"Kom vanavond met verhalen..."
1996-04-19
‘Bent u geschrokken, vader?’ vroeg Mattanja. Jesua keerde uit zijn somber gepeins terug tot de werkelijkheid. Voor hem stond zijn zoon, zijn enige die hij liefhad. En hij antwoordde naar waarheid: ‘Ja, jongen. Als het waar is wat je me vertelt, dan zal Jeruzalem wenen zoals het in de jaren niet geweend heeft’.- Jaargang 40
- nummer 8
Hij gaf het gereedschap waar hij de steenachtige bodem mee had bewerkt aan Mattanja en zei: 'Draag jij dat maar'. Zelf nam hij de zware mand met veldvruchten. En zo liepen zij beiden naar hun huisje aan de rand van het dorp. De zon begon al te dalen en de schaduwen van de heuvels werden langer. 'Waar moest u zopas aan denken?' vroeg Mattanja terwijl ze naar huis liepen.
'Aan de slechte tijd waar we in leven, jongen', antwoordde Jesua.
'Is deze tijd dan slechter dan die van vroeger?' vroeg de jongen.
'Zo zou je het kunnen zeggen, maar ik denk niet dat het verstandig is om zoiets te zeggen. Want eigenlijk is de tijd helemaal niet slecht. De tijd is een gave van God en daarom is de tijd altijd goed. Maar de mensen gebruiken de tijd soms heel slecht. En dat bedoelde ik met de slechte tijd waar we in leven'.
'Gebruikten de mensen de tijd vroeger dan beter?' vroeg Mattanja.
'Weet je, er zijn tijden geweest dat wij, Joden, God dienden zoals Hij dat van ons vraagt. Dat waren goede tijden.
Toen zegende Jahweh ons. Maar de laatste jaren is dat niet meer zo en ik denk dat Hij ons daarvoor gaat straffen.
De meesten van ons volk gaan met hun tijd mee zoals ze dat noemen.
Natuurlijk is dat niet waar: ze gaan niet met hun tijd mee: de tijd is goed, dat zei ik al. Maar ze gaan met zichzelf mee, en wij mensen hebben het in ons om de verkeerde kant op te gaan'.
'Hoe is dat zo gekomen, vader?' vroeg de jongen. 'Vertelt u daar eens wat over?' 'Een andere keer dan maar',
zei Jesua, 'Nu zijn we thuis. Berg het gereedschap maar op en leg een vuur aan. Dan zal ik voor het avondeten zorgen'.
Jesua sprak de zegen uit: 'Geprezen zijt Gij, Jahweh, God van Abraham, God van Isaäk, God van Jakob, hoogste God, Schepper des hemels en der aarde, ons schild en het schild van onze vaderen! Leg vrede op uw volk Israël en zegen ons allen. Geprezen zijt Gij, Jahweh, die vrede schept!'
Zwijgend gebruikten vader en zoon het geroosterde koren, het vlees, de vruchtenmoes, de landwijn.
Goud en rood ging de zon onder. Snel viel de duisternis.
Jesua pakte zijn harp en tokkelde enkele akkoorden, oude bekende melodieën en flarden van nieuwe wijzen die hij met het tempel koor zou instuderen.
Mattanja luisterde ernaar. Zijn vader was erg muzikaal. Hij was een van de belangrijkste medewerkers aan het tempel koor. En Mattanja was trots op zijn vader, als het koor weer eens zo prachtig gezongen had: 'Looft Jahweh, want Hij is goed, want zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid'.
Mattanja had thuis alles al gehoord.
Stukje bij beetje was de muziek onder vaders handen gegroeid. De mooiste melodieën klonken door hun kleine huis. Maar het mooist waren de wijzen toch als tientallen, honderden zangers ze hadden aangeleerd en overgenomen - als zij in de ruimte lieten klinken wat in de stilte was bedacht.
Toen zijn vader klaar was, durfde Mattanja vragen: 'Mag ik morgen met u mee, vader, als u naar Jeruzalem gaat?' En hij dacht: 'Misschien horen we daar wat meer over de syrische koning, misschien zien we hem zelf wel'.
Jesua vond het goed. Hij besefte dat er deze keer grote gevaren verbonden waren aan een verblijf in de stad.
Maar aan de andere kant wilde hij de jongen ook niet alleen in het dorp achterlaten.
Stel je voor dat de syrische troepen hier doorheen zouden trekken!
'Goed', zei hij daarom, 'maar blijf bij me in de buurt!'