De vogel en de haas
1996-10-18
Er waren eens een vogel en een haas die bevriend raakten. Dat is vreemd, ik geef het onmiddellijk toe. De wederzijdse ouders waren er ook niet mee ingenomen. Ze waarschuwden hun kinderen.- Jaargang 40
- nummer 21
"Zijn er geen haasjes om mee te spelen?", vroeg de hazenmoeder. "Jawel", zei haar haasje, "dat doe ik toch ook wel. Maar er is zoveel meer dan haasje over spelen. Door mijn vriendje vogel kan ik tot in de boomtoppen kijken." "Doe niet zo gek," zei de moedergeschrokken, "je gaat toch niet uitvliegen? Doe niet zo mal." "Nee," zei het haasje, "ik vlieg zelf niet, het vogeltje vliegt en zo zie ik van alles."
"Hij vertelt je van alles zeker?", zei de moeder.
"Ja, dat zei ik toch?", vroeg het haasje.
"Nee, je zei dat je van alles zag."
"Dat is hetzelfde."
"Dat is niet hetzelfde. Je moet je wat voorzichtiger uitdrukken, anders ga ik nog denken dat je jokt", zei de moeder streng. Dat kwam omdat ze een beetje ongerust was.
Het haasje zei niks terug natuurlijk en hield zich een dagje heel rustig. Die avond had de hazenmoeder het erover met de hazenvader, die, zoals we allemaal weten, vreemd genoeg rammelaar heet.
"Ach", zei de vader, "laat hem toch.
Als het nou een vriendschap met een koe was, dan zou ik me zorgen maken. Doe gewoon of je niks ziet. Je naam is haas. Het vliegt wel over." De moeder probeerde uiteraard te doen wat de vader zei, maar ergens ver weg, waren die zorgen toch niet helemaal verdwenen. Ook de vogelmoeder had haar twijfels en tjilpte ze uit tegen haar gevederde gemaal.
"Ach wat," zei die, "lege nestsyndroom, schat. Vroeg of laat zoekt soort soort wel weer op. Je maakt je zorgen om niks."
Zo kregen de haas en de vogel alle gelegenheid voor hun vriendschap.
Hoera voor de vaders. Ze troffen elkaar dagelijks bij een boom, waar de haas dan onder en de vogel in zat. Ze spraken een mengeling van haze- en vogeltaal. Vraag me niet hoe, want zoiets verzin je niet, dat doe je gewoon als je het echt wilt. "Vertel eens", zei de haas dan meestal, "hoe ziet het er van boven uit vandaag?"
En de vogel vertelde :' wat zij gezien had. Sinds zij daar zo regelmatig over vertelde, leek het wel of zij steeds meer zag en beleefde. De haas luisterde, met zijn ogen dicht en warempel, hij zag het allemaal, wat zijn moeder ook beweerde. Want de vogel kon goed vertellen en de haas kon goed kijken met zijn ogen dicht.
Als de vogel uitgetjilpt was en de haas nog wat verhelderende vragen had gesteld en commentaar gegeven, dan ging de haas vertellen. De vogel hield daar haar ogen bij open, want ze kon dicht bij de grond komen en daarover vertelde de haas. "Tjonge jonge jonge", zei de vogel dikwijls. "Het lijkt zo saai van bovenaf, maar als je werkelijk op de grond woont, moet het heel anders zijn. Ik ben zo blij met jou, lieve haas. Het bos krijgt door jou meer diepte."
"Het krijgt door jou meer hoogte", antwoordde de haas dankbaar. Ondertussen zaten de moeders stiekem te wachten op een crisis, want dit kon niet goed gaan en ze kregen gelijk. Op een dag sprong de haas door het bos op weg naar de boom van de vriendschap. Hij sprong en sprong en probeerde zich in te denken dat hij een vogel was en hoog over alles heen vloog. Stom natuurlijk, stom! Hij klapte dan ook pardoes tegen een boom, want laag bij de grond kom je een boel meer weerstand tegen dan hoog in de lucht. Het kwam zo hard aan dat de haas versuft bleef liggen. Het duurde niet lang voor de vogel hem vond. Op de een of andere manier voelt een vriend waar hij wezen moet.
"Lieve help, lieve help", tjilpte het vogeltje. "Wat is er lief haasje? Heb je pijn?"
De haas knikte moeilijk van ja. "Ik ga iets halen", piepte het vogeltje zenuwachtig en vloog weg. Ze hoorde niet dat het haasje "Nee, nee" zuchtte. Ze was er in een mum van tijd weer, streek neer vlak voor het open hazenbekje en probeerde er een wormpje in te stoppen