Een briefwisseling over de Schrift
1996-04-05
Het zal onze lezers wel niet verbazen als ik zeg dat ik reakties heb gekregen op het interview dat het blad KOERS mij afnam in september van het vorige jaar, met daarin de hoofdstelling dat niet de bijbel Gods Woord is maar dat wij in de bijbel Gods Woord vinden. Onder degenen die reageerden waren ook kerkeraden uit ons kerkverband. Met één van hen kwam ik overeen onze korrespondentie te publiceren. Dat wil zeggen dat ik aanbood hun brief, met mijn antwoord daar weer op, in ons blad te publiceren. Dat is door de broeders goed gevonden.- Jaargang 40
- nummer 7
Natuurlijk heeft het afbreken van het gesprek bij de derde brief iets onbevredigends en natuurlijk heb ik de neiging de kerkeraad van Zalk een tweede antwoord te geven, maar behalve dat dat niet de afspraak was, zouden we zo ook aan de gang blijven en daar gaat het nu niet om. Waar gaat het mij dan wèl om? Drie dingen. In de eerste plaats vind ik de toon van de korrespondentie goed. Het blijkt mogelijk over een gevoelig onderwerp christelijk met elkaar van gedachten te wisselen.
In de tweede plaats: Boze tongen beweren wel eens dat wij geen welgeordend kerkverband hebben en dat we allemaal maar wat door elkaar heenschaatsen.
Ik vind een briefwisseling als deze een wezenlijk stukje kerkverband.
Zonder kommissie zus en rapport zo hébben we het gewoon ergens over. Zonder de rompslomp van formaliteiten komen we ter zake. Ik ben daar echt een beetje trots op. In de derde plaats heb ik een eigenbelangetje. Ik verantwoord me namelijk in mijn brief over de motieven die ik voor dat interview had en ik vermoed zo dat ik daar ook verschillende van onze lezers een dienst mee doe.
Zalk, januari 1996
Geachte dominee De Jong,
Al eens eerder heeft de kerke raad van Zalk en Veecaten zich schriftelijk tot u gewend. U hebt indertijd met dankbaarheid kennis genomen van ons schrijven. Na ernstig overwegen, één van de redenen van ons late reageren, zien we nu helaas opnieuw reden ons tot u te wenden.
Opnieuw zeggen we u dat het ons spijt dat u opvattingen inzake Schrift en belijdenis naar buiten brengt (Koers, september 1995), waarvan u weet dat ze niet de onze zijn.
Binnen onze kerken is de gewoonte ontstaan om geen polemiek aan te gaan in persorganen. De angst voor polarisatie is nog steeds erg groot.
Terwijl deze situatie ons tot zorgvuldigheid zou moeten nopen, spreekt u vrijuit in woorden waarvan u weet dat ze door een groot aantal gelovigen uit onze kerken niet ondersteund worden.
Wij betreuren dat door een publicatie als in Koers de polarisatie toch toeneemt.
Om te beginnen in onze eigen kerken, maar ook in het contact met andere. Ook stelt uw invloed op aanstaande dominees ons voor ongeruste vragen.
Onzes inziens laat u de menselijke ratio keer op keer heersen over de Schrift. Dat vinden wij in de eerste plaats niet recht voor de Here. Maar in de tweede plaats vrezen we dat uw inspanningen op den duur de gemeente zullen vervreemden van haar Christus. Onzes inziens overschrijdt u kaders die het christen- en gereformeerd-zijn zouden moeten blijven bepalen. Wij zien gebeuren dat, waar u nog halt houdt, uw volgelingen verder gaan. Tegen deze willekeur protesteren wij!
Overigens strijdt u bovendien tegen een massief fundamentalisme, dat onzes inziens nauwelijks in onze kringen gevonden wordt. Dat u de moeilijke vragen omtrent het Schriftgezag niet uit de weg gaat, is alleszins acceptabel.
Maar dat u ze op een dergelijke manier hardop stelt gaat ons te ver.
Ons leek het de meest broederlijke weg, u opnieuw persoonlijk op deze dingen aan te spreken. Ziet u daar enkel goede bedoelingen in.
U toebiddend dat u de vele aan u geschonken gaven tot opbouw van de gelovigen mag gebruiken, wensen wij u en de uwen een heilvol 1996!
namens de kerkeraad van Zalk en Veecaten,
praeses, F.H. Blokhuis
scriba, J. Baard
Zeist, 9 januari 1996
Hooggeachte Broeders,
'Met dankbaarheid kennis genomen van uw brief' gaat wat ver, maar weest u ervan verzekerd dat het ook ditmaal bij mij in goede aarde valt dat u zich met uw bezwaren rechtstreeks tot mij wendt. Niet alleen hebt u daar het volste recht toe, maar ook doet de vriendelijke toon van uw brief mij goed.
Wat u schrijft is ten dele reëel. Ik zeg inderdaad dingen waarvan ik weet dat ze door een groot aantal gelovigen uit onze kerken niet ondersteund worden.
