Daar word je weer mens bij!
1996-09-06
Het schilderij Head IV van Francis Bacon maakt de kijker tegen wil en dank getuige van een bizar drama. Een man zit gevangen in een kooi-achtige kubus (van eigen makelij?). Binnen deze kubus is het gelaat van de man echter op gaan lossen. Een groot deel is al uitgewist. De nu nog angstig schreeuwende mond zal weldra volgen. Uiteindelijk zal de man al zijn menselijke trekken zijn kwijtgeraakt, opgelost in de omgeving.- Jaargang 40
- nummer 18
Dit schilderij is voor Opbouw-lezers wellicht bekend als omslag van H.R. Rookmakers Modern Art and the Death of a Culture. Het kan ook sprekend de inzet verhelderen van Henk G. Geertsema's onlangs verschenen Om de humaniteit. Christelijk geloof in gesprek met de moderne cultuur over wetenschap en filosofie, een bundel met vier opstellen. Het boek is een goede aanleiding om iets langer stil te staan bij de wijze waarop Geertsema de laatste jaren de refomatorische wijsbegeerte (die hij in Amsterdam, Utrecht en Groningen als hoogleraar doceert) opnieuw doordenkt en formulerrt.
Op de bres voor de menselijkheid
Heel verrassend in Geertsema’s herformulering is dat de spits van de reformatorische wijsbegeerte precies blijkt te liggen in een fijnzinnige poging om in Bacons schilderij opnieuw de gelaatstrekken van de mens in te tekenen. Een herstel van het menszijn is wat hier wordt beoogd en daar direct mee verbonden een doorbreken van allerlei kooi-achtige kubussen, die dat menszijn bedreigen. Terzijde noteer ik, dat op deze manier direct afgerekend wordt met nog altijd rondzwervende vertekeningen van de reformatorische wijsbegeerte als een star, massief, en saai studeerkamer-systeem: reformatorisch filosoferen betekent actief opkomen voor de humaniteit! Je wordt er weer mens bij, mens 'coram Deo', voor Gods aangezicht. De inzet van het 'starre systeem' blijkt bij Geertsema zo plots een bijna pastoraal gekleurde zorg te zijn voor de schreeuwende figuur uit Bacons schilderij.
De kubus van het rationele 'zien'
Wat is de kubus-kooi, waarin de moderne cultuur en wij die die cultuur vormen onszelf gevangen zetten? Voor Geertsema is dat vooral de overspannen verwachtingen van de rationaliteit uitmondend in de allesoverheersende positie, die wetenschap in onze cultuur inneemt. Het derde hoofdstuk is geheel aan dit centrale probleem gewijd. De rationaliteit is een kooi, waaraan in de westerse cultuur al zo'n ruige 2500 jaar ijverig gebouwd is. AI sinds Plato, zegt Geertsema met een brede uithaal. Maar sinds Descartes is de vaart er echt ingekomen. Ze wordt hoe langer hoe meer het middel bij uitstek om te ontsnappen aan de menselijke beperktheid. De hele werkelijkheid kan, zo hoopt men, in de greep gekregen worden. Geertsema's stelling is nu dat in deze rationaliteits-kooi de mens in feite zijn menselijkheid verspeelt. Immers, wie alleen maar 'rationaliteit' zegt, komt niet meer toe aan heel veel andere dimensies, die de werkelijkheid rijk is. Denk aan ethische of esthetische dimensies, denk ook aan de intieme aanwezigheid van God in de schepping. Het menszijn wordt met deze concentratie op rationaliteit danig geamputeerd. Verstarring (de 'kubus-kooi’) en verschraling (het verdwijnen van de menselijke gelaatstrekken) zijn het gevolg. Het ideaal van hedendaags natuurwetenschappelijk onderzoek is dan ook om de persoon van de onderzoeker volstrekt inwisselbaar te laten zijn. Kennis dient los te staan van concrete mensen, los van hun eigen overtuigingen en verlangens, los van historische omstandigheden, los van menselijke verantwoordelijkheid. Daarmee maken mensen zichzelf tegelijk te groot en te klein. Te groot: men denkt de hele werkelijkheid in de houdgreep te krijgen. Te klein: mensen kunnen zich verschuilen achter objectieve' feiten en zich zo aan hun verantwoordelijkheid onttrekken. Deze absolute notie van kennis wordt door Geertsema krachtig onderuitgehaald. Hij ziet hierin een vermetele poging om 'God' te spelen. De Bijbelse Schepper-God verdampt dan in de menselijke rationaliteit. De Schepping wordt een kwaliteitsloos product van toeval, als een ‘gedicht’ van een aap, die zich uitleeft op een tekstverwerker. Slechts de menselijke rationaliteit vermag dan nog aan de wartaal van de werkelijkheid vorm en zin te geven. Dit absolute kennisideaal was nauw verbonden met ‘zien’: de mens wil voor eens en voor al ‘zien’ hoe alles werkelijk ‘is’, volgens de eigen standaard. Zien zoals God ziet.
