Over 'de weg' (2)

1996-09-20
  • Jaargang 40
  • nummer 19
Ik vat het nog steeds niet dat iemand, die hartelijk en persoonlijk gelooft in God en daarbij het voornemen heeft om te gaan werken als voorganger in een christelijke gemeente, tegelijk kan zegge dat de vraag of Jezus werkelijk de zoon van God is er niet toe doet. Twee weken terug beluisterde u dat met mij in fragmenten van een interview met een theologische studente, dat eerder deze zomer te lezen was in het dagblad Trouw. Ik kom met zo’n laconieke houding niet ver als ik het Nieuwe Testament binnenloop. Waar je ook gaat zitten – in een evangelie of een brief – de vraag of Jezus werkelijk Gods Zoon is, is voor geen van de evangelisten of apostelen irrelevant.

Werkelijkheidsvreemd
Trouwens niet alleen oog in oog met de profeten en apostelen loop ik met deze benadering vast, maar ook gelet op de dagelijkse werkelijkheid waarin u en ik verkeren. Ik bedoel de wereld van zaaien en oogsten, kopen en verkopen, huwen en zoveel meer. Precies het dagelijkse gedoe, dat Jezus in zijn gelijkenissen zo beeldend voor ons neerzet èn (nota benel) verbindt met het Koninkrijk van God. In dat alledaagse leven doen de praatjes, de verhalen en de verslagen de ronde bij duizenden per dag - krant en t.v. zijn er vol van. Bijna altijd zal daarbij bewust of onbewust de vraag naar de werkelijkheid achter het . verhaalde een rol spelen. Natuurlijk is er niets op tegen als iemand zegt dat ze arts is; het is leuk om te horen dat iemand een ton heeft geërfd; schokkend om te lezen dat een vrouw is bestolen of een kind is aangerand.
Maar alles wordt anders, wanneer het slechts een verhaal is. Een prachtig of dramatisch verhaal, maar toch niet meer dan 'maar' een verhaal. Niet dat ik daarmee wil zeggen dat elk verhaal uit de krant of van de t.v. de werkelijkheid ook recht doet, maar wel dat maar betrekkelijk zelden het doorvragen naar die wer- .
kelijkheid achter het verhaal als niet ter zake wordt afgedaan. Als we in ons geloof wel zouden kunnen leven bij verhalen alleen, dan zou 'geloven' wonderlijk eenzaam komen te staan in het leven van alledag. Maar precies dàt wil er bij mij niet in! Levend in een wereld, waarin de vraag naar het gebeurde in het alledaagse zelden onbelangrijk wordt gevonden, kan ik niet vatten dat diezelfde vraag bij de boodschap die ons bestaan zoekt te funderen irrelevant zou zijn.

Onmacht
Het blijft me dus vreemd, die onverschilligheid. Wat brengt iemand tot zo'n benadering van de Schrift in de trant van 'niet gebeurd, maar wel waar' - zo denk je dan. Is die (schijnbare?) onverschilligheid misschien een noodsprong uit vermeende onmacht? Onmacht, omdat het na 2000 jaar toch onmogelijk lijkt om objectief en historisch nog iets zinnigs te zeggen over de werkelijke stand van zaken van toen en daar. Pogingen in die richting moeten wel vastlopen in het unieke en eenmalige van wat ons in het Nieuwe Testament verhaald wordt, zou je kunnen denken. Zoals de wonderen die Jezus zelf aangaan - zijn menswording en opstanding - en de vele wonderen van zijn hand. Kan dat de toets van de historische kritiek doorstaan? Op dat punt aangekomen kan het geen kwaad om.te zeggen dat veel afhangt van de criteria, die je aanlegt. Als je bij het onderzoek datgene voor historisch zeker houdt, wat te rijmen is met (onze) gangbare patronen van het dagelijks leven, dan moet je inderdaad zeggen dat het Nieuwe Testament in die zin niet historisch is. De gebeurtenissen beschreven in de evangeliën onttrekken zich eenvoudig aan je waarneming, wanneer je de criteria zo scherp hebt afgesteld. Op zichzelf is er niets tegen zo'n strenge aanpak, hoogstens moet je rekenen met de mogelijkheid dat je al onderzoekend aan het eigenlijke van personen en gebeurtenissen voorbijschiet. Want wat koop ik er voor, als ik zeg dat het historisch zeker is, dat er een Jezus geweest is, die als rabbi heeft geleefd en al jong de kruisdood stierf. Dat is ongetwijfeld de vrucht van een heel streng historisch onderzoek, maar het is zonder enige betekenis.

Bijwerking
Onaangenamer is, dat het gebruik van het woord 'onhistorisch' een nare bijwerking heeft. Zeg maar eens hardop dat de evangeliën onhistorisch zijn, dan krijg je onder ons de wind van voren! Dat komt omdat 'onhistorisch' de bijklank heeft van 'niet gebeurd' en het enige wat je dàn overhoudt is het verhaal. Terwijl die stap van 'onhistorisch' (volgens de strenge criteria) naar 'niet gebeurd' logisch gezien allerminst dwingend is.
Maar de suggestie is onlosmakelijk met dat woord 'onhistorisch' verbonden en het is best mogelijk dat menig theoloog uit deze eeuw zich te veel heeft laten beetnemen door die historici met hun strenge maatstaven. Waardoor de gestage druppel van het woord 'onhistorisch' het werkelijkheidskarakter van het verhaalde van het Nieuwe Testament heeft uitgehold.

Niet bij verhalen alleen
Toch blijkt ook steeds weer in de theologie, dat een beetje christen het maar kort uithoudt bij alleen de verhalen of bij het laatste restje 'evangelie' dat historisch absoluut zeker is. Het is maar even of opnieuw begint (de vaak kritische) speurtocht naar het gebeurde achter het verhaalde, zo leert b.V. de wetenschap van het Nieuwe Testament. Als ik me dan weer beperk tot de kern, de persoon en het werk van Jezus, dan valt op dat het aantal reconstructies van de zgn. 'historische Jezus' enorm is en zeer uiteenlopend'. Je vindt dat in de doorwrochte artikelen en boeken, maar je komt het ook als niet-theoloog tegen in de krant of in populaire theologische lectuur. Daarover nu nog iets.

De vijfde Jezus
Ik dacht bij de populaire theologie aan iemand als Pinchas Lapide, die in de jaren tachtig erg gezien was in kerkelijk Nederland. Hij is een 20e eeuws voorbeeld van iemand die kritisch lezend in de evangeliën de ware Jezus wil ontdekken. Kritisch, want in één van zijn boekles' zegt Lapide dat hij op zoek is naar de 'vijfde Jezus'. Dat is dus niet de Jezus van de vier evangeliën, maar de Jezus die nog niet door de handen van zijn eerste volgelingen is gegaan. Als een restaurateur verwijdert Lapide de lagen van vernis, waarvan hij meent dat ze door de evangelieschrijvers zijn aangebracht. Zo ontdoet Lapide b.v. het Jezus-beeld van de wonderen, waarvan hij zegt dat 'de vier Griekse (?) evangelisten zich hebben bediend van wonderverhalen om zo met Gods heil bij de Grieken een ingang te krijgen in de hun vertrouwde denkstructuren'. Ontdaan van deze mirakelen zoekt en vindt Lapide de aardse, driedimensionale mens Jezus. Je verbaast je bij de lezing van zo'n fragment over het aantal ongefundeerde beweringen, die Lapide in een enkele zin bij elkaar weet te harken.
Toch ben ik er zeker van dat dit soort geschrijf velen uit de christelijke kerk van Europa heeft beroofd van een hartelijk vertrouwen in het evangelie aangaande onze Heer.

Vergoddelijking van Jezus
Of, als je de boekjes laat voor wat ze zijn kan een kranteartikel je zo maar te pakken hebben. AI een tijdje ligt er een stuk van de hand van een zekere Andreas Burnier op mijn bureau (ook al weer uit Trouw- - we weten van geen ophouden in Opbouw!). Burnier schetst in een artikel over de verhouding van christendom en jodendom in een paar alinea's de ontwikkeling van de christelijke kerk en haar geloofsgoed. In de allereerste periode signaleert de schrijver het opvallende geloof van de volgelingen in Jezus als de Opgestane. Hij zegt dan tussen neus en lippen door: "Overigens werd Jezus, ongeacht die wederopstanding uit de dood, aanvankelijk nog niet als een goddelijk wezen gezien" en even later "Pas met de vergoddelijking van Jezus door zijn latere volgelingen, met name Paulus, ontstaat er een onoverbrugbare kloof tussen jodendom en wat dan (paulinisch; hellenistisch) christendom gaat worden". Burnier schetst en poneert in zo kort bestek, dat enige verantwoording aan de hand van de bronnen hem onmogelijk is.
Maar ook zonder die nodige argumentatie zal zo'n artikel zijn werk wel doen, omdat het een diep, misschien wel onderhuids, wantrouwen zaait m.b.t. de betrouwbaarheid van de nieuwtestamentische getuigen. Of het nu komt door die streng historische aanpak met zijn negatieve uitstraling of door de veelheid aan reconstructies à la Lapide, het verbaast je niet echt dat je een argeloze 2e-jaars studente theologie, zoals Deborah Heij, kunt horen zeggen 'dat zede geboorteverhalen erbij gezet hebben om het Oude Testament in vervulling te laten gaan, niet omdat het werkelijk zo is gebeurd'. Daarmee heeft ze de band met het werkelijk gebeurde opgegeven en zijn de eerste hoofdstukken van Lucas en Mattheüs gereduceerd tot 'maar een verhaal' en niet meer. Van die nood kun je een deugd maken door te zeggen dat het gebeurde 'er ook niet zo toe doet'. Maar luisterend naar de klank van de stem van de apostelen krijg ik toch een heel andere indruk.