Ook hebt u gelijk als u zegt dat in onze situatie zorgvuldigheid vereist is. Ook uw zorg dat de gemeente door een bepaalde manier van spreken van haar Heer vervreemd raakt, is zonder meer herkenbaar. En de vrees dat anderen met het door mij geschrevene een verkeerde (of, zegt u, een nog meer verkeerde) kant op kunnen gaan, is ook al niet uit de lucht gegrepen.
Toch staat daar iets tegenover dat mij over al deze bedenkingen doet heenstappen.
Wat is dat? Wel, ik meen op te merken dat er in de gemeente een andere benadering van de bijbel bezig is veld te winnen. Ik merk dat als ik mijn oor te luisteren leg bij katechisanten en bijbelkring bezoekers. Vrijuit komt men in die kringen met een meer genuanceerde opvatting over de bijbel naar voren dan men zich tot dusver toestond. Dat blijkt hieruit dat men bijvoorbeeld niet achter alle uitlatingen van Paulus de Heilige Geest ziet staan. Dat men meer dan vroeger rekening houdt met een menselijke inbreng in de bijbelboeken die het gezag van de bijbel op historisch of moreel of natuurwetenschappelijk gebied inperkt. Ik denk dat dit een logisch gevolg is van het feit dat wijal wat langer geleden - opgehouden zijn de goddelijke inspiratie van de Heilige Schrift mechanisch te zien. De eigen menselijkheid van de bijbelschrijvers werd gaandeweg meer benadrukt.
En wie menselijkheid zegt, zegt menselijke beperktheid.
Als we dit nu zomaar laten begaan zal het gevolg zijn dat er zich een dubbel circuit in de kerken gaat ontwikkelen van enerzijds een ambtelijke en anderzijds een gemeentelijke 'theologie', met alle nare gevolgen van dien, die van de onwaarachtigheid voorop.
Ik wil naar mijn vermogen aan deze kwalijke ontwikkeling een halt toeroepen.
Ambt en gemeente mogen niet van elkaar vervreemden. Daarom wil ik aan de nieuwe benadering van de bijbel leiding geven. Ze niet botweg bestrijden en ze ook niet klakkeloos bijvallen. Vanuit mijn vijftigjarige bewuste omgang met de Heilige Schrift wil ik hardop zeggen wat ik aan deze ontwikkeling goed vind en niet goed vind. Ik doe dat niet om te provoceren, maar vanuit een gevoel van verantwoordelijkheid.
De wijze waarop ik het doe is zeker niet boven alle kritiek verheven. Soms zeggen kollega's tegen mij: Je hebt wel gelijk, maar ik zou het anders doen. Als ik ze dan uitnodig om het inderdaad anders (en beter!) te doen, valt het stil. Goed, het is ook niet ieders werk. Maar binnen onze kerken ben ik er de eerst aangewezene voor (gesteld dus dat het moet gebeurenwat u mij, getuige uw brief, zult bestrijden).
Aan mij zijn immers in het kader van de theologische studiebegeleiding de bijbelvakken toevertrouwd. Maar tegelijk met dat ik deze ondankbare taak aanvat probeer ik naar de gemeente toe zo herkenbaar mogelijk te blijven. Dat lukt mij ook, niet alleen bij anderen maar ook bij u. Met dankbaarheid memoreer ik hier dat u mij, ondanks de kritische brief die u mij eerder geschreven hebt, het vertrouwen schenkt om in uw midden het woord te bedienen, een vertrouwen waarvan ik nooit misbruik gemaakt heb.
Zo schrijf en publiceer ik dus met mijn rechter- èn met mijn linkerhand, maar het is wel de ene en ondeelbare persoon die schrijft. En deze persoon getuigt gaarne dat hij in zijn werk niet van zijn Here vervreemd raakt. U vergist zich trouwens als u meent dat ik een massief fundamentalisme bestrijd dat in onze kringen nauwelijks voor zou komen. Zeker, daar gaat het mij óók tegen en ik zie met zorg het ook onder ons toenemende geknutsel met bijbelse profetieën aan die ons een blauwdruk van de naaste toekomst zouden moeten verschaffen. Maar het gaat mij daarnaast ook om zaken als de positie van de vrouw in de gemeente en de plaats van de homofiele mens in ons midden (om maar enkele dingen te noemen) - zaken waarbij ons een verkeerde, een te tijdloze benadering van de Schrift in de weg staat.
Tenslotte, laat ik keer op keer de menselijke ratio heersen over de Schrift, zoals u schrijft? De Schrift is een schat in een aarden vat, broeders. Dat aarden vat is vanuit de ratio heel goed te benaderen. Ik zou niet weten hoe het anders moest. Je kunt wel bij elke moeilijkheid waarvoor de bijbel ons stelt, zeggen dat het ons niet duidelijk is en dat God wel zal weten hoe het zit, maar dat vind ik vroom geteut, want van sommige dingen weten wij wel degelijk hoe het zit. Maar van de andere kant realiseer ik me wel terdege dat ik door de hele bijbel heen met de schat te maken heb en ik zou het van mezelf heel erg vinden als ik daar met mijn verstand over zou (willen) heersen. Van het geheel van de Schrift zeg ik van ganser harte met de woorden van Gezang 146: "Als ik dit wonder vatten wil, dan wordt mijn geest van eerbied stil". Deze toon kunt u ook in het bewuste Koers-interview van september 1995 beluisteren.
Ik heb uw brief vanuit een diepe geloofsverbondenheid met u gelezen.
Ik hoop van harte dat u dat ook van mijn brief kunt zeggen.
Met hoogachting en broederlijke groet,
H. de Jong
Zalk, maart 1996
Geachte dominee De Jong,
Wij bedanken u hartelijk voor uw brief van 9 januari. Uw vlugge en uiterst spontane reactie heeft ons verrast.
In uw spontaniteit hebt u ons meegenomen naar uw voornaamste drijfveer.
Daartoe konden wij u geenszins verplichten, maar we zijn u erkentelijk voor deze royale openheid.
U hebt ons nog eens hartelijk overtuigd van uw bezorgdheid. Tegelijk hebt u ons bevestigd in de overtuiging dat onze bezorgdheid toch een andere is.
Juist de pragmatische toon van uw brief, die ons getroffen heeft, doet ons dat denken.
Waar u als ambtsdrager probeert verwijdering tussen ambt en gemeente te voorkomen, menen wij dat onze eerste verantwoordelijkheid is: verwijdering tussen Christus en zijn gemeente voorkomen.
Welke verwijdering u wel herkenbaar vindt, maar wellicht minder dreigend.
U getuigt voor u persoonlijk, dat u in uw werk niet van de Here vervreemd raakt. Nu staat uw integriteit voor ons buiten kijf. Maar het is onze zorg dat u niettemin uw toehoorders enigszins los maakt van de bijbel. En voor ons is de bijbel het Woord en de stem van God.
Wij hebben echt wel begrip voor uw pastorale inspanningen om de bijbel bij zoveel mogelijk mensen 'gelegen' te laten komen; maar als dat ten koste moet gaan van die bijbelgedeelten, die ons 'ongelegen' komen, dan is de prijs ons te hoog.
Uw nonchalantere omgang met de bijbel komt ons teveel voort uit pragmatische motieven en te weinig uit principiële.
Wij bestrijden dan ook uw mening dat de apostel Paulus de bijbel op het oog heeft als hij schrijft over een aarden vat dat aan scherven kan gaan.
Blijkens het verband (2 Kor. 4:8-5:10) bedoelt Paulus met aarden vaten (meervoud!) heel duidelijk zichzelf en andere brengers. Daar tegenover zet hij het gebrachte, de schat: datgene wat mensen als hij hebben doorgegeven en aan 't papier toevertrouwd. De sterfelijke, aan de dood overgeleverde Paulus baseert zich op onsterfelijke Schriftwoorden (4:11-13) en mag zelf zulke woorden doorgeven. Dat een dergelijke omgang met de bijbel zou moeten leiden tot een tijdloze benadering ervan, is voor ons niet herkenbaar (en voor Paulus evenmin, vermoeden we).
Ons verschil in inzicht draait onzes inziens helemaal om deze zaak: hoe breekbaar en vergankelijk is de bijbel?
Is de bijbel de brenger of het gebrachte, omhulsel of inhoud? Is wat Paulus schrijft (en al schrijvende aanhaalt) net zo aan aftakeling onderhevig als Paulus zelf?
In uw visie wel, menen wij. Wat Paulus' uitspraak, dat de gemeente gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten, zeer onvast maakt. We denken aan het tweëerlei fundament waarvan Jezus spreekt.
De Steen des aanstoots is tot hoeksteen geworden - daar zal niemand aan tornen. Maar wij vrezen dat nu andere delen van het fundament, willekeurig welke, "veracht'lijk wordt een plaats ontzegd": omdat ze aanstoot geven. Onze bezorgdheid (zie boven) impliceert uw Schriftvisie.
Voor ons gevoel maakt u, voor het forum van de huidige kritische generatie, de bijbel breekbaar en sterfelijk. En in onze optiek doet u daarmee geen recht aan de Here.
Inderdaad hebt u nooit misbruik gemaakt van ons vertrouwen. Wel doet deze dankbare constatering ons opmerken, dat het dan toch mogelijk is om de bijbel te lezen zoals de gereformeerde kerken dat altijd hebben gedaan. De preken die u ons laat horen zijn bijbelvast en bijbelgetrouw.
U ziet heel wel kans een gemeente toe te spreken zonder dat u het nodig hebt haar te wijzen op de, wat u noemt, menselijke beperktheden van de bijbel.
Werk van uw 'rechterhand', zult u herhalen.
Maar daar hebben wij toch wel enige moeite mee. In onze gemeente zou u of zichzelf moeten verloochenen, of de 'linkerhand' moeten aanwenden, als wij u vroegen te preken over de positie van de vrouw in de kerken.
We zijn blij dat u vriendelijkheid hebt geproefd in onze eerste brief. Weest u ervan overtuigd dat we ook in dat opzicht onveranderd zijn.
Namens de kerkeraad van Zalk en Veecaten,
praeses, F.H. Blokhuis
scriba, J. Baard