Niet door geweld maar door Geest (Zacharia) (3)

1996-05-03
  • Jaargang 40
  • nummer 9
De volgende morgen gingen Jesua en Mattanja al vroeg op weg naar Jeruzalem. Jesua vond het altijd moeilijk om van huis weg te gaan, omdat hij dan moest denken aan de tijd dat zijn vrouw nog leefde. ‘Vrede!’ riep ze hem na, en ze bleef kijken tot hij achter de rand van de heuvel verdwenen was. Ook daarom vond hij het fijn dat zijn zoon bij hem was. Het heden deed hem het verleden een beetje vergeten.

Het dorp Modeïn lag een paar uur lopen ten noordwesten van Jeruzalem. Nog vóór het heetst van de dag konden ze in de tempel zijn. En vóór de avond viel kon het koor z'n eerste repetitie houden.
"Vader", zei Mattanja toen ze Modeïn uitliepen, "U zou me nog van vroeger vertellen. Het duurt nog zó'n poos voor we in Jeruzalem zijn: kunt u het nu, onderweg, niet doen?"
"O, dat is goed...", antwoordde Jesua.
Het was de taak van een leviet om het volk van God les te geven in de wet van God. En wat was er fijner voor een vader dan om z'n eigen kind over de wegen van Jahweh te vertellen? Hij dacht aan wat Mozes eeuwen geleden tot de Israëlieten had gezegd: .Als uw zoon later aan u vraagt: 'Wat is het nut van de wetten, die Jahweh, onze God, ons heeft gegeven?', dan moet u hem van antwoord dienen. U moet ze uw kinderen inprenten en erover praten als u thuis bent of als u buiten loopt. Ja, ook tijdens het opstaan en naar bed gaan."
Hij was blij dat zijn kind zo geïnteresseerd was. En dat hij mocht vertellen wat Jahweh in de loop van de geschiedenis voor Israël had gedaan. En wat hijzelf in de loop van zijn leven had geleerd. En dus stak hij van wal...
"Je weet, Mattanja, dat vele honderden jaren geleden onze voorouders ongehoorzaam zijn geweest aan Jahweh. De profeten waarschuwden hen. Ik bedoel niet de ontrouwe profeten. Die praatten de mensen naar de mond. Die riepen: 'Vrede, vrede! Niets aan de hand, mensen, geen gevaar!' Maar ik bedoel de trouwe profeten. Die zeiden wat God op zijn hart had: 'Als jullie je leven niet veranderen, zal God je straffen!' En déze profeten kregen gelijk. De straf kwam.
Jeruzalem werd verwoest, de tempel geplunderd, het volk weggevoerd naar Babel. En daar, in de ballingschap, ondervonden onze voorouders aan den lijve dat Jahweh niet met zich laat spotten.
De trouwe profeten kregen inderdaad gelijk! Ja, dat was het mooie dat God in die donkere tijd aan ons volk heeft geleerd. Zijn woorden komen uit.
Hij doet wat Hij zegt. Dat is de les die wij, Joden, in de ballingschap hebben geleerd. Je moet eerbiedig en gelovig omgaan met de woorden van God.
Toen later een deel van ons volk terugkeerde in Juda en Jeruzalem, hadden ze dan ook respect voor God en zijn woord. Onze voorouders waren zuinig geworden op de woorden van Jahweh.
Ze verzamelden de vijf boeken van Mozes, de profeten en de psalmen. Ze lazen en bestudeerden die boeken. Het was een goede tijd: licht, dat de Geest van God uit het donker van de ballingschap tevoorschijn had getoverd. Je weet ook, Mattanja, aan wie wij menselijkerwijs gesproken de terugkeer naar ons eigen land te danken hadden. Dat was de koning van Perzië. Perzië nam de macht van Babylonië over. Zo hardvochtig als de Babyloniërs voor overwonnen volken waren, zo vriendelijk behandelden de Perzen hen. Babel regeerde met geweld, Perzië met geduld. En hiermee hebben de Perzen de andere volken voor zich gewonnen.
Maar twee eeuwen later kwam er weer een grote verandering. Toen raasde de jonge griekse koning Alexander als een stormwind over de wereld. Hij viel met zijn sterke legers het perzische rijk binnen.
Dit stortte als een slecht gebouwde loofhut in elkaar. Weer won het geweld het van het geduld. Toch was dit het ergste nog niet. Geweld doet pijn van buiten, maar er Is een wapen dat pijn doet van binnen. En dat wapen hanteerde de griekse koning..."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief