Over 'de weg' (1)
1996-09-06
De christelijke kerk was nog maar nauwelijks buiten de oevers van Palestina getreden of de eerste namen ter typering van de volgelingen van Jezus deden al de ronde. Aan de meest gangbare zijn we zo gewend geraakt, dat we er het bijzondere bijna niet meer van terughoren. Ik bedoel de benaming ‘christen’ , die volgens Handelingen 11:26 voor het eerst in Antiochië gebezigd werd, aanvankelijk waarschijnlijk zelfs buiten de gemeente. Maar even eerder worden de volgelingen van Jezus aangeduid als ‘zij die van de weg zijn’ (Hand. 9:2). Opvallende namen, die hierin overeenkomen, dat ze beide treffend het eigene van de nieuwe godsdienst aangeven.- Jaargang 40
- nummer 18
In dit kersverse geloof ging het blijkbaar om een nieuwe weg naar God. Een weg, waarbij de centrale gestalte van het christelijk geloof niet ongenoemd kon blijven: Jezus Christus, de Heer. Je kunt zelfs zeggen dat beide typeringen ('christen' en 'die van de weg') wonderwel passen op het woord van de Meester zelf - naar het getuigenis van Johannes - die immers zei: Ik ben de weg (Joh 14:6).
De verkondiging
Het is natuurlijk niet zomaar dat ook buitenstaanders iets van dat specifieke van het christelijk geloof hebben opgevangen. Uit zo'n gegeven valt indirect op te maken, dat dat bijzondere van het christelijk geloof vanaf het begin zonder aarzeling is verkondigd, een indruk die bevestigd wordt door een boek als Handelingen. Maar ook in de overige geschriften van het Nieuwe Testament, die toch een neerslag zijn van de directe verkondiging, wordt van de persoon en de betekenis van Jezus Christus eensgeestes getuigd met grote klem. Zo lees je in Hebreeën 10 over 'de nieuwe en levende weg, die Jezus ons heeft ingewijd - door zijn vlees' en het hele boek is daar verder vol van. Petrus getuigt dat hij een ander mens is geworden - 'door de opstanding van Jezus Christus wedergeboren tot een levende hoop' (1 Pe 1:3). Of neem Paulus, die zegt dat hij niets anders heeft willen verkondigen dan' 'Christus en die gekruisigd' (1 Cor 2:2). Dezelfde apostel zet in een andere brief de zaak nog confronterender voor ons neer door te zeggen: "Als er gerechtigheid door de wet is, dan is Christus tevergeefs gestorven" (Gal 2:21). Kortom, welke brief je ook opslaat, steeds weer hoor je de apostelen vurig en eensgezind getuigen van het feit, dat de weg naar God zo radicaal anders is komen te liggen door Jezus Christus de Heer.
Algemeen religieus?
Hoe is dat bij mij en bij ons, denk je dan. Het isme wel eens opgevallen in gesprekken dat het soms zo linea recta ging over het geloof in God en de band met Hem. Alsof de verhouding tussen God en mens iets on gecompliceerds heeft gekregen en dat Hij zo vanzelfsprekend binnen ons bereik is. Als er al problemen zijn tussen God en mens, dan liggen die op het niveau van de twijfels aan onze kant, want gemakkelijk om in God te geloven is het niet. Maar als die horde genomen is, dan heb je de grootste moeite wel achter de rug. Je krijgt in zulke gesprekken het gevoel, dat de afstand tussen God en mens overbrugbaar is. Anders dan zoals Prediker het ergens (5:1) zegt: "Spreek met schroom een woord uit voor Gods aangezicht, want God is in de hemel en u bent op de aarde." Alleen in zo'n zin al lijkt het leven voor Gods aangezicht (of sterker een band met God) helemaal niet zo'n ongecompliceerde zaak. En dat terwijl Prediker hier de afstand tussen God en mens nog niet eens benoemt in termen van gebrokenheid en schuld. Wat doe ik met zo'n overweging van Prediker in mijn geloof, denk ik dan. Hoor ik er bij anderen om me heen iets van terug? Of ook: hoe wezenlijk voor de band met God is de persoon en het werk van Christus, naar wie we toch genoemd zijn? Het zal toch niet gebeuren dat, wanneer het over God gaat, Jezus ter sprake komt met een '0 ja' of 'ja ... natuurlijk', 'ja ... dàt ook'. Het zou kunnen wijzen op verschuiving, die de christelijke kerk doormaakt in de richting van het algemeen religieuze - dat te delen is met jodendom en Islam. Waarbij het steeds vaker gaat over God buiten Christus om. En waarbij Jezus nog wel een plek houdt als een lichtend voorbeeld, maar meer toch niet.
Interviews
Opvallend in dit verband vond ik twee interviews uit een serie van vier, die op een aantal zomerse maandagen te vinden waren op de kerkpagina van het dagblad 'Trouw'. Die vraaggesprekjes waren met name bedoeld om de lezer enig inzicht te geven in de motivatie van 'zomaar' vier theologische studenten m.b.t. de studie en het daar achter liggende werk van predikant.
Niet alleen op dat punt van de motivatie, maar ook op het inhoudelijke vlak spraken de studenten zich in alle openheid uit. Enkele gedachten uit de tweede en derde aflevering - van 29 juli met Deborah Heij en 5 augustus met Ineke Zuurmond - neem ik mee in deze Opbouw.
Godsgeloof
Mij trof in het interview met Deborah Heij, studente te Kampen (syn.ger.), dat ze daarin zo doorleefd sprak over haar geloof in God. Dat was vooral te vinden in het slot van het vraaggesprek, waar ze zegt: "Het allerbelangrijkste aan het geloof is dat ik me geborgen weet. Dat ik God heb om op terug te vallen als de dingen anders gaan dan ik had gehoopt, dat God me kent en dat ik me gekend mag weten." Wat wil je nog meer, denk je bij zo'n persoonlijke verwoording van het geloof à la psalm 139? Als haar even verder de vraag wordt gesteld: "Is Jezus gekruisigd voor onze zonden?"
antwoordt ze: "Dit vind ik een heel belangrijke geloofsvoorstelling: het stelt me gerust als ik besef dat ik weer eens iets fout heb gedaan, een zonde heb begaan."
Jezus Zoon van God?
Toch ging het goede uit het voorgaande hand in hand met een ver gaande scepsis als het gaat om de persoon en het werk van Christus. Wat de geboorte van Jezus betreft is Deborah door de studie theologie tot de opvatting gekomen "dat ze (dat verhaal) erbij gezet hebben om het Oude Testament in vervulling te laten gaan, niet omdat het werkelijk zo is gebeurd". Ze voegt er aan toe: "Tot dramatische veranderingen van mijn geloof heeft dit soort kennis nog niet geleid. Het blijven mooie verhalen en het doet niets af aan de boodschap." De interviewer vervolgt: "Was Jezus werkelijk de zoon van God, of is ook dat maar (!fg) een verhaal?" Heij: "Dat verhaal geeft me kracht. Het maakt voor mij verder niet uit of hij echt de zoon van God was of niet. Voor mij blijft hij heel bijzonder. Voor mij, hè. Ik spreek alleen voor mijzelf." Uit één mond hoor je dus een hartelijk geloof in Gods nabijheid èn tegelijk een uitgesproken scepsis m.b.t. één van de kernpunten van het christelijk geloof, n.1. het Zoonschap van Jezus. Zie je hier iets van die verschuiving van het christelijke naar het algemeen religieuze? Die kant moet het toch haast wel uitgaan als je in het midden laat of Jezus ook werkelijk de Zoon van God is.
Anti-exclusief
Een week later kwam een mede-studente aan het woord, Irene Zuurmond. Zij heeft zich beslist afgekeerd van het specifiek christelijke van het geloof en wil zich nog wel gelovig, maar geen christen meer noemen. Ergens hoor je haar zelfs grofweg zeggen: "Ik heb grote moeite met de Christus-figuur. Ik weet geen raad met de beste man", een opmerking die aanleiding was tot enige discussie op de Podiumpagina van Trouw onder het kopje 'blasfemie'.
Zelf denkt ze aan godslastering als mensen er toe over gaan om "een geïnspireerd mens als de enige zoon van God te vereren". Karl Barth, aan wie op de Universiteit van Amsterdam niet te ontkomen is, noemt ze als een typisch voorbeeld van iemand "die doet alsof alleen Christus ons kan redden - een intolerant geloof". De Amsterdamse studente is in haar afwijzing veel radicaler dan de Kampense en ze verwoordt het fel. Je merkt, dat ze zich echt heeft gestoten aan de pretentie van Jezus en zich ergert aan het hart van het evangelie. Daarmee zegt ze steenkoud 'nee' tegen de christelijke boodschap, waar je graag een warm 'ja' zou horen. Maar daartussen zit de lauwe respons, die er in het Nieuwe Testament nog slechter van afkomt. Eenvoudigweg omdat 'Jezus is Heer' vraagt om 'ja' èf 'nee'. Irene zegt 'nee' en plaatst zich daarmee buiten de christelijke kerk, zoals ze in feite ook zelf beaamt. Haar geloof is vervaagd tot een religiositeit, die voor haar persoonlijk nog maar weinig betekent - 'Ik kan er geen kracht uit putten', zo eindigt het interview.
