De vreemdeling in nood

1996-09-20
  • Jaargang 40
  • nummer 19
In de ondergaande bijdrage wil ik het hebben over de relatie tussen ons christelijk geloof en mensenrechten, toegespitst op de vreemdeling in nood. De vreemdeling wiens rechten op een menswaardig leven geschonden worden, die vervolgd wordt. Een ieder zal het ermee eens zijn, dat wij een taak hebben om iets aan die nood te doen. Mijn vraag is: hoe ver strekt die taak?

Voor ik hier verder op inga, is het wellicht goed om eerst de achtergrond te schetsen waartegen deze vraag opgekomen is. AI geruime tijd ben ik lid van Amnesty International en momenteel werk ik ook tijdelijk als vrijwilliger op het secretariaat van deze organisatie in Amsterdam. Mijn taak bestaat uit het leggen en onderhouden van contacten met levensbeschouwelijke organisaties, voor het overgrote deel van christelijke signatuur. Hoofddoel van deze functie is het stimuleren van deze doelgroep om zich (nog meer) in te zetten voor mensenrechten. Hoewel Amnesty International een seculiere organisatie is, bestaat de achterban grotendeels uit kerkelijke leden. Ook kerkelijke organisaties tonen een grote betrokkenheid bij activiteiten van Amnesty. Wat mij echter verbaasd heeft, is dat het met name katholieken en midden-orthodoxe of vrijzinnige protestanten zijn, die het werk van Amnesty 'zien zitten'. Uit reformatorische en evangelische hoek, waaronder de Nederlands Gereformeerde Kerk, bestaat daarentegen geringe interesse voor hun werk. Een ander feit dat me opgevallen is (dit geldt ook ten aanzien van de andere kerken), is dat de motivatie om voor geloofsgenoten te schrijven een stuk hoger ligt, dan voor andere mensen in nood.

Christen
Ik ben zelf sinds enige jaren Nederlands Gereformeerd en intussen een enthousiast lezer van Opbouw. Aan de constatering dat in dit blad geregeld moeilijke, pijnlijke onderwerpen op een integere wijze worden besproken, ontleen ik de vrijmoedigheid om u met dit vraagstuk lastig te vallen. Als christenen (hiermee doel ik op de kerk in brede zin) klimmen wij massaal in de pen om te schrijven voor een Koeweitse zakenman, die van moslim christen geworden is en na beschuldiging van geloofsafval in levensgevaar verkeert. Maar de motivatie ligt een stuk lager als het gaat om een Guatemalteekse (niet christelijke) indiaan, die voor de rechten van zijn volk opkomt, door doodseskaders mishandeld en met de dood bedreigd wordt. Is deze man of vrouw minder ons medeleven waard? Mogen wij bij onze betrokkenheid een dergelijk onderscheid maken? Ten aanzien van mede-christenen in nood hebben wij natuurlijk een bijzondere verantwoordelijkheid. Het is ook goed dat daar gevolg aan wordt gegeven. Ook in dit blad wordt aandacht besteed aan vervolgde christenen.
Onlangs nog, in Opbouw 1996, nummer 14 vroeg de VCVM (Vereniging van Christenen tegen Vervolging en Marteling) aandacht voor een actie voor vrijlating van vervolgde christenen in Saoedi-Arabië. Velen kennen ook de Stichting Open Doors, die vooral bekend is geworden door de smokkel van bijbels en bijbelstudiemateriaal naar landen waar christenen in de verdrukking leven. In haar maandblad vraagt Open Doors iedere keer aandacht voor de situatie van christenen in die landen en worden lezers opgeroepen om te schrijven voor een christen-vervolgde. Open Doors laat zich bij haar werk onder meer leiden door I Korintiërs 12:26 (Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, ..). Ook op het gebied van vluchtelingen zetten velen zich in. In Opbouw 1996, nummers 9 en 10 is de tekst afgedrukt van een referaat, dat mevrouw Bronsveld-Taute uit Ede op de Diaconale Conferentie 1995 heeft gehouden. Daarin werden, aan de hand van concrete ervaringen, mogelijkheden aangereikt om als gemeente(-lid) hulp te bieden aan vluchtelingen. Bij die hulpverlening is onderscheid tussen christenen en niet-christenen bijbels gezien niet echt relevant. Omdat het hier gaat om de vreemdeling in onze steden (en dorpen) kennen we ten aanzien van deze hulpbehoevenden een speciale verantwoordelijkheid (zie bijvoorbeeld Leviticus 19:34 en Matteüs 25:34-40).

Niet-christen
Maar hoe staat het nu met de vreemdeling, de niet-christen naaste, die bijvoorbeeld in een land als Guatemala te lijden heeft onder vervolging? Hebben wij geen taak ten aanzien van deze hulpbehoevende? Nu zal bij u wellicht de verzuchting opkomen, dat we toch moeilijk de zorgen van de hele wereld op onze schouders kunnen nemen. Daar ben ik het volledig mee eens. Doch dat is een praktisch bezwaar, dat ook geldt ten aanzien van de andere besproken groepen van mensen in nood en alle andere (bijbelse) taken die op ons bordje liggen. We kunnen onmogelijk àlle taken oppakken. Een ieder zal naar eigen inzicht, geleid door Gods Geest, een antwoord moeten vinden op de vraag wat wel en wat niet te doen. Mijn vraag hier is meer van principiële aard. Is het niet onze christenplicht om ten aanzien van hulpbehoevenden geen onderscheid te maken tussen christenen en niet-christenen? Laat ik ter voorkoming van misverstanden nog twee opmerkingen maken. Allereerst is mij bekend, dat veel mensen moeite hebben met bepaalde standpunten van Amnesty International en daarom deze organisatie niet willen steunen. Graag zou ik hen het volgende willen meegeven: Je hoeft het niet met alle standpunten van Amnesty eens te zijn om bijvoorbeeld aan één van hun schrijfacties mee te doen. Amnesty bestaat niet omwille van zichzelf, maar voor die talloos velen in deze wereld, die onrecht aangedaan wordt door hun medemensen. Verder zou ik niet de indruk willen achterlaten, dat Open Doors en de VCVM er verkeerd aan doen, door zich alleen op christenen te richten. Integendeel! Seculiere organisaties, waaronder Amnesty besteden te weinig aandacht aan vervolgde christenen, zoals ik helaas herhaaldelijk moet constateren. Organisaties als Open Doors en de VCVM hebben daarom wel degelijk een goede, aanvullende taak. Het geheel overdenkend schiet een gelijkenis van Jezus me te binnen. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, uit Lucas 10. Lopend op de weg naar Jericho zag hij een gewonde man liggen. Hij zag niet een vijand, niet een Jood, zelfs niet een vreemdeling, maar slechts een mens in nood. En hij was met ontferming bewogen, en handelde dienovereenkomstig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief