Pastorale notities
1996-03-08
Jahwe - Ik bèn er al!- Jaargang 40
- nummer 5
Ze was zo'n blijmoedige vrouw.
't Blijste gemeentelid.
Met het woord van Jezus om je vijanden lief te hebben, had zij geen enkele moeite.
"Ik zou niet weten aan wie ik nu een hekel heb!"
Dat was ook zo.
Ze was een zon in huis en in de kerk.
Toen kwam de depressie.
't Leek alsof de zon niet meer zo helder scheen.
Donkere wolken trokken over haar hart.
Haar lach was gestorven.
De pretlichtjes in haar ogen gedoofd.
Maar het ergste was wel, dat ze God kwijt was.
Het evangelie was voor haar graniet, waarop ze stuk liep.
De beloften van God gestolde massa.
En God?
God was zo ver weg.
En mocht Hij al eens in haar buurt komen, dan was Hij een verwerpende God.
Hij was een vreemde voor haar.
En zij was een vreemde voor Hem.
Tegenover elk nodigend woord uit de bijbel stelde zij het tegendeel: 'AI waren uw zonden zo rood als karmozijn', 'Jawel, maar God is een verterend vuur'.
'Werp al uw bekommernis op Hem', 'Jawel, maar ieder zal zijn eigen last dragen'.
Tenslotte hoorde ze de fijnste woorden alleen nog maar aan.
Apathisch: Ze gleden langs de basaltblokken van haar hart.
,,0 God", bad de predikant, "ik kan haar niet bereiken. Ik kan in deze diepten niet doordringen. Wilt U zelf dat doen!
Hoor naar haar woordloos roepen.
Breek af de muren van haar hart.
En spreek slechts uw woord en zij zal genezen zijn!"
Toen heeft God de deur van haar hart geopend.
Zij hoorde zijn stem.
De laatste wolkenslierten trokken weg.
De zon brak door.
W.J. van der Linde, Barneveld