Niet door geweld maar door Geest (Zacharia) (1)
1996-04-05
Plaats en tijd: Palestaina 2e eeuw v.Chr.- Jaargang 40
- nummer 7
In de komende tijd willen we een aantal verhalen uit de kerkgeschiedenis publiceren, zoals ze door ds. Veefkind geschreven zijn voor kinderen. Deze verhalen nemen voorlopig de plaats in van de Pastorale Notities, zij het ook dat ze niet op dezelfde plek in het blad staan. Zoals hierboven aangegeven staat, verplaatsen we ons naar de tweede eeuw voor Christus in Palestina.
"Vader, vader! de koning is niet dood, hij leeft!" Opgewonden klonk de jongensstem over het veld waar vader Jesua aan het werk was. Jesua zag hoe zijn zoon kwam aanhollen over de weg die uit het dorp de heuvels in leidde. Even later stond Mattanja voor hem, een jongen van dertien jaar met rossige haren en helder blauwe ogen.
"Zo moet ook de jonge David er uitgezien hebben", dacht Jesua dikwijls - zo heel anders dan de andere jongens van zijn leeftijd. Die hadden allemaal zwarte haren en donkere ogen. Jesua hoopte dat zijn zoon ook het geloof van David zou hebben. Soms bad hij daar in stilte om. Als hij aan het werk was op het land of als hij onderweg was naar de stad. "Vervul mijn kind met uw Geest, Heer", fluisterde hij dan, "dezelfde Geest die uw knecht David bezielde".
"Vertel nu eens rustig wat er aan de hand is", zei Jesua tot Mattanja. "Nou, vader, er waren reizigers in het dorp. Ze kwamen uit het zuiden, uit Egypte. Ze rustten uit in de herberg en lieten hun kamelen drinken bij de bron. En ze vertelden dat de koning helemaal niet dood is zoals iedereen denkt. De Romeinen hebben hem tegengehouden, dat wel.
Ze hebben hem verboden Egypte binnen te trekken, dat ook. Ze hebben zelfs geëist dat hij zou teruggaan naar zijn eigen land. Maar gedood hebben ze hem niet. Nu is hij met zijn leger op weg hierheen. En ze zeggen dat hij via Jeruzalem naar Syrië zal terugkeren."
"Is dat waar, jongen?" vroeg Jesua geschrokken, "weet je dat zeker?" "Ja, vader, die reizigers hadden zelf de koning met zijn leger naar het noorden zien trekken. Hij zou erg boos zijn op Jason en hij zou denken dat alle Joden tegen hem in opstand zijn gekomen!"
Dat wilde Jesua wel geloven. Als het waar was wat Mattanja hem vertelde, dan beloofde dit niet veel goeds voor de Joden in het algemeen en voor de stad Jeruzalem in het bijzonder. Stel je voor!
die bezeten syrische koning op zijn nummer gezet door de Romeinen! Die kwam natuurlijk briesend van kwaadheid terug, zeker nu Jason het verknoeid had voor alle Joden. Jason had voor veel geld van de Syrische koning gedaan gekregen dat deze hem tot hogepriester in Jeruzalem aanstelde.
Maar na hem had Menelaäs nog meer geld geboden en toen was hij hogepriester geworden. Jason was naar het Overjordaanse gevlucht. In het moeilijk toegankelijke bergland, in de kloven en holen, konden de mannen van de koning hem niet vinden. Op het gerucht van 's konings dood echter was Jason weer uit zijn schuilhoek tevoorschijn gekomen. Met een legertje van duizend man sterk was hij naar Jeruzalem teruggekeerd en had daar een waar bloedbad aangericht. Tegen Menelaäs had hij niet opgekund en Jason verdween dan ook weer even snel als hij verschenen was. Maar de Syrische koning kon Jasons actie inderdaad uitleggen als het sein tot een algehele opstand van de Joden. Jesua, die de tempeldienst van dichtbij kende, was verdrietig over de ontwikkelingen van de laatste jaren.
Wat werd er gesold met het heilig ambt dat Jahweh had ingesteld voor de verzoening van het volk. Alleen nakomelingen van Aäron mochten dit ambt bekleden, stond er in de wet van Mozes. En zij moesten dit doen tot de dood hen van hun taak onthief. Maar vandaag de dag werden mannen hogepriester die daar helemaal geen recht op hadden.
Niet de wet van God maar het besluit van een heidense koning bepaalde wie er priester mocht zijn en wie niet. Het heilige ambt werd verkocht voor geld zoals ook bij de heidenen gebruikelijk was. De hoge-priester was niet langer een geestelijke dienaar maar een wereldlijke machthebber. Wat moest Jahweh een verdriet hebben van zijn volk in deze tijd!