Gemeente-zijn binnenstebuiten

1996-04-19
  • Jaargang 40
  • nummer 8
Naar aanleiding van het referaat ‘Gemeente-zijn naar binnen en gemeente-zijn naar buiten’ door ds. H. de Jong.

De gemeente kent een gericht zijn naar binnen en een gericht-zijn naar buiten.
De vraag hoe die beide zich nu tot elkaar verhouden, dat was de inhoud van het referaat dat ds. De Jong hield voor de laatste ouderlingenconferentie.
Ik stemde aanvankelijk hartelijk met de inhoud in, maar na enig nadenken, en dat is iets waar ds. De Jong je altijd weer toe dwingt, ging ik iets missen.
Ik voelde een nood waarin ik niet geholpen werd.
Ik tracht mijn gemis, om het wat zwaar uit te drukken, hier weer te geven.

Wanneer de gemeente naar buiten treedt met het Evangelie, moet zij zich eerst naar binnen keren. Hiervoor gebruikt De Jong het beeld van de zandloper. Die begint van boven breed, gaat dan over in een smal deel om vervolgens weer breed uit te monden. De Here God heeft van de aanvang van hemel en aarde af de breedheid van de aarde op het oog, maar die bereikt Hij slechts via de vernauwing van Abram en Israël en tenslotte van het kruis van Zijn Zoon. Pas na de opstanding komen de einden der aarde in zicht.
De Jong onderbouwt zijn weergave van Gods werkwijze door een aantal Bijbelplaatsen.
Prachtige dingen zijn in dit gedeelte van het referaat te vinden. Dat neemt niet weg dat het mij hier en daar moeite heeft gekost, de gedachtengang van de Bijbel te volgen.
Dit deel van het referaat is niet altijd gemakkelijk. "De Bijbel is toch wel een moeilijk boek", denk je dan. De argumenten moeten van heel ver en heel diep komen.
Zeker, ik begeef mij nu op een zijpad, maar ik wil dit toch kwijt, want ik wil ds. De Jong, stellig namens velen, met nadruk zeggen: wij hebben uw gedachten en woorden in deze situatie heel hard nodig, maar wiekt u nu niet te ver bij ons vandaan alstublieft, want wij willen u graag blijven volgen.
In zijn gehele referaat blijft De Jong het beeld van de zandloper gebruiken.

Voordat de gemeente naar buiten treedt moet zij eerst naar binnen om de krisis te overwinnen, waarin zij verkeert. Pas daarna kan zij de weg naar buiten zoeken.
De gemeente moet zich niet schamen om te zeggen dat zij wegens verbouwingswerkzaamheden tijdelijk gesloten is en intussen aan een klein loket de verkoop voortzetten.
Dat is een sprekend beeld en het laat geen misverstand bestaan over wat De Jong wil.
Maar bij wat daarna volgt kreeg ik het gevoel dat ik in de steek werd gelaten.
Dat gevoel waarmee ik hierboven begon. De noodzaak van de verbouwing vloeit voort uit het feit dat de christenheid nu zelf in een krisis verkeert en niet maar een of andere kerk. Zo diep schat De Jong de huidige krisis in.
Maar ik vraag mij af of wij niet een steek dieper moeten gaan. Niet maar de christenheid maar het geloof verkeert thans in een krisis. Ik bedoel met geloof niet de inhoud van ons geloof - dat wat wij geloven - maar ons konkrete geloven.
Het geloof van Henk de Jong en dat van Jaap Kranenburg. Zulke persoonlijke zaken dwingen je bijna tot het vertrouwelijk gebruik van de voomamen, dat ds. De Jong mij stellig niet kwalijk neemt.
Ons geloof wordt nu, naar het woord van onze Heiland, gezift als de tarwe (Luk. 22 : 31). De Heer zal dit allereerst bedoeld hebben van het geloof van Zijn discipelen. Wat moet dat geschud zijn in de zeef toen Hij leed en stierf en het verloren scheen te hebben van de macht van de dood.

Maar dit alles is nu toch bezig zich te herhalen?
Hij mag er toch opnieuw niet langer bij zijn in de wetenschap, in de politiek en in duizend vragen? Hij wordt toch weer weggevoerd en opnieuw gekruisigd? En opnieuw schijnt Hij tegen dit alles niet opgewassen net als toen. Schijnt, zeg ik met nadruk. Maar toch: nu gaat ons geloven in de zift van de satan.

Ik bedoel dit niet angstaanjagend of triest, want ik weet ook van het gebed van onze Heiland dat ons geloof niet zal bezwijken, maar dat ziften gaat door! En het gebed van onze Heer is er voor nodig om het er onder uit te houden.
Ik word vaak bevangen door het gevoel dat ik de dagen beleef waarvoor de Hei land zijn discipelen zo pastoraal waarschuwde toen Hij zei: "Er zullen dagen komen dat gij zult begeren één der dagen van de Zoon des mensen te zien en gij die niet zult zien" (Luk. 17 : 22).
Want dat begeren ken ik: een dag te beleven waarop het duidelijk is voor iedereen: dat Hij regeert en niet machteloos het gebeuren ondergaat, dat Hij de redder is der armen en hun hulpgeschrei hoort, zoals wij dat graag zingen.
Ook in zulke dagen blijft mijn geloof in stand, maar ik ervaar toch waaraan Hij gedacht heeft toen Hij sprak over dat gezift worden als de tarwe.

Aan dat gezift worden kan men zich, geloof ik, ook op een onbijbelse manier onttrekken. Ik licht dit toe door een verwijzing naar Hymeneüs en Filetus uit 2 Tim. 2. Zij zijn van mening dat de opstanding reeds heeft plaatsgehad. Ze zullen bedoelen dat het nieuwe leven al volledig is ingetreden. Zij staan boven alle strijd en zonde en lijden al helemaal in het nieuwe bestaan, waar je van de wereld geen hinder meer ondervindt. Je kunt de wereld dan ook afschrijven. Wie er nog last van heeft is een probleemsjouwer.
Voor wie gelooft bestaat de wereld nog wel, maar hij wordt er niet door geraakt.

Ik denk er niet aan, te beweren dat wij geestverwanten van deze beide mannen zijn. Die gedachte is te erg. De apostel heeft één van hen zelfs aan de Satan overgegeven, zegt hij.
Maar staan wij niet aan het begin van de weg die ook Hymeneüs en Filetus zijn gegaan? Die zijn toch ook niet van vandaag op morgen tot hun dwaling vervallen?
Zij zijn een weg gegaan.
Ze zijn 'uit het spoor der waarheid geraakt', zegt de apostel. Ze zaten aanvankelijk dus wel degelijk op het goede spoor, maar zijn het bijster geraakt.
Op de splitsing waar deze twee van het goede spoor zijn afgeweken en een zijpad insloegen zie ik ons soms staan. Ik zeg nadrukkelijk 'ons', want wij dragen allen deze dwaling in de kiem gedurig met ons mee. Zij is aan niemand van ons helemaal vreemd. "De eigenlijke zonde van de mens" noemde iemand dit kwaad, en "een eeuwenbedreigend onraad".
Een beetje aarzelend, onzeker of het de goede weg wel is, zo staan wij daar.
Ik ken ook uit eigen hart en leven de neiging om de wereld achter mij te laten. Ik begrijp ook de hardnekkigheid waarmee gezangen worden bemind waarin de wereld verdwenen is. Wat is dat anders in de psalmen! Daar zijn de bozen permanent in beeld.
Over de wereld, had ik het, maar wie niet meer rekent met de wereld, rekent ook niet meer met de geschiedenis van de wereld en met de veranderingen die zich daar voltrokken. Wij kunnen immers rustig toegeven dat geloven na Auschwitz iets anders is dan geloven voor Auschwitz. Daar behoeft toch geen ketterij achter te zitten wanneer je dat zegt, al is dat wel mogelijk? Enige tijd geleden zag ik een vriend van vele jaren terug in de kerk zitten. Hij was verhuisd en ook vervreemd van de gemeente, maar hij was er weer eens.
Ik vond dat hij het slechter had kunnen treffen en vroeg na de dienst hoopvol hoe hij het gevonden had. "Het is nog net als twintig jaar terug", zei hij, "Wat ik toen hoorde werd met wat andere woorden gewoon herhaald, maar de wereld waarin ik nu leef is wel een andere." Het was een verrassing voor mij toen ik in Opbouw van 22 maart op blz. 117 een vrijwel gelijksoortige belevenis beschreven vond door Wilna Smienk-van 't Hul.
Zij had een vriendin, die al jaren niet meer in de kerk kwam, meegenomen en vroeg haar na de dienst hoe zij het had gevonden. Het antwoord was: "Het was of ik nooit ben weggeweest". Ik werd een beetje getroost toen ik dit las. Het was net of er iemand naast mij kwam zitten op het bankje waar ik mij soms erg eenzaam voel.
Zeker, de woorden zijn hedendaagser, we zijn gezangen gaan zingen, er zijn nevendiensten voor de kinderen, dominees zijn wat vrolijker gekleed. Er zijn soms allerlei probeersels.
Ik ben wel blij met deze veranderingen.
Bijzonder blij zelfs. Ik heb er zelf naar gejaagd, maar ik ben gaan inzien dat onze diensten onder deze veranderingen zo vaak alleen maar een schijn van aktualiteit gekregen hebben. Vaak zijn er antwoorden die uit lang vervlogen dagen stammen. We schieten op kazematten waaruit de vijand al lang verdwenen is.

Tieners, die zaterdagavond zijn wezen stappen, komen zondagochtend in de kerk in een andere wereld terecht dan die waarin ze een paar uur tevoren achter een pilsje zaten.
Niet vanwege de andere antwoorden, maar omdat ze er niet de vragen terugvinden waar ze het die nacht over gehad hebben.
Ik denk dat een dominee op zondagochtend in de preek best de tieners te lijf mag gaan die op zaterdag gingen stappen, maar dan moet hij er eerst achter zijn wat hen die nacht bewoog. Anders hangt zijn boodschap volledig in de lucht.
Ds. De Jong somt een aantal vragen op, die de wereld of de situatie in de wereld ons stelt en vraagt zich af wat wij in antwoord op die vragen te bieden hebben.
Maar dat zijn immers vragen die niet pas de wereld ons stelt, aan de deur van de kerk om het zo maar eens te zeggen. Dat zijn vragen waar we zelf al middenin zitten! Ik zie de homofielen niet meer in de kerk, maar ze moeten er toch zijn? Waarom houden zij zich schuil? De arts die met vragen rondom levensbeëindiging tobt zit toch ook in de kerk, maar daar kent men alleen antwoorden en blijkbaar niet zijn probleem.
De antwoorden stammen als regel uit een tijd, waarin zijn problemen nog niet bestonden.

Hij verwacht ook eigenlijk in de kerkdienst geen antwoorden, de prediker kent ook trouwens het doktersvak niet, maar de dokter mag in de kerk verwachten dat hem goede richting wordt gewezen voor het vinden van de weg in zijn problemen, en dan in woorden waaruit blijkt dat de prediker zijn wereld kent, al kent hij niet de passende antwoorden.
Soms wekken predikers de indruk dat zij ook de goede antwoorden kennen, maar die helpen de dokter alleen maar verder van huis.

Met deze en nog veel meer vragen dienen we ons nu bezig te houden, maar dat niet tijdelijk aan een klein loket zoals De Jong voorstelt maar met wijd openstaande deuren. De kerk moet zich binnenstebuiten durven keren en rustig laten horen dat ze lang niet alle antwoorden weet, maar wel de richting kan wijzen.
Als naar buiten toe zou blijken dat wij zoekend en aarzelend, en vooral biddend, in de kerk bezig zijn met dezelfde vragen als buiten de kerk, dan kan dat toch niet verborgen blijven? Het zou in elk geval mensen vasthouden die nu soms ongemerkt verdwijnen. De vriend van vroeger, waarover ik het zoëven had, zou dan misschien nog eens terugkomen.
En de oude vriendin van Wilna Smienk-van 't Hul stellig ook.
De Heilige Geest zou wel eens op verrassende wijze kunnen laten uitlekken waar wij mee bezig zijn.

En als we dan toch nog naar buiten zouden gaan met het evangelie, als daar ruimte voor komt, als dat dan nog zin heeft en als we de handen dan al niet te vol hebben, dan zou de toon toch een andere zijn dan die we nu vaak horen vanuit de evangelische hoek. Als die er dan tenminste nog is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief