Op weg naar hereniging? (1)

1996-10-18
  • Jaargang 40
  • nummer 21
De vrijgemaakte synode van Berkel en Rodenrijs heeft besloten het landelijke overleg met onze kerken stop te zetten. Ogenschijnlijk staan we nog net zo ver van elkaar af als dertig jaar geleden. Maar is dat werkelijk zo? Zelf heb ik de indruk dat onze kerkverbanden de laatste dertig jaar nog niet zo dicht bij elkaar gestaan hebben als nu. Kort en krachtig hebben zowel Ad de Boer en ds. Willem Smouter hierover reeds iets in Opbouw geschreven. In een drietal artikelen hoop ook ik een bedrage aan de voortgang van het gesprek te geven.

Nog steeds hoop ik, dat het zo spoedig mogelijk als verantwoord is mag komen tot een kerkelijke hereniging met de Gereformeerde Kerken(vrijgemaakt). De gedachte aan een dergelijke hereniging spreekt me heel diep aan, ontroert me zelfs. Nu kan ik me goed voorstellen, dat velen van ons, die in juni voor de zoveelste keer in hun leven door een besluit van een Gereformeerde synode gekwetst werden, me dit niet zomaar zullen naspreken. Het klinkt zó zinnig en amechtig, dat je je afvraagt: Wat zit hier achter? Zou die man daar soms familie hebben? Nee, niemand van mijn naaste familie is vrijgemaakt en ook heb ik er geen vriendschapsbanden, wèl inmiddels enkele hartelijke contacten. Hebben we dan te maken met iemand die diep verontrust is over de koers van de eigen kerken en in een hereniging met de GKV - laten we maar op afkortingen overgaan - een manier ziet om de NGK in veilig kerkelijk vaarwater te brengen?
Nee, los van de vraag of ergens ter wereld 'veilig kerkelijk vaarwater' te vinden is, ik voel me binnen onze kerken reuze thuis en ben dankbaar voor het werk van de Heilige Geest, dat ook in onze kwetsbare kerken zichtbaar mag worden. Zitten er dan strategische overwegingen achter, een tactische manoeuvre ter versterking van de positie van de kerk in de samenleving? Zelfs dat niet, al ben ik wel van mening, dat het beide kerken goed zou doen als ze iets meer van elkaar zouden hebben.

Geestelijke motieven
Nee, het verlangen naar eenheid met de GKV is eenvoudig aan het evangelie van Jezus Christus ontsproten. Het besef, dat Jezus Christus de Zoon van God er de dood voor doorging om ten eerste God en mens en in één beweging hiermee de mensen onderling te verzoenen, ligt aan de basis ervan. De huidige situatie van een verscheurd kerkelijk leven vloekt zo afschuwelijk met het wonder dat Hij tot stand bracht aan het kruis, dat ik niet anders kan dan hopen op, bidden voor en streven naar een kerkelijke hereniging. Tussen haakjes, dit betekent wat mij betreft niet, dat we na een hereniging met de GKV op onze oecumenische lauweren kunnen gaan rusten. En dan denk ik niet alleen aan onze relatie met de Christelijke Geref. Kerkenhet spreekt m.i, voor zich, dat we elkaar op plaatselijk vlak blijven zoeken -, maar ook aan de vele andere volgelingen van Christus, die aanspreekbaar zijn op Zijn Woord, ook als ze niet de naam 'Gereformeerd' dragen.
"Met allen die allerwege de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen" (1Cor.1 :2) zijn we immers verbonden?
Maar waarom dan in het bijzonder naar eenheid met de GKV streven? Ook hiervoor heb ik geestelijk motief.
Zou kerkelijke hereniging geen schitterend geschenk zijn, dat we samen de HERE God kunnen aanbieden? Zou het geen machtig offer van dankbaarheid zijn, dat we de HERE opdragen uit pure liefde voor het offer dat Hij in Zijn Zoon gebracht heeft? Broeders en zusters, die leven van het verzoenend bloed en die om die reden de scheuren uit het verleden dichten. Ik zie dit als het voldoen van een ereschuld aan de HERE, die losstaat van enig persoonlijk gewin, al ben ik er diep van overtuigd, dat de vrucht van een hereniging tot grote zegen voor onze kerken zal zijn.

Irrealistisch?
Maar nu een vraag: hoe realistisch is dit verlangen? Gebiedt de eerlijkheid niet te zeggen, dat er tussen 'onze' kerken een kloof ligt, die vooralsnog onoverkomelijk is? Een kloof, die er sinds 'Berkel' bepaald ook niet kleiner op geworden is? Deze vraag brengt me bij één van mijn bedoelingen met de komende artikelenserie. De suggestie die van het besluit te Berkel uitgaat, is m.i. slechts schijn en er zijn goede redenen voor aan te voeren dat de feitelijke situatie eerder omgekeerd ligt. Juist de synode van Berkel laat zien, dat we de laatste jaren in rap tempo naar elkaar zijn toegegroeid.

'In de vrijheid van de kerken'
Laat ik beginnen met te wijzen op een doorgaande lijn in de besluitvorming. Een lijn, die zich al begon af te tekenen op de Generale Synode van Ommen 1993, maar die te Berkel is doorgetrokken. Deze, dat de synode een behoorlijk aantal - soms niet onbelangrijke - zaken, in de vrijheid van de kerken heeft gelaten. Zo heeft het de duidelijke voorkeur van de synode, dat ouderlingen de gemeente na een leesdienst zegenen - liefst door middel van handoplegging -, maar van een verplichting hiertoe spreekt de synode niet. Ook heeft de synode een verzoek van de classis Harderwijk om duidelijkheid te verschaffen t.a.v. de viering van het Heilig Avondmaal met langdurig zieken thuis niet in behandeling genomen, omdat 'Harderwijk' dit zelf maar moet oplossen. Verder kunnen bruidsparen sinds 'Berkel' kiezen tussen het 'oude' huwelijksformulier (uit 1981!) en een nieuw formulier waarin o.a. het woord 'onderdanigheid' is weggelaten en het rolpatroon van de man en de vrouw minder scherp is geprofileerd. Het gebruik van het nieuwe formulier wordt overigens in de vrijheid van de kerken gelaten.
Dan was er een uitvoerige bezinning op meer liturgische vrijheden, die er toe geleid heeft, dat enkele variaties op de bestaande orden van dienst zijn toegestaan. Tevens is besloten, dat de komende jaren verder gewerkt zal worden aan nog meer variatiemogelijkheden in de eredienst. Uit deze besluiten blijkt, dat plaatselijke gemeenten steeds meer ruimte krijgen om bepaalde aspecten van het gemeentelijke leven binnen bepaalde grenzen naar eigen inzicht in te richten.
Dit is daarom zo opvallend, omdat de GKV tot voor kort voor wat betreft de inrichting van het kerkelijke leven bewust een bijna monolitisch geheel hebben gevormd. Het mocht immers niet zo zijn, dat iemand die van de ene naar de andere plaats verhuisde het gevoel zou krijgen, niet meer in precies dezelfde kerk te zitten ... Klaarblijkelijk is hieraan wat veranderd. Tussen de ene vrijgemaakte kerk en de andere zijn behoorlijke verschillen ontstaan.
En hoe gaan de broeders met deze verschillen om? Men drijft ze niet door synodale beslissingen op de spits, maar stelt de plaatselijke gemeente in de gelegenheid om - binnen bepaalde grenzen - een eigen koers uit te zetten. Het is bij de Nederlands Gereformeerden af ... Ik kan deze ontwikkeling alleen maar toejuichen. Het is m.i. geen teken van zwakte, maar van kracht, van geestelijke rijpheid om elkaar op zaken waarbij de trouw aan het evangelie niet in het geding is vrij te laten. Ook echter met het oog op een kerkelijke hereniging is het verheugend, dat de GKV een kerkelijke stijl ontwikkelen, waarin wij ons kunnen herkennen en vinden. En als deze ontwikkeling zich voortzet - en daar ziet het naar uit - dan kan het haast niet anders of het klassieke verwijt dat wij 'independentistisch' zouden zijn, verliest zijn kracht. Sterker er kan op een gegeven moment een ruimte zijn, zo groot, dat wij als Nederlands Gereformeerden het gevoel krijgen daarin moeiteloos 'onszelf' te kunnen zijn.

Onderscheiden waarop het aankomt
Er zit aan deze ontwikkeling binnen de GKV nóg een positieve kant. Er valt uit op te maken, dat de GKV de gave van het onderscheiden van geesten beginnen te ontwikkelen door te onderscheiden tussen zaken waarop het wel en zaken waarop het niet aankomt. Lange tijd was men hiertoe door een zeer massief denken niet in staat. M.i. is dat de belangrijkste oorzaak van de breuk in de zestiger jaren geweest. Uit de vrijheid die men momenteel aan de plaatselijke gemeenten gunt, blijkt echter, dat men werkelijk werk maakt van de oerbijbelse notie, dat niet alle zaken in het kerkelijke leven van een gelijk soortelijk gewicht zijn. Opnieuw, hoe verheugend is deze ontwikkeling!

De zegenende ouderling
Maar nu kan ik me voorstellen, dat iemand tegenwerpt: Ja, maar waarin laten ze elkaar vrij? In feite toch alleen maar in enkele kleine uiterlijkheden? Nou, daar denk ik anders over. Ten eerste omdat zg. uiterlijkheden nooit alleen maar uiterlijk zijn, maar altijd met een inhoudelijke argumentatie samenhangen. Ten tweede omdat aan sommige besluiten meer vastzit, dan je op het eerste gezicht zou denken. Laat ik dit illustreren aan het besluit dat ouderlingen bij afwezigheid van een predikant de gemeente door handoplegging hebben te zegenen. Dit besluit opent m.i. direct de mogelijkheid om een ouderling te betrekken bij de handoplegging van een dienaar des Woords in een bevestigingsdienst. Een mogelijkheid die totnogtoe uitsluitend aan predikanten is voorbehouden.
Nu de ambtelijke zegen echter ook door de ouderling gegeven mag worden, kan het niet anders of de weg hiertoe is nu geopend. Zelf ben ik er overigens al heel lang een warm voorstander van een ouderling bij die handoplegging te betrekken. Toen ik bevestigd werd als predikant van Breukelen heeft de voorzitter van de kerkenraad daaraan op mijn verzoek óók deelgenomen. Tot op de huidige dag begrijp ik werkelijk niet, dat de gemeente waaraan een predikant verbonden wordt slechts toeschouwer van de handoplegging is. Maar dat terzijde. Ook wil ik er op wijzen, dat de stap naar het door een ouderling - bij onverwachte afwezigheid van een predikant - laten bedienen van het heilig avondmaal of de doop niet groot meer is. Het opleggen van handen en het bedienen van de sacramenten liggen ambtelijk gezien heel dicht bij elkaar.
Het is eigenlijk niet denkbaar, dat een ambtsdrager die de handen mag opleggen, de sacramenten niet zou mogen bedienen. Wat ik hiermee wil laten zien is, dat het besluit van de synode bepaald geen sinecure is. En toch legt men het besluit niet als een verplichting aan de kerken op. Zo iets geeft mij moed voor de toekomst. Het kan haast niet anders of de wijze waarop de vrijgemaakten omgaan met de inhoudelijke verschillen, die achter de uiterlijke verschillen schuilgaan, moet vroeg of laat gevolgen hebben voor hun kijk op de wijze waarop wij dienaren des Woords aan de drie formulieren van eenheid binden ....

Maar de Schrift dan?
Ach, misschien ben ik blind van optimisme en is het wishful thinking dat mij doet doordraven. Want laten we wel wezen, vooralsnog wordt de binding aan de drie formulieren van eenheid door de GKV veel te slap geacht.
En ook al hebben we inmiddels een ondertekeningsformulier waarvan gezegd wordt dat het in hoofdlijnen gereformeerd is (jazeker, aldus ds. P. Groenenberg in het Gereformeerd Kerkblad, 31 aug.1996, en dat van een typisch Nederlands Gereformeerd formulier, dat op enkele niet onbelangrijke punten afwijkt van het Dordtse ondertekeningsformulier!), zijn er desondanks geen zaken die wel degelijk de kern uitmaken, maar waaraan binnen onze kerken toch geknabbeld kan worden? Ja, hebben de GKV , eigenlijk niet gelijk als ze zeggen dat zelfs de Heilige Schrift in ons midden niet meer veilig is? Is het niet zo, dat ds. Telder een klein visje is, vergeleken bij de grote vissen, die momenteel door de wijde mazen van ons Akkoord van Kerkelijk Samenleven heenzwemmen? Hierover de volgende keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief