Niet door geweld, maar door Geest (11)
1996-08-23
Het bergland van Judea was van oudsher de schuilplaats geweest voor ieder die met de samenleving in conflict was gekomen. Het terrein was buitengewoon geschikt om mensen te verbergen: er waren veel dalen en kloven, holen en grotten, die de bewoners van jongsaf kenden maar die een vreemdeling nooit kon vinden. Hier hadden sinds mensenheugenis de zwervers een onderkomen gevonden, hier hadden David en zijn makkers zich schuilgehouden voor Saul, hier hadden de profeten rondgezworven, hier hadden sommige Joden zelfs weten te ontkomen aan de babylonische ballingschap.- Jaargang 40
- nummer 17
Matathias deed dus niets nieuws toen hij naar de bergen vluchtte. Hij handelde in overeenstemming met een oude traditie. Het was een bont gezelschap van mannen, vrouwen en kinderen dat zich rond de oude priester verzamelde. Onder hen bevonden zich ook aanhangers van de zogenaamde partij van der 'vromen'. Dit waren mannen die vastbesloten waren om het leven naar de wet van God tegen heidense invloeden te verdedigen. Alleen wilden zij hierbij geen geweld gebruiken, evenmin als Jesua dit wilde. Bij een vroegere razzia van de Syriërs was het al eens gebeurd dat deze 'vromen' weigerden zich te verdedigen omdat het toevallig sabbat was en omdat men volgens de wet van Mozes op de sabbat geen werk mag doen. Als gevolg van deze houding hadden de Syriërs toen velen van de 'vromen' gedood.
Nu echter sloten zij zich bij Matathias aan, en een van de eerste dingen die afgesproken werden was, dat men zich ook op sabbat tegen een eventuele aanval van de vijand zou verdedigen. Mattanja ontmoette veel bekenden uit Modeïn. Ook jongens van zijn eigen leeftijd waren erbij. Hij vertelde hoe de Syriërs hadden huisgehouden in Jeruzalem en hoe hij zelf als door een wonder aan de dood was ontsnapt. De wildste geruchten deden de ronde over de misdrijven die de Syriërs overal in het joodse land hadden bedreven.
Het meest ontroerde Mattanja door het verhaal dat werd verteld over een weduwe. De vrouw had zeven zoons en die gingen allemaal ten onder door de Jodenhaat en de moordzucht van Antiochus.
De zoons werden op een verschrikkelijke manier gefolterd. Hun moeder kon het bijna niet aanzien, maar de beul dwong haar ernaar te blijven kijken. Voor geen van haar kinderen behoefde de moeder zich echter te schamen. Alle zeven getuigden van hun onwankelbaar geloof aan de macht van Jahweh en de opstanding uit de doden.
Vooral dit laatste trof Mattanja. Zijn vader had hem wel eens verteld over de opstanding op de grote dag van Jahweh. Job had daarop gezinspeeld, zelfs toen hij alles en iedereen was kwijtgeraakt. 'Uit dit mijn vlees zal ik God aanschouwen', getuigde Job. Ook in de psalmen en bij de profeten was er sprake van de opstanding. Jesaja zei: 'uw doden zullen herleven, ook mijn lijk'. En Daniël profeteerde over het ontwaken van de doden aan het eind van de tijd. Jesua had erbij gezegd: 'God wil onze dood niet, jongen, God wil ons leven'. Jesua had hier bij zijn opvoeding zoveel nadruk op gelegd, omdat de moderne griekse opvatting hier vierkant tegenin ging. Volgens de Grieken moet de ziel van een mens verlost worden uit het lichaam. Dit gebeurt dan ook als de mens sterft. De dood is een bevrijding van de ziel. Maar Jahweh leert aan zijn volk dat Hij de Schepper is van hemel en aarde - ook van de aarde, ook van het lichaam. Onze ziel moet niet verlost worden van het lichaam, maar wij mensen moeten verlost worden van de zonde. Juist daarom geloofden de Joden aan de opstanding uit de doden. Dit alles had Mattanja van zijn vader geleerd. Maar nu ontdekte hij dat dit geloof echt een werkelijkheid was. Een geloof dat kracht gaf om te lijden, om te sterven desnoods. Een geloof dat over de dood uitkeek naar de grote dag van Jahweh.