'Gemeente-zijn naar binnen, gemeente-zijn naar buiten' (2)
1996-03-08
In het eerste deel van De Jong’s toespraak voor de laatstgehouden ouderlingenconferentie ging het over de bijbelse lijn die eerst een concentratie naar binnen laat zien en pas daarna een uitwaaiering naar buiten.- Jaargang 40
- nummer 5
Er zijn volgens de schrijver tijden waarin de kerk zich eerst heeft te concentreren op ‘binnen’ alvorens naar ‘buiten’ te kunnen treden. De Jong gaat dan als volgt verder.
De grote uitdaging van de sekularlsatie
Zo'n situatie maken wij nu ook mee, is mijn mening. Misschien dat de kerk nog nooit voor zo'n grote uitdaging heeft gestaan als vandaag. Zodat wij vandaag binnenshuis heel wat te verhandelen hebben alvorens wij weer met overtuiging naar buiten kunnen treden. Ik bedoel niet te zeggen dat wij eerst onze kerkelijke verdeeldheid maar eens opgeruimd moeten hebben voordat wij ons tot de wereld kunnen richten, zoals je vaak hoort zeggen.
Dan zou je op dat naar buiten treden van de kerk een te grote belasting leggen, want hoeveel energie is daar nu al wel niet ingestoken zonder dat we er veel resultaat van zien. Ik geloof ook niet dat de kerkelijke verdeeldheid voor de wereld zo'n groot struikelblok is.
Wel let de wereld erop dat we als verschillende kerken zo christelijk mogelijk met elkaar omgaan. Nee, niet de kerken en al helemaal niet bepaalde kerken, maar de christenheid als zodanig verkeert in een krisis en staat in onze tijd voor een haast bovenmenselijke opgave. Vanwege namelijk de vragen die de sekularisatie aan ons stelt.
Toen Jezus voor het grote binnenwerk stond en discipelen van Hem zijn aandacht vroegen voor buiten, zei Hij: "De graankorrel moet eerst in de aarde vallen en sterven; pas daarna kan zij veel vrucht afwerpen" (Joh. 12:24).
Voor een dergelijk iets, een navolging op afstand van de Heer, staat de kerk m.i. ook nu. Zo groot schat ik de krisis in. De hele bijbelse wereld is namelijk bezig weg te vallen.
De bijbelse wereld, wat bedoel ik daarmee? Het is de hele maatschappelijke ordening die als nasleep met het evangelie is meegekomen en die zich over het gekerstende leven van Europa heeft gelegd. De wereld werd daardoor omgevormd tot een soort voorhof voor de tempel, een gebied waarop de kerk met haar normen en waarden op een zekere instemming van de kant van de niet gelovigen kon rekenen. Die voorhof, die min of meer gechristianiseerde wereld is vandaag bezig te verdwijnen, zoals trouwens in het boek van de Openbaring is voorzegd (11 :2). Dat bedoel ik als ik zeg dat de wereld van de bijbel er bijna niet meer is.
En dat noopt ons tot een geduchte heroriëntatie. Aan de gang naar buiten gaat dáárom een tocht naar binnen vooraf. Een zelfonderzoek waarin wij te rade gaan met de vragen die de wereld, of beter gezegd: de situatie in de wereld, ons stelt.
Een aantal konkrete toespitsingen
Laat ik een aantal dingen noemen en in een willekeurige volgorde een paar vragen stellen.
Gesteld, wij treden naar buiten. Wat moeten we tegen de homofiele mens zeggen? Dat terwijl iedereen sexueel tot zijn recht mag komen, uitgerekend hij in onthouding leven moet?
Ik zeg niet dat dit nu een hoofdvraag is maar we leven wel in een wereld waarin zulk soort vragen als eerste aan de kerk gesteld worden.
Dan: Wat moeten we tegen de vrouw in de samenleving zeggen? Dat ze haar emancipatie moet opgeven en weer terug moet naar het gezin?
Wat moeten we tegen de mondig geworden mens zeggen? Dat hij zich weer moet voegen in het gezag van wie boven hem staan en dat hij de maatschappij (de ene mens naast de andere) van nu weer moet terugvormen tot de heerschappij (de ene mens onder de andere) van vroeger?
Wat moeten we tegen een christenverpleegster zeggen als een zieke moslimpatiënt in de stervensfase met haar wil praten over zijn geloof? Is zij gehouden hem het evangelie voor te houden of mag zij om hem te helpen zoeken naar overeenkomstige punten in zijn en haar eigen geloof?
Wat moeten wij tegen de overheden zeggen? Moeten wij hun artikel 36 van de NGB voorhouden en zeggen dat ze weer moeten gaan gehoorzamen aan de wet die in de kerk gepredikt wordt?
De wet die bijvoorbeeld de afgoderij van andere geloven en godsdiensten verbiedt?
Wat moet de christenarts zeggen tegen zijn ondragelijk lijdende patiënt die om euthanasie vraagt? Hem naar een kollega met een ruimer standpunt doorsturen? Hoe denken we dat dat bij die patiënt en zijn omgeving overkomt?
Weer iets heel anders: Premier Rabin is vermoord en het Ned. Dagblad noemde hem een vredestichter. Goed, maar valt hij nu ook onder de zaligsprekingen van de Meester? ('Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.') Hij is geen gelovige. Wel goed dus, maar niet gelovig.
Hoe reageren wij erop dat onder de mensen de tegenstelling gelovig-niet gelovig heeft plaats gemaakt voor die van goed-niet goed? In hoeverre kunnen we daarin meegaan? Of hoe kunnen we daarop inspelen?
Dat zijn geen theoretische vragen.
Juist uitermate praktische. En denk erom, ik zeg niet dat overal nieuwe antwoorden op gevonden moeten worden.
Veeleer gaat het mij erom dat er op al deze vragen geen 'onnadenkende antwoorden gegeven worden, volgens het natte-vinger-werk van linkse of rechtse bevlogenheid.
Maar wel dit: Als we gewoon doorgaan met het onkritisch geven van de oude antwoorden - die geformuleerd zijn in tijden die van onze moeiten niet afwisten! - dan komen er mensen die wij denken te helpen juist door ons in de knel. Wat ik de evangelikalen (die ik overigens een warm hart toedraag) een beetje kwalijk neem is het feit dat ze al evangeliserend over al zulke vragen heenstappen, als bestonden ze niet en als waren ze door probleemsjouwers uitgevonden. Maar het resultaat is dat hun boodschap zo in de lucht hangt, zo nergens op lijkt te slaan.
Mag je op zulke evangelisatiearbeid wel zegen verwachten?
Onzeker makende kritiek van buiten
Maar er is meer. De christenen krijgen vandaag heftige verwijten te horen over diskriminatie van minderheden in het verleden. Dat bijvoorbeeld het Joodse volk zwaar onder de christenen te lijden heeft gehad. Dat we oorlogszuchtig waren, dat er geen bloediger godsdienst dan de christelijke bestaat.
Wij hebben een belast verleden. Dat vereist inkeer, verwerking en toetsing.
We kunnen niet doen of onze neus bloedt. Zoals het ook ongeloofwaardig is te beweren dat er misschien vroeger wel veel op de kerk aan te merken was maar dat dat nu nergens meer op slaat.
Of (wat ik ook wel eens gehoord heb) dat de evangelikalen of ook de vrijgemaakten met het verlaten van de oude kerken ook heel die oude plunje achtergelaten hebben. Voor mij staat dat gelijk met het opgeven van een valse naam aan de politie.
Nee, wie we ook zijn of tot welke kerk we ook behoren, wij hebben als christenen een hatelijk imago, ondanks ons veelvuldig spreken over de liefde.
Moeten we dan samen niet een toontje lager zingen?
De samenleving wordt vijandiger naar de christenen toe, hoor je zeggen. Ik denk dat het waar is. Maar ik denk ook dat de christenen dit ten dele aan zichzelf te danken hebben, omdat ze te weinig nadenken over de dingen die ze zeggen en over de boodschap die ze doorgeven. Dat wat ze te getuigen hebben zo vaak als een tang op een varken slaat.
En dan heb ik nog niet eens het allerbelangrijkste genoemd. Wat realiseren wij zelf van de christelijke vrijheid waar het evangelie zo nadrukkelijk over spreekt?
Wij moeten ons realiseren dat er tot midden in de gemeente toe mensen zijn die zeggen: Het evangelie? Ja, natuurlijk!, maar die of onder dwang leven of als reaktie daarop niets anders vertonen dan een vaak geforceerde vrijheid van die dwang. Er ligt daarom een hele boel huiswerk op ons te wachten. En ik denk dat een serieuze bezinning op al deze inwendige problemen op de duur een grotere winst naar buiten zal opleveren dan een rechtstreeks naar buiten treden met het evangelie, zonder ons van die vragen en moeilijkheden iets aan te trekken.
Reken erop dat de wereld scherp toeziet hoe wij omgaan met de kritiek die zo indringend op ons wordt uitgebracht.
Zou het serieus ermee bezig zijn geen indruk maken, nog afgezien van de nieuwe antwoorden die op de vragen gevonden worden?
Pleit voor een passieve opstelling
Ik zou dus de gemeente in haar spontane gerichtheid naar buiten wat af willen remmen.
Wij hebben vandaag de handen vol aan onszelf. Laten wij toch eens goed I gaan nadenken over de vraag wat wij de wereld eigenlijk te zeggen hebben.
Is het voor de kerk een schande om in .
verband hiermee tegen de wereld te zeggen: Voorlopig wegens verbouwingswerkzaamheden gesloten? Om dan de verkoop aan een klein loket te laten doorgaan. Dat wel.
Voor diegenen namelijk die het ook vandaag bij het evangelie en bij de kerk zoeken. Want die zijn er zeer zeker. Maar toch een in hoofdzaak passieve opstelling en evangelisatie, die zou ik willen bepleiten. Volgens dit woord van de apostel Petrus: "Weest I altijd bereid om rekenschap af te leggen van de hoop die in u is ..." (1 Petr .. 3:15).
Tot rekenschap bereid, tot verantwoording gereed, dat klinkt erg afwachtend en zo bedoel ik het ook. Petrus schreef zijn brief aan een gemeente die omgeven was door tegenstanders ..
Vervolging en laster was haar deel.
De vrouwen die met het evangelie waren meegegaan hadden thuis van hun mannen veel te lijden.
Petrus zegt niet tegen haar dat zij moeten blijven spreken of getuigen, moeten blijven evangeliseren. Dat zou hun ongetwijfeld een pak slaag opleveren.
Hij beveelt hun de wandel zon-: der woorden aan (1 Petr. 3:1 ev).
Kwamen die echtgenotes daarvan onder de indruk dan zou er misschien.
weer gelegenheid ontstaan tot gesprek.
Maar nu eerst maar even niet. Dat is precies in lijn met die bereidheid om rekenschap af te leggen van zoëven.
Dat is even ingehouden en even afwachtend. Het laat aan de ene kant zien dat je zeker niet zonder hoop bent in deze tijd en in deze wereld en van de andere kant geeft het aan dat je een zekere schuchterheid hebt om met die hoop spontaan naar buiten te treden omdat je (en dat geldt dan voor ons in het bijzonder) de veranderde wereld van vandaag in haar eigenlijke behoefte nog zo weinig kent. Van welke kant moet je bij haar binnen komen wil het goede Woord ook het verlossende woord zijn?
Ik zeg dus niet dat onze situatie precies gelijk is aan die van de gemeente waaraan Petrus schreef. Zo'n gelijkheid is er nooit helemaal. Maar je merkt aan Petrus' brief wel dat er toen en daar een situatie was waarin weinig deuren openstonden. Om ten dele andere redenen dan bij ons, maar wij kunnen ervan leren. Voor ons lijkt het meer zo dat wij even op adem moeten komen van deze tijd die zo anders is dan vroeger.