Omweg
AI schrijvend heb ik wel het gevoel, dat ik wat van de hoofdweg van mijn eerste artikel ben afgeraakt, door zoveel aandacht te geven aan het verband tussen het verhaalde en het gebeurde. Ik kon er toch voor mijn gevoel niet goed omheen omdat dat verband tussen die beide tot in de kern van het evangelie werd losgemaakt. Opvallend daarbij is in ieder geval dat noch Heij, noch Lapide, noch Burnier rekent met het feit dat de evangelisten en apostelen zich bij ons aandienen als getuigen. En juist dat maakt het extra pijnlijk als ze de werkelijkheid met hun getuigenis geen recht zouden hebben gedaan. Dan is het niet zo maar een leugentje, maar niet minder dan een vals getuigenis. Iemand als John Stoft' confronteert je scherp met dit dilemma: de apostelen brengen je of bij een diepe werkelijkheid of ze' zetten jejuist omdat ze zich voordoen' als getuigen - onvergeeflijk op het verkeerde been. Als Lapide of Burnier gelijk zouden hebben met hun reconstructie; dan is het Nieuwe Testament een vrucht van bedrog. Goedbedoeld misschien, maar met die constatering zou ik geen tijd meer verdoen met verhalen die wel waar, maar niet gebeurd zijn. Ik zou maar één ding doen en dat is het christelijk geloof en de kerk vaarwel zeggen.

Het evangelie van Gods Zoon
In het vorige artikel eindigde ik met te zeggen, dat we steeds weer opnieuw onder de indruk zullen moeten komen van de kracht van het getuigenis van de apostelen. Menig boek kan daar een handje bij helpen. Ik denk b.V. aan iemand als C.S. Lewis met zijn boek over 'Wonderen's. Of ook de genoemde ohn Stott, dié uit de evangeliën zoveel naar boven haalt en bijeenbrengt, dat je (opnieuw) onder de indruk komt van het bijzondere van Jezus en zijn werk. Als derde zou ik - met het kopje boven dit paragraafje - het laatste boek van de nieuwtestamenticus J. van Bruggen willen noemen'. Het is een typisch Van Bruggen boek, gekenmerkt door zijn gelovige en eigenzinnige aanpak. Vaak heb ik met geprikkelde aandacht gedeelten uit zijn commentaren gelezen (Mattheüs, Marcus en Lucas), boeken met een goede prijslkwaliteit verhouding, die ik van harte bij u aanbeveel. Dat alles kan ik ook van dit laatste boek zeggen. Het zet aan tot nadenken omdat Van Bruggen scherp formuleert en argumenteert en daarbij niet zelden gangbare visies doorkruist. Dat merk je in het eerste hoofdstuk, waarin hij de achtergrond van Jezus' optreden - het decor van Farizeeën, Sadduceeën, Essenen en Zeloten - anders neerzet dan gebruikelijk. Minder nationalistisch en wetticistisch, met als resultaat dat het eigenlijke geschilpunt in de controverse met Jezus (vermeende godslastering) veel meer op de voorgrond komt. Opvallender nog is het volle licht dat Van Bruggen op Johannes de Doper laat vallen als de unieke voorbereider van de weg van Jezus. Ik vond dat hoofdstuk overtuigend en verrijkend voor de eigen lezing van het evangelie. Maar het grootste deel van het boek gaat over Jezus de Zoon. Van die hoofdstukken is hetzelfde te zeggen als wat ik bij Stott zei. Ze brengen je onder de indruk van het unieke van Jezus en zijn weg en dat niet alleen vanwege enkele uitgesproken 'hoogtepunten' uit het evangelie - zoals de belijdenis van Petrus - maar o.g.v. het brede getuigenis van wat Jezus gedaan en gezegd heeft. Het eigene van het boek van Van Bruggen zit hierin, dat hij je zo vaak in de veelzeggende details van het evangelie brengt en je ook steeds weer de samenhang in de boodschap van de evangeliën en brieven laat zien. Verder merk je dat hij als nieuwtestamenticus de discussie aangaat over de kwesties, die door Lapide en anderen gepopulariseerd onder onze aandacht zijn gebracht. Over deze hoofdmoot van Van Bruggen's boek wil ik graag in een volgend artikel nog iets meer zeggen.

Noten:
1 Zie voor een korte schets van dat onderzoek b.v. het boek van J. van Bruggen, C1uistus op aarde, p. 15-23; Kampen, 1987.
2 P. Lapide. Hij leerde in hun synagogen; Baarn. 1984. Het paragraafje 'Op zoek naar de 'vijfde Jezus' is te vinden op p. 18-25.
3 A. Bumier. Liefst levenslang leren; Trouw. 4 november 1995.
4 J. Stott. De basis van het bijbels geloof. Onlangs als goedkope Supemova pocket verschenen bij Novapres in Apeldoom 5 C.S. Lewis. Wonderen; Franeker, 1994.
6 J. van Bruggen, Het evangelie van Gods Zoon; Kampen 1996.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief