De Moederbelofte
1996-08-23
In mijn artikel over kennis van goed en kwaad heb ik beloofd in een volgend artikel nog iets te zeggen over het Godswoord dat bekend staat als de Moederbelofte.- Jaargang 40
- nummer 17
Eigenlijk vreemd, dat Genesis 3:15 zo genoemd wordt, want goed beschouwd is het geen belofte, maar een soort vloek of strafaankondiging. De aangesproken 'persoon' is dan ook niet een mens, maar de slang, die de vrouw tot het eten van de verboden vrucht verleid heeft. Vreemd is ook, dat men de benaming 'moederbelofte' doorgaans beperkt tot vers 15, terwijl de strafrede aan het adres van de slang al in vers 14 begint. Maar meestal ziet men dan ook vers 14, waar het gaat over op de buik gaan en stof eten, als enkel gericht tot het dier dat slang heet, en gaat men ervanuit, dat pas in vers 15 degene wordt aangesproken die in Openbaring 12 de oude slang wordt genoemd: de satan. Dit lijkt mij echter niet juist. De beide verzen vormen m.i. samen één strafaankondiging, die in eerste instantie gericht is tot het dier slang, maar waarin tegelijk ook degene die (of: datgene wat) achter de slang zat, het oordeel krijgt aangezegd.
De vloek: verachting en haat
Dat in vers 14 het dier dat slang heet, wordt aangesproken, is duidelijk. Het begint immers met: "Vervloekt zijt gij onder al het vee en onder al het gedierte des velds". Ook wat er volgt, "op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft", lijkt niet de minste aanleiding te geven om het anders uit te leggen dan als een beschrijving van de straf die het dier slang voor haar rol bij de zondeval heeft gekregen. Zo gaan slangen immers vandaag de dag door het leven: kruipend op hun buik. Kennelijk doen ze dat sinds de zondeval. Maar dat stof eten dan? Je hoeft geen dierkundige te zijn om te weten dat slangen geen stof eten, maar allerlei dierlijke prooien. Wel doen ze iets wat op stof eten lijkt: met hun gespleten tong likken ze van de grond stofdeeltjes op, die ze naar een gevoelig reukorgaan in hun verhemelte brengen; zo kunnen ze met grote nauw keurigheid sporen volgen. Maar dat is heel wat anders dan stof eten. Kennelijk moeten we vers 14 niet al te letterlijk opvatten. Maar waar gaat het dan om bij 'op de buik gaan en stof eten'? Wel, in Genesis 2 en 3 lezen we, dat mensen zowel als dieren van stof gemaakt zijn en bij hun sterven wederkeren tot stof, wederkeren tot de aardbodem, waaruit zij genomen zijn.
'Neerliggen in het stof' betekent daarom in de taal van de bijbel zoveel als: dood zijn. Iemand kan echter ook al tijdens zijn leven in het stof liggen, of ook in het stof kruipen en stof likken. Zo wordt in Micha 7:17 van de vijanden van Israël gezegd: "Zij zullen stof lekken als een slang". Wie daartoe gedwongen wordt, ondergaat de diepst mogelijke vernedering: die is, terwijl hij nog leeft, aan een dode gelijk. Dit nu is wat de slang wordt aangezegd. Vandaar ook de toevoeging: "zolang gij leeft". Heel het leven van de slang zal zich voortaan afspelen in de sfeer van de dood. Zij zal niet eens meer hoeven sterven om tot de aardbodem weer te keren, want daar is ze al: kruipend op haar buik en stof etend. AI tijdens haar leven zal ze de schande van de dood dragen.
De vloek die de HERE God over de slang uitspreekt, behelst dus in de eerste plaats diepe verachting. Het dier dat geschapen is als het listigste van alle dieren des velds, zal voortaan het meest verachte van alle dieren zijn. Met name de mensen worden geacht haar voortaan te verachten, want zij hebben bij hun schepping de taak gekregen ieder schepsel bij zijn naam te noemen. Bij hen zal de slang de naam moeten hebben van een laag-bij-de-gronds dier.
Maar de mensen worden niet alleen geacht de slang voortaan te verachten, zij worden ook geacht haar te haten. Dat is wat we lezen in vers 15, waar de HERE God tegen de slang zegt: "Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouwen tussen uw zaad en haar zaad". Bij "uw zaad", d.i.: het nageslacht van de slang, moet hier in eerste instantie gedacht worden aan de slangen als diergroep, terwijl met "haar zaad", d.i.: het nageslacht van de vrouw, in eerste instantie de mensheid wordt bedoeld. Inderdaad hebben mensen een bijna instinctieve afkeer van slangen. Weliswaar zijn er ook slangenliefhebbers, maar dat zijn uitzonderingen, zoals wel blijkt, wanneer zo iemand per ongeluk één van zijn 'lievelingen' laat ontsnappen!
Als een mens, die slangen haat, een slang op zijn pad vindt, zal hij zich vooral richten op de kop van het dier, om die te vermorzelen, terwijl de slang van haar kant zich vooral zal richten op de hiel van de mens, om daarin te bijten. Dat is dan ook wat de HERE God tegen de slang zegt: "Dit (nageslacht van de vrouw) zal u de kop vermorzelen en gij (slang) zult het (nageslacht van de vrouw) de hiel vermorzelen." Zo kunnen de verzen 14 en 15 van Genesis 3 beide worden uitgelegd als betrekking hebbend op het dier slang. Dat dier is sinds de zondeval een vervloekt dier, door de mensen veracht en gehaat. Maar is hiermee de betekenis van deze woorden van God uitgeput? Wil de HERE, dat wij mensen onze verachting en haat zullen richten op een bepaalde diergroep, de slangen, of heeft Hij eigenlijk iets anders op het oog?
De listigheid vervloekt
In vers 1 van Genesis 3 is de slang bij ons geïntroduceerd als een dier, maar dan wel als "het listigste van alle dieren des velds". En Paulus zegt in 2 Cor. 11 :3, dat met haar listigheid (of sluwheid) de slang Eva verleid heeft.
Het ligt dus voor de hand te veronderstellen, dat de HERE de verachting en haat van de mensen met name heeft willen richten op die listigheid van de slang. In mijn vorige artikel het ik uiteengezet, dat met listigheid in Genesis 3 hetzelfde wordt bedoeld als met kennis van goed en kwaad: het vermogen om zich in een gevaarvolle omgeving te handhaven door op te zoeken wat het leven bevordert (goed) en te vermijden wat het leven in gevaar brengt (kwaad). Dat vermogen hebben alle dieren in meerdere of mindere mate van de Schepper meegekregen.
Voor een dier is dat vermogen ook het enige middel waarover het beschikt om te overleven. De slang evenwel is volgens Genesis 3:1 het rijkst met deze listigheid bedeeld: zij is de absolute meesteres in het overleven.
Wat er in feite gebeurde, toen de slang Eva verleidde tot het eten van de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad, was, dat het dier de vrouw ertoe overhaalde om ook listigheid te baat te nemen om door middel daarvan haar leven veilig te stellen. Maar dat had God de mensen verboden, omdat Hij wilde dat zij zich geheel en al aan Hem zouden toevertrouwen, het leven alleen verwachtend van Hem. Als ze dat zouden doen, als ze ervan zouden afzien zelf te proberen hun leven veilig te stellen door middel van listigheid, dan zouden ze mogen eten van de boom des levens en daardoor eeuwig leven ontvangen. Zo zouden zij er dan door ondervinding achterkomen, dat een mens ook helemaal geen listigheid nódig heeft om in leven te blijven, zolang hij maar blijft wandelen aan Gods hand. De eerste mensen, en wel om te beginnen de vrouw, hebben desondanks gekozen voor de kennis van goed en kwaad, de listigheid als 'levensmiddel', en daarmee tegen God.
Maar de HERE God heeft het er niet bij laten zitten. Hij heeft de mens en zijn vrouw tot zich geroepen om ten aanhoren van hen de slang, en daarmee de slangenmentaliteit, de listigheid, te vervloeken.
Want dat is wat de HERE God op het oog heeft, als Hij in Gen. 3 de slang vervloekt. Als Hij in vers 14 tegen de slang zegt: "Op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten", spreekt Hij daarmee als zijn wil uit, dat de mensen de mentaliteit van de slang, die van zelfbehoud en zelfhandhaving door middel van listigheid, zullen verachten als iets laag-bij-de-gronds, als iets beneden-
menselijks, als iets wat in de sfeer van de dood thuishoort. En als Hij zegt: "Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouwen tussen uw zaad en haar zaad", spreekt Hij daarmee als zijn wil uit, dat de mensen die mentaliteit zullen haten en ertegen zullen strijden, zo vaak die in hen wakker wordt.
De stem van het geweten
Wat hier gebeurt, is in feite de instelling van het geweten. Als je als mens, uit een vrouw geboren, iets gedaan hebt waarbij je je hebt laten leiden door de mentaliteit van de slang, als je geprobeerd hebt door listigheid, ten koste van anderen, je leven, je eer of je genoegen veilig te stellen, dan hoor je, als je tenminste geen onmens bent, diep in je hart een stem die zegt: "Slangenzaad!" Dan val je jezelf tegen, dan heb je een hekel aan jezelf en dan neem je je voor, voortaan tegen die slang in je te strijden als tegen een vijand. Of ... je probeert die stem in je, de stem van je geweten, het zwijgen op te leggen. Maar dat betekent dan, dat je ontmenselijkt, dat je verwordt van vrouwenzaad tot slangenzaad. Maar is het niet vreselijk moeilijk om tegen die slangenmentaliteit in je te strijden? In een bestaan dat van alle kanten bedreigd wordt, zowel door grillige natuurkrachten als door kwaadwillende mensen, in een samenleving waar alles en iedereen gericht is op zelfhandhaving, kun je toch niet zonder listigheid? Stel dat je in een acute hongersituatie terechtkomt, dan wend je toch zeker al je slimheid aan om aan eten te komen, desnoods ten koste van anderen? Listigheid mag dan laag-bij-de-gronds zijn, maar bijt je zonder listigheid in deze wereld niet voortdurend in het stof? Inderdaad, je kunt als mens in deze wereld niet zonder listigheid, als je er tenminste opuit bent je leven te behouden. Er is echter één mens geweest die heel zijn leven lang steeds geweigerd heeft aan de slangenmentaliteit toe te geven. En die Mens is er de oorzaak van, dat wij Gen. 3:15 de moederbelofte noemen in plaats van de moedervloek of de moederopdracht. Want zijn komst, die voor de mensheid tot heil zou zijn, horen wij in dit schriftwoord voor het eerst aangekondigd. De HERE God zegt in Gen. 3:15, dat iemand uit het nageslacht van de vrouw, een mens dus, de slang de kop vermorzelen, dat is: voorgoed overwinnen, zal. Maar die Mens zal daarin niet slagen zonder dat de slang Hem de hiel zal vermorzelen. Als je hiel vermorzeld is, lig je machteloos in het stof. Als men in de Oudheid oorlogspaarden wilde uitschakelen, sneed men ze de hielpezen door; dan waren ze machteloos, onbruikbaar in de strijd. Zo, zegt de HERE, zul jij, slang, erin slagen de Mens die jou de kop vermorzelen zal, te doen neerliggen in het stof.
De vervulling: Jezus Christus
Die Mens, dat Vrouwenzaad, dat is Jezus Christus. Hij is geboren uit een vrouw (Gal. 4:4), geboren in datzelfde kwetsbare bestaan dat ons steeds weer doet grijpen naar listigheid om het veilig te stellen. Hij heeft honger geleden in de woestijn en toen was ook de slang er - dat wil zeggen: degene die van de slang gebruik heeft gemaakt om de eerste mensen te verleiden tot de slangenmentaliteit om hen zo te scheiden van God: de satan. Die zei tot Hem: Wees schrander, maak gebruik van de mogelijkheden die je als Zoon van God hebt om de hongerdood te ontlopen! Maar Jezus heeft dat toen van de hand gewezen: Hij wilde het leven niet grijpen maar het ontvangen uit Gods hand. En God heeft het Hem toen gegeven: door middel van engelen die Hem dienden. Maar Hij heeft Hem ook duidelijk gemaakt, dat Hij later wel tot stervens toe zou moeten lijden.
En toen Jezus dat aan zijn discipelen vertelde, toen was weer de satan er, nu gebruik makend van een schrandere discipel, die zei: "Dat zal U geenszins overkomen!" Maar toen antwoordde Jezus weer: "Ga weg, satan!"
Hij bleef zich gehoorzaam toevertrouwen aan God, ook toen de weg die God Hem wees, naar het kruis leidde.
Zelfs toen Hij al aan het kruis hing, had Hij nog de mogelijkheid om de dood te ontlopen. Sluwe mensen wezen Hem erop: "Red Uzelf, indien Gij Gods Zoon zijt, en kom af van het kruis!" Maar Hij deed het niet, met als gevolg, dat Hij enkele uren later machteloos in het stof lag. Toen leek het alsof de slang gewonnen had: haar Tegenstander was de hiel vermorzeld. Maar in werkelijkheid lag zij zelf met vermorzelde kop ter aarde: het Vrouwenzaad, Jezus Christus, had haar voorgoed overwonnen door zich tot het einde toe van haar mentaliteit verre te houden.
En toen liet God zien, dat Hij de mens die nee zegt tegen de listigheid van de slang, inderdaad eeuwig leven geeft: Hij wekte Jezus op uit de dood. En dat zal Hij ook met ons doen, als wij, vertrouwend op Christus' overwinning en in de kracht van zijn Geest, de strijd aanbinden met de slangenmentaliteit in onszelf. Want dan is de belofte van Romeinen 16:20 ons deel, die een rechtstreekse dochter is van de Moederbelofte: "De God des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden."