroeg Is hij weer heengegaan. ..

Maar 't laatste van dit bitter lied Zal God al/één verstaan.
Geerten Gossaert Gossaert (schuilnaam van F.C. Ger- , retson) was één van de dichters die omstreeks 1910 begonnen te publiceren.
Enkele andere beroemde namen uit die 'generatie van 1910' zijn J.C. Bloem en A. Roland Holst. Bij Gossaert denken we direct aan 'bezielde retoriek': hij wist traditionele en afgesleten uitdrukkingen zo te gebruiken dat de betekenis ervan weer ging leven (zie b.v. teken noch taal). Met opzet gebruikte hij ook vaak woorden die in zijn tijd al verouderd waren.
Daardoor doen zijn gedichten nu extra ouderwets aan maar er is voor zijn ' werk nog steeds waardering. Laten we nu even naar het afgedrukte gedicht kijken.
Wat gebeurt er? Een vreemdeling komt ongenood binnen en gedraagt zich alsof hij thuis is. De ik-figuur is bang voor hem, durft niet te vragen , wie hij is, maar de vreemde kent blijk.
baar geen enkele schroom, neemt zelfs brutaalweg plaats aan tafel en eet mee. Bij de ik maakt de aanvankelijke angst plaats voor woede, haat zelfs. En dan opeens ... herkenning!
Iedereen denkt natuurlijk aan de geschiedenis van de Emmaüsgangers.
Is die vreemdeling hier ook Jezus?
Het lijkt erop. Maar toch ... Waarom zwijgt de vreemde? Vanwaar die woede en haat bij de ik? En dan dat bitterschoon gelaat. Er zit iets tegen- , strijdigs in dat woord, iets dat afstoot én iets dat lokt. Zie ook het slot. Wat moeten we daar nou mee? Gossaert : heeft zelf de verklaring van het gedicht aangereikt. De vreemdeling is niet Jezus, maar de satan. De titel komt uit het Onze Vader. Daar staat: libera nos a malo. In het Nederlands: verlos ons van de boze. Hoe moeilijk is het vaak de wolf in schaapskleren te herkennen, de satan als lokkende verleider.
Vindt u dit ook niet een intrigerend gedicht? Toevallig is er ook over geschreven in het laatste nummer van Woordwerk. Aanbevolen voor wie zich er verder in wil verdiepenl

T. Hoekstra, Zwolle

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief