Over huwelijk en echtscheiding
1996-10-04
Nu wij via de pers allemaal getuige hebben kunnen zijn van het getob op de vrijgemaakte synode van Berkel en Rodenrijs bij de behandeling van het echtscheidingsvraagstuk, heb ik de vrijmoedigheid een nota te publiceren die (enkele wijzigingen voorbehouden) gediend heeft op een studiedag van onze Theologische Studiebegeleiding, waar de vergelijking tussen de verschillende evangelies als onderwerp aan de orde was. Aan een uitgewerkt voorbeeld wilde ik namelijk duidelijk maken hoe ik zelf daarmee omga. Toevallig betrof dit voorbeeld hetzelfde onderwerp als waar het op de synode over ging.- Jaargang 40
- nummer 20
Wie nu vindt dat hier wat vrij met de Schrift wordt omgegaan realisere zich voortdurend wat het alternatief is (waar de diskussies en de besluiten van genoemde kerkvergadering een luid en duidelijk getuigenis van aflegden): een krampachtig wrikken en buigen aan bijbelteksten om die geschikt te maken voor een bewijslast die ze niet kunnen dragen. En wie nu zegt dat dat toch nog wel anders kan, antwoord ik dat het voor mij vast staat dat de vrijgemaakten in zulke gevallen het beste ter tafel brengen wat op fundamentalistisch standpunt haalbaar is. Mijn paper overlapt trouwens niet de hele diskussie ter synode; aan de tekst I Korintiërs 7:12v die er een grote rol in speelde, is slechts in het voorbijgaan aandacht besteed. Maar er blijft genoeg over dat als bijdrage aan het gesprek gezien kan worden. Aanvullend bij het onderwerp 'De drie synoptische evangelies in verhouding tot elkaar' - een casus a) Los van het paper dat jullie (deelnemers studiedag TSB - red.) eerder van mij ontvangen hebben, wil ik voor vanmorgen nog een apart punt aansnijden. Dat is een vergelijking van de huwelijksteksten bij Matteüs, Markus en Lukas. Eigenlijk gaat het me slechts om die teksten welke een uitspraak van de Meester bevatten over de echtscheiding. De betreffende plaatsen zijn deze:
1. Matt. 5:31/2: ,,(Er is ook gezegd: AI wie zijn vrouw wegzendt moet haar een scheidbrief geven.) Maar Ik zeg u: Een ieder die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt dat er echtbreuk met haar gepleegd wordt; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk."
2. Matt. 19:9:' "Doch Ik zeg u: Wie zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan hoererij en een andere trouwt, pleegt echtbreuk."
3. Mark. 10:11/2: "En Hij zeide tot hen: Wie zijn vrouw wegzendt en een andere trouwt, pleegt echtbreuk ten opzichte van haar; en indien zij haar man verlaat en een andere trouwt, pleegt zij echtbreuk."
4. Luk. 16:18: "En ieder die zijn vrouw wegzendt en een andere trouwt, pleegt echtbreuk; en wie een vrouw die door haar man weggezonden is trouwt, pleegt echtbreuk."
b) Vooral het verschil tussen Matteüs en Markus is hier opvallend. Dit verschil is drieërlei. Eerst al dat Matteüs (althans in 5 : 32), anders dan Markus, ook aandacht geeft aan wat er met de vrouw gebeurt na haar wegzending. Wie namelijk zo'n weggezondene trouwt pleegt ook echtbreuk, zegt hij. (Zie ook bij Lukas.) Dan is vervolgens bij Matteüs kenmerkend dat hij zowel in hfst 5 als in hfst 19 de stipulatie toevoegt 'om geen andere reden dan hoererij of ontucht (in beide gevallen wordt in het Grieks hetzelfde woord porneia gebruikt). En tenslotte is het meest opvallende verschil dat er bij Markus van een wederkerigheid sprake is die bij Matteüs ontbreekt.
Bij Markus zendt niet alleen de man de vrouw weg, maar ook de vrouw de man. Dat laatste wordt in de vertaling van het NBG verdoezeld doordat in het geval van het handelen van de vrouw het werkwoord 'verlaten' gebruikt wordt (ook Groot Nieuws: 'in de steek laten'). Ten onrechte, want in het Grieks wordt hetzelfde werkwoord gebruikt als voor het wegzenden van de vrouw door de man in het voorgaande vs 11, namelijk apoluein, een technische term voor het wegzenden uit het huwelijk. Walter Bauer vertaalt: .Dern Mann den Laufpasz geben" en voegt toe: "Das ist freilich nicht jüd. (...), sondern griech.-röm. Brauch". Inderdaad was onder de pagane beschaafde volken de vrouw vrijer in haar huwelijksbewegingen dan bij de Joden. Ook Paulus kent in de situatie van de Korintische gemeente het verstoten (aphiena/) van de huwelijkspartner in wederkerige zin: De man moest het niet onnodig doen en de vrouw ook niet (I Kor. 7:12, 13). De rabbijnen zeiden dat de heidense vrouwen deze vrijheid van handelen toekwam omdat zij als niet-Joden niet onder het gebod van Dtr. 24:1 - 4 stonden, - het gebod dat echtscheiding tot het alleenrecht van de man maakte. (Het praktische alleenrecht, want er waren enkele randgevallen waarin het ook de vrouw geoorloofd was het initiatief tot scheiden te nemen, zie Strack-Billerbeck bij Mark. 10.)
c) Het is aannemelijk dat deze verschillen en met name het laatste en grootste verschil tussen Matteüs en Markus verklaard moeten worden uit de uiteenlopende kulturele achtergrond van de twee evangelies. Matteüs schreef voor de Joden en ging uit van het praktische alleenrecht van de man om zijn vrouw uit het huwelijk weg te sturen. Jezus neemt in het eerste evangelie dan dáártegenover de praktisch rechteloze vrouw in de Joodse samenleving in bescherming tegen de willekeur die uit dat mannelijke alleenrecht was ontstaan. Hij waarschuwt de mannen uitdrukkelijk dit erge van een wegzending (om allerlei oorzaak) hun vrouwen niet aan te doen.
In dit waarschuwingsverband past ook de uitzondering, dat de man van zijn recht wel gebruik mocht maken als zijn vrouw zelf de fundamenten van het huwelijk had aangetast door hoererij of ontucht. De enige uitzondering, wel te verstaan, want het kon gewoon niet lijden om, gegeven het echtscheidingsgemak bij de Joden, meer openingen in de richting van de huwelijksbeëindiging te maken. Ook de belangstelling van Matteüs voor wat er na de wegzending met de vrouw kon gebeuren, dat namelijk een andere man haar net zo lichtvaardig tot vrouw kon nemen als de eerste man haar uit het huwelijk had weggestuurd, past in het kader van die bescherming van de vrouw. Markus daarentegen heeft de Grieks-Romeinse cultuur (met name die van Rome waar dit evangelie als neerslag van Petrus' prediking ontstaan is) tot achtergrond en zijn evangelie richt zich daarom gelijkelijk tegen de lichtvaardigheid in het echtscheiden bij mannen en vrouwen. Zowel de man als de vrouw die dat doet pleegt echtbreuk. De stipulatie 'om geen andere reden dan hoererij of ontucht' ontbreekt bij hem omdat in een kultuur waarin het huwelijk een relatie van wederkerigheid is, er meer redenen dan ontucht kunnen zijn om, bij onderlinge overeenkomst, uiteen te gaan dan in een kultuur die gestempeld is door de eenzijdige huwelijkssluiting door de man, zoals bij de Joden het geval was. Het kriterium is dan immers of men zich aan de onderlinge afspraken gehouden heeft, ja of nee. De wederkerigheid zelf is dan de grens die aan het echtscheidingsverbod gesteld is.
d) Het is heel opmerkelijk dat Markus in zijn weergave van Jezus' onderwijs zich heeft aangepast aan de niet-Joodse kultuur van zijn eerste lezers en daarvoor de (vermoedelijke) Wortlaut van Jezus' woorden heeft durven opgeven. Het illustreert hoe vrij de evangelisten zich hebben gevoeld om met de traditiestof in hun handen zo te schrijven dat zij hun gehoor bereikten. Zij hebben zich niet verplicht geweten tot een recorderachtige weergave van Jezus' woorden. Mogen wij dit nadoen? Mogen we bijvoorbeeld de reeks van Paulus: "In Christus is noch Jood noch Griek, noch slaaf noch vrije, noch mannelijk noch vrouwelijk ..." (Gal. 3:28) in die zin aanvullen dat wij met niet minder gezag dan dat van de Schrift zelf zeggen: In Christus is noch blank noch zwart? Interessante vraag! Het zou betekenen dat wat met goede gronden uit de Schrift wordt afgeleid, met hetzelfde gezag als dat van de Schrift zelf bekleed is - een in onze kringen zeer sterk aangevochten stelling waar ik het evenwel in stilte steeds voor opgenomen heb, zoals ik onlangs bij mijzelf vaststelde. Vandaar dat ik, in zaken die er echt toe doen, niet zoveel verschil maak tussen het gezag van de Schrift en van de Belijdenis.
Niet erg Nederlands Gereformeerd, geef ik toe. In ieder geval geeft wat Markus doet te denken.
e) Onze huwelijkskultuur heeft zich langzamerhand ontwikkeld van de eenzijdigheid van het begin - waarin alle 'primitieve' beschavingen gelijkenis vertonen met die van de oudtestamentische Schrift - naar de wederkerigheid van de Grieks/Romeinse beschaving. Vandaar dat het nu nog vasthouden aan de stipulatie 'om geen andere reden dan hoererij of ontucht' voor grote problemen zorgt. Veel gelieg en geknoei is daarvan het gevolg geweest. Men forceerde of simuleerde zelfs wel het overspel om maar van elkaar af te kunnen komen.
Stuitend, gewoon! En dan zwijgen we nog maar over degenen die met een kwaad geweten over hun echtscheiding rondlopen waartoe zij ook zonder dat er sprake was van hoererij of ontucht wel genoodzaakt waren, bijvoorbeeld omdat de partner verslaafd was aan de alcohol of aan de drugs en de andere partij bij het aanhouden van de huwelijksband in de afgrond van die verslaving dreigde te worden meegesleurd. De stipulatie 'Om geen andere reden dan om hoererij' is (moeten wij verstaan) een uitzondering die thuis hoort in de scherpe waarschuwing aan de mannen destijds om van hun alleenrecht tot echtscheiding niet dan bij hoge uitzondering gebruik te maken. Het is daardoor echt een ondergrens.
f) Wat echter in alle kulturen van Jezus' onderwijs recht overeind blijft staan is dat er nooit of te nimmer lichtvaardig tot echtscheiding mag worden overgegaan. Het huwelijk als hoedster van de prachtige polariteit tussen mannelijk en vrouwelijk - en als zodanig de beschermvrouwe van de eenheid in verscheidenheid op álle gebied! - èn het huwelijk als bescherming van de kinderen is daarvoor veel te belangrijk. Het woord van de Here God bij de profeet Maleachi "Ik haat de echtscheiding" (2:16) is door de Heiland in zijn onderwijs over het huwelijk tot uitgangspunt genomen. De kerk moet in die lijn verder gaan, maar ook niet verder gaan. Zij pakt de zaak dan geestelijk aan. Echtscheidingsgezind immers kan niemand worden die het huwelijk als één van de mooiste gaven van God aan de mensen in ontvangst neemt.
g) Wat tenslotte Lukas betreft zou overwogen kunnen worden dat hoewel hij voor de Griek Teofilus schreef, wat tot overname van Markus' in plaats van Matteüs' optie had kunnen leiden, deze evangelist zijn heidense catechisant vooral eerbied voor de Joodse achtergrond van ons geloof heeft willen bijbrengen.
Dat blijkt niet alleen hier maar ook in tal van andere zaken. Vandaar dan dat hij in dezen dichter bij Matteüs dan bij Markus staat en uitsluitend voor het mannelijke gezichtspunt kiest. Zie je het niet vaker dat pas-bekeerden een fase doormaken van angstvallig bijbelgebruik? Ze moeten in korte tijd het Oude Testament als het ware inhalen.
Lukas heeft dan pastoraal met de catechumeen Teofilus op willen lopen door aan die behoefte tegemoet te komen. Overigens: de stipulatie 'om geen andere reden dan hoererij' ontbreekt ook bij Lukas. Lukas zou dan op dit punt tussen Matteüs en Markus in staan.