De bevrijding van het 'horen’
Een groot deel van Geertsema’s energie is nu de laatste jaren gewijd geweest aan de ontwikkeling van een alternatief - veel bescheidener – besef van kennis. Kennen is voor hem vooral 'horen', zoals iemand een bevel hoort. Wie in een groot warenhuis hoort 'Brand! Verlaat het pand!' heeft niet een set van absolute regels ter beschikking die voor ieder gelijk zijn: iemand op de bovenste verdieping moet hoogstwaarschijnlijk naar beneden, om iemand in het souterrain juist naar boven toe om het gebouw te kunnen verlaten. Kennis krijgt zo voor Geerstema de karakteristieken van een heilzaam tweegesprek, het horen van een woord en het geven van een antwoord. Het gaat om een concreet antwoord in een concrete situatie, dat rècht doet aan dat wat gekend wordt en daarom ook niet voor eens en voor al vast kan liggen. En dit is alles behalve vrijblijvend: wie geen antwoord geeft en in het warenhuis blijft, ondervindt de gevolgen. Kennis maakt verantwoordelijk.
Dubbele missie
Geertsema's her-denken van de reformatische wijsbegeerte is een dubbele missie. Aan de ene kant beoogt hij een van de stuwende motieven van het reformatorische filosoferen nieuw leven in te blazen: het gesprek vanuit het christelijk geloof met de moderne wijsbegeerte en breder de moderne cultuur. (En hij heeft de moed dat gesprek ook daadwerkelijk te voeren: op de recente jaarvergadering van de Algemene Nederlandse Vereniging voor Wijsbegeerte ging hij in debat met Herman Philipse over diens Atheïstisch Manifest.) Over het precieze hoe en wat van dit altijd delicate gesprek gaat het tweede hoofdstuk van Om de humaniteit (voor kenners: dit gaat over de waarde en onwaarde van Dooyeweerds 'transcendentale kritiek'). Het doorbreken van de kubuskooi van de rationaliteit en het opnieuw intekenen van de veelzijdige trekken van een voller mens-zijn vinden hier hun achtergrond. Aan de andere kant poogt hij ook mede-christenen voor dit gesprek warm te maken en hen daar als het ware op voor te bereiden. Daarbij spaart hij - zij het in bedekte termenzijn mede-christenen bepaald niet.
Ook in christelijke kringen heeft het absolute kennisideaal op heel verschillende manieren diepe sporen getrokken.
Dit heeft in feite een echt gesprek met de moderne cultuur geblokkeerd. Van een voortijdig afbreken van het gesprek is bijvoorbeeld sprake wanneer de Bijbel wordt uitgedost met iets als 'wetenschappelijk gezag' in de moderne zin van het woord, waardoor het vrije wetenschappelijke onderzoek wordt gekneveld - het onderwerp van het vierde opstel in Om de humaniteit.
Van een voortijdige capitulatie is bijvoorbeeld sprake bij Kuitert, in wiens theologie de toon gezet wordt door een modern-wetenschappelijke opvatting van kennis, die onkritisch overgenomen wordt. Terzijde zij opgemerkt dat Geertsema's analyse van Kuitert's theologie, waaraan het eerste opstel is gewijd, veel genuanceerder uitvalt dan vele andere reacties uit orthodoxe hoek, omdat Geertsema's eigen inzet zich op hetzelfde snijvlak van christelijk geloof en moderne cultuur beweegt als die van Kuitert. Zijn kritiek snijdt juist daarom dienovereenkomstig ook veel meer hout dan veel theologische kritiek, waarin de roeping tot het gesprek met de moderne cultuur nauwelijks meer te herkennen is. Beide missies motiveren Geertsema tot zijn her-denken van de reformatorisch-wijsgerige traditie. In het eerdere Het menselijk karakter van ons kennen (1992) komt de eerste missie meer naar voren. In Om de humaniteit valt het accent meer op de tweede spits, de voorbereiding-aan-christelijke-
zijde. Beide missies liggen op de achtergrond van nieuwe terminologie als 'woord-antwoord-relatie' en 'verantwoordelijkheid'. Of van de vervanging van een historisch zwaar beladen begrip als 'scheppingsordening' door een meer bijbels-geïnspireerde en dynamischer term als 'belofte-bevel tot bestaan'. Opvallend is zijn pleidooi voor meer 'populair-wetenschappelijke' bijdragen aan wat tegenwoordig in de kranten 'het levensbeschouwelijk debat' heet. Laten op allerlei vakgebieden de 'Vande Beukels' opstaan!
Mens worden
Het is hier niet de plaats voor kritische vragen. Mijnerzijds zouden die bijvoorbeeld gaan over de grote en positieve plaats die de metafoor van het 'zien' krijgt in bijvoorbeeld het Johannesevangelie, waar juist het gesprek met de toenmalige hellenistische cultuur op de achtergrond meespeelt. Wat zegt dat over de strategie voor een hedendaags 'gespek met de cultuur'? Vragen zou ik ook hebben bij de tekening van de griekse filosofie (en in het bijzonder Plato) als peetvader van modern beheersingsdenken. Gaat het Plato juist niet om het vinden van een transcendente, niet door toedoen van mensenhanden gecreëerde maat, waar de mens naar te luisteren heeft? En wat betekent dit dan weer voor het gesprek van christenen met de hedendaagse cultuur? Vragen als deze doen op geen enkele manier afbreuk aan het grote belang van Geertsema's project. 'Met dat-endat word je weer mens' heet het in de reclame. Mens-zijn staat dan zo ongeveer gelijk aan wegzakken in een grote fauteuil en de benen op de salontafel leggen. Daarom zal ik niet zeggen 'Met Geertsema word je weer mens'. Zijn boeken zijn geen lectuurvoor-de-benen-op-tafel. Verwacht bij hem (nog) geen 'Van de Beukel'-stijl! In zijn werk wordt echter wel een pad gewezen, waarlangs een heilzame verandering van de richting van de moderne cultuur haar beslag kan krijgen. De kubus kan doorbroken, het ontmenselijkte gelaat weer menselijk worden. Onmenselijke pretenties kunnen ontmaskerd en nieuwe ademruimte voor de mens gevonden worden, dat is Geertsema's boodschap.
Daarom mag zijn werk door niemand, die op de een of andere wijze zich als christen betrokken weet bij 'het gespek met moderne cultuur' overgeslagen worden.
N.a.v. Henk G. Geertsema, Om de humaniteit. Christelijk geloof in gesprek met de moderne cultuur over wetenschap en filosofie. Kampen: Kok 1995. 159 blz. ISBN 90 242 7752 3. Prijs f 29,50.
Eerder verscheen Het menselijk karakter van ons kennen. Amsterdam: Buyten & Schipperheijn 1992. 156 blz. ISBN 90 6964 786 6. Prijs f 32,50.