En 'vroeger' (moet u weten) is een machtige faktor voor een christen, want de kerk torst een enorm verleden.
Als daarom bijna alles zo anders is dan voorheen dan móet dat onder christenen haast wel leiden tot nervositeit.
Je kunt dat ook merken. Allerlei onbekooktheden worden gelanceerd en daartegenover kun je ook het tegengeluid vernemen volgens hetwelk alles wel bij het oude kan blijven. Beide soorten woordvoerders gedragen zich als patiënten tegen wie je zou willen zeggen: Is het niet beter eens een poosje rust te nemen?
En dan in die rust hard aan het werk te gaan om met onze inwendige problemen in het reine te komen! Wij zijn het immers onderling als christenen nog zo weinig eens over de dingen die ik noemde. Daar zie ik voorlopig nog geen verandering in komen.
Kijk, als ik in Afrika ben (waar ik een aantal blauwe maandagen geweest ben) voel ik dat daar een andere situatie is.
Daar zijn open deuren. Daar is ook een kerk die nog weinig verleden torst en zich derhalve in een ongeschonden en authentieke vrijmoedigheid tot de wereld kan richten. Daar is ook een wereld die werkelijk benieuwd is naar wat de kerk te zeggen heeft. De situatie haast van het Nieuwe Testament zelf.
In onze streken is dat anders. En als ik dan ook uit Afrika terugkeer naar huis dan zeg ik tegen mezelf in het vliegtuig: Denk erom dat je de thuissituatie niet met de maatstaven van Afrika meet! Je zou daar de frustratie alleen maar mee vergroten. Afrika is een vóórchristelijke samenleving en Europa een nachristelijke. Dat scheelt nogal wat.
De 'binnen'taak voor de ouderling
En dus, broeders ouderlingen, er is voor u werk aan de winkel. Aan u is de zorg voor de gemeente naar binnen toe toevertrouwd. Laat u niet intimideren als zou uw werk maar tweederangs en minder belangrijk zijn. Dat is het niet. .
Door serieus met de mensen, en dan vooral ook de jonge mensen, te praten, over evangelie en kerk maar ook over het dagelijks werk, door een sfeer te scheppen waarin de mensen met hun geloofsmoeilijkheden naar voren durven komen, door te luisteren en nog eens te luisteren en samen met de ander, al is die ook nog zo jong en onervaren, te zoeken naar nieuwe wegen en ingangen, door elk air af te leggen dat de kerk niet mag twijfelen en op alles direkt maar een antwoord moet weten te geven, door gewoon toe te geven dat je de vragen begrijpt en er óók de antwoorden nog niet op weet, door vooral met de mensen te bidden en te vragen of de Here ons toch in alles inzicht mag geven,door al deze dingen te doen kunt u de gemeenteleden machtig van dienst zijn en kunt u er voor uw deel aan meewerken dat de gemeente een stad op de berg en een licht op de kandelaar is en een echte betekenis heeft naar buiten toe.
Nog maar al te vaak zijn zending en evangelisatie afleidingsmanoeuvres die ons in staat stellen een alibi te verschaffen voor het zo nodige gesprek over wat ons geloof in deze nieuwe tijd mag en moet zijn.
Maar daar zijn zending en evangelisatie niet voor. Het gaat er in de eerste plaats niet om dat anderen kerk worden maar dat wijzelf kerk zijn in deze tijd. En als we daar serieus mee bezig zijn, al is dat ook met weinig overgeblevenen, dan zal de Here ons wel laten zien dat wij een boodschap hebben voor de wereld. Maar vandaag zonder nadenken zeggen en zingen: Wij hebben een woord voor de wereld - ik zie het niet zo zitten.
Welke boodschap aan welke wereld?, denk ik dan. Ik geloof met heel mijn hart dat God ons met zijn woord ook voor deze tijd toerust.
Maar er zal biddend gewerkt moet worden, zowel om dat woord als om deze tijd - en wel deze twee in hun onderlinge betrekking - te verstaan.