Herkenning
Zo onverdund als bij de Amsterdamse studente kom ik de afwijzing van het specifiek christelijke onder ons niet tegen. Maar toch... als Petrus van Jezus Christus getuigt met de woorden: "En de redding is door niemand anders, want er is onder de hemel ook geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij gered moeten worden" (Hand 4:12). Krijg je dan niet het ongemakkelijke gevoel dat je anno 1996 met zo'n uitspraak te kort door de bocht gaat? Woorden als exclusivisme en intolerantie liggen als bijteride honden om de hoek. Voeg daarbij de schijnbaar onontkoombare gedachte van een eeuwige ondergang van honderden miljoenen en de moed zinkt je in de schoenen om deze pittige belijdenis van de apostel echt van harte bij te vallen. Ik bedoel niet, dat we ons als Nederlands gereformeerden onorthodox zouden opstellen, wanneer ons zo'n interview zou worden afgenomen. Nee, ik heb het over ons geloof in de dagelijkse praktijk tot in de gemeente toe. Hoe expliciet komt dat specifiek christelijke van ons geloof er bij ons uit - in vergelijking met de apostolische getuigen. Of staat de benadering van Deborah Heij misschien toch niet zo ver van de onze af?
Winst
De winst van genoemde interviews vind ik, dat je in een paar regels in het centrum van het christelijk geloof wordt gebracht, want in beide gesprekken werd doorgevraagd tot in het hart van het christelijk geloof. De antwoorden en overwegingen van de studentes waren eerlijk en dat is te waarderen. Als gesprekken in je gezin of in de gemeente net zo open zijnen dat zijn ze soms - dan kun je zomaar op een vergelijkbare benadering stuiten. Of misschien hoor je wel de aarzelingen en de schroom van je eigen hart. Dan kan het ook ineens met een schok tot je doordringen hoe indringend de apostelen spreken over de unieke weg van Jezus Christus. De meeste Nederlands gereformeerden hebben hun wortels in een orthodox gereformeerd en vaak vrijgemaakt gereformeerd verleden. Daar ging het weliswaar in alle heftigheid over van alles en nog wat, maar waar toen het stevigst over gestreden is, raakte zeker niet het hart van ons geloof. Als dat centrale wel ter sprake kwam, dan kon dat in het veilige jargon van een onaangevochten belijdenis of in de gangbare loopjes van de theologie. In die zin wordt er wel een beetje aan ons geschud, als die centrale vragen buiten en binnen de gemeente gesteld worden. En vooral als je tegen antwoorden aanloopt, die zo haaks staan op het gereformeerde, dat je daar onmogelijk een catechismus-antwoord tegen aan kunt zetten. Dat is in zulke gevallen ook veel te veel het antwoord op de som, die door anderen gemaakt is. We zullen zelf weer aan de sommen moeten gaan werken, om zo van binnenuit tot antwoorden te komen, die we zelf doordacht en doorleefd hebben.
Luisteren
Werken aan de sommen, zei ik. Maar ik zeg er achteraan, dat dat toch begint met indringend luisteren. Luisteren naar diegenen, die met zoveel vuur getuigen van de weg van Jezus Christus. In de beide geciteerde interviews en in veel theologie met deze benadering, krijg je de indruk dat vanaf het jaar 40 de nodige verhalenbundels op de markt zijn gebracht. In die kijk op het Nieuwe Testament wordt me te weinig gerekend met de wijze, waarop profeten en apostelen met hun 'verhalen' bij ons aankomen. Want ze presenteren zich namelijk als getuigen en hun 'verhalen' zijn getuigenissen aangaande hun Heer, de Opgestane, over wie ze niet uitgesproken raken. De eerste stap zou wel eens kunnen zijn dat we - juist in dat centrale van ons geloof - weer opnieuw onder de indruk moet komen van dat getuigenis van de apostelen en profeten. Om van daaruit ook tot antwoorden te komen, die onszelf in de greep hebben gekregen en zo mogelijk ook anderen raken.