Over een raadsel van Maleachi

1996-09-20
  • Jaargang 40
  • nummer 19
Weinig woorden uit Maleachi zijn zo bekend als dat tegen ontrouw inzake het huwelijk zelf en jegens je partner, 2:10 v.v. En juist in dat gedeelte staat het ‘onleesbare’ vers 15.

Discussie
Er staan heel indringende woorden in het boek Maleachi. Het boekje als geheel mag trouwens bijzonder - zo u wilt 'eigentijds' - heten door de speciale aanpak van discussie-met-tegenstribbelaars die de profeet toepast.

God en je relatie
In Mal 2:10-16 worden twee zonden ter sprake gebracht, beide inzake het huwelijk. Vss 10-12 laten zien, hoe mensen uit Israël God negeerden door doodleuk te huwen met heidenen. Terwijl ze Zijn toorn daarover toch konden verwáchten! In 2:13-16 treffen we mensen die niets snappen van het doen van God. Hij wil hen maar niet zegenen, en ze zijn zich van geen kwaad bewust. In zijn antwoord helpt de profeet hen uit de droom t.a.v. nóg een huwelijks-zonde. Die ze éven over het hoofd hebben gezien! NI. dat iemand de 'vrouw-vanzijn-jeugd' simpelweg afdankt. Wanneer dit kwaad niet afgezworen en weggedaan wordt, blokkeert het de zegen van Jahwe, zegt hij. Iets dergelijks zegt Petrus later als hij leert hoe verkeerde bejegening in het huwelijk je gebeden verhindert, 1 Petrus 3:7. Opnieuw maakt de profeet hier duidelijk, dat God zich niet alleen met zaken in onze verhouding tot Hemzelf bemoeit, maar evenzeer betrokken is in onze bejegening van elkaar. De eerste en de tweede tafel, geloof en ethiek scheidt God niet.

Het probleem van vs 15
Het rede-beleid van het profetenwoord is wel duidelijk. Maar iedere bijbellezer( es) kan zien dat de tekst van vs 15 gewrongen is, en dat is in bijna alle vertalingen ook zichtbaar. Er zijn legio vragen. De belangrijkste: wie is het onderwerp van het eerste zinnetje? Wie is 'de ene' die het onderwerp is van het derde (vraag)zinnetje? En wat wordt bedoeld met dat 'zaad van God' als antwoord op de vraag? Ik meen dat de vragen oplosbaar zijn, als we ervan uitgaan dat de profeet hier de situatie van Gen 2: 18-25 oproept, het bericht over de schepping van Eva. Adam onder alle levende wezens voor zich op zoek naar iemand die bij hem past.

Oplossing
M.i. moet het onderwerp van de eerste zin 'Hij' (Jahwe) zijn. Dat kan uitstekend omdat Jahwe ook in vs 14b de handelende Persoon was. Waar het gaat over Zijn scheppen van de mens, moeten we hier m.i. vertalen: 'Niet (een) één(ling) heeft Hij gemaakt.' Het volgende zinnetje wordt door de S.V. (die m.i. dicht in de buurt van een oplossing is geweest!) vertaald als 'hoewel Hij des geestes overig had'. Wat bedoelt de profeet? Dat die egoïstische mannen in Israël er eens aan moeten denken dat de Schepper niet alleen de man gemaakt heeft. Immers man èn vrouw schiep Hij hen, Gen 1:27 slot. Je kunt dus best zeggen dat God na de schepping van Adam 'nog levensadem / levensgeest over' had. Om nl. de vrouw te creëren. En het is juist dat, wat de profeet heel laconiek stelt. Na de schepping van Adam was Jahwe nog ècht niet uitgepraat.
Gezien de betekenis van het eerste zinnetje lijkt het me voor de hand te liggen dat 'de éne' of 'die éne' (telwoord mèt het lidwoord) van het nu volgende vraagzinnetje Adam is, van wie immers net gezegd was dat hij niet als éénling geschapen is. En van wie in Gen 2:20 zo scherp staat vermeld dat 'hij voor zichzelf géén hulp vond die bij hem paste'. Adam is kennelijk op zoek geweest. M.i. is het dat wat we in dit vraagzinnetje omschreven vinden. Als volgt: 'Trouwens, waarnaar was die éne op zoek?' Niet alleen heeft de Schepper hem een partner toegedacht - en toegebracht.
Ook zelf heeft hij naar haar gezocht. Naar mijn mening kan 'zaad van God', het antwoord op het vraagzinnetje, dan ook niet betekenen een eventueel nageslacht van Adam en Eva. Daarvan is immers in het tafereel van Gen 2b helemaal geen sprake. Maar er is daar wèl vraag naar 'nakomelingschap van God' (als ik dat zozeggen mag). Adam vond bij zijn zoeken onder alle levenden immers niemand die net als hij naar Gods beeld geschapen was, en dus 'kind van God' (vgl. Luk 3:38!) mocht heten! Ik denk dat veel vertalingen hier de mist ingegaan zijn, omdat men ervan uit ging dat 'nakomelingschap van God' niet kon. Of als het wel kon, moest het slaan op mensenkinderen en niet op 's mensen vróuw. Maar kijk hier nu nog eens bij Petrus die haar 'mede-erfgename van de genade des levens' noemt, 1 Petr. 3:7!

Vertaling
Ik stel de volgende vertaling voor: "Niet (een) één(ling) heeft Hij gemaakt; Hij had nog levensadem over!
Trouwens, die éne, waarnaar was die opzoek? Naar een kind (nakomeling) van God. Daarom: wacht u voor uw (eigen) mentaliteit; laat het uit zijn met de ontrouw jegens de vrouw van uw jeugd."

Kanttekeningen
Nog twee kanttekeningen hierbij. Allereerst: ironisch merkt de profeet op dat God geen 'geest' (=Ievensadem om mensen te scheppen) te kort kwam. Terwijl de over Hem klagende mannen van Israël maar beter op hun hoede kunnen zijn voor hun éigen 'geest', dwz hun miserabele mentaliteit. De woorden voor 'levens-adem' en 'mentaliteit' zijn hetzelfde woord, maar het lukt me niet dat in de vertaling uit te laten komen. Terwijl het juist één van de puntige treffers van de profeet is.
Ten tweede. Aan heel deze passage is goed te zien hoe de Geest der profetie op de weg der vervulling werkt van Mozes naar Christus toe. Wie de woorden van onze Heer in Matth 19:1-12 ziet als vervulling van wat God met de huwelijkswetten van Mozes begon, ziet hoe het woord van Maleachi op diezelfde lijn ligt. Zelfs dat de profeet zich al dichter bij de woorden van de komende Messias bevindt dan bij die van Mozes. Ook hij grijpt immers al terug op hoe God het van den beginne gemaakt en bedoeld heeft, Matth 19:8. Maleachi's ironische dialogen grepen het volk aan om terug te keren op de verlossende wegen van Jahwe. En komen uit in de levensgenezing die de Meester ook aan ons leert en kwijt wil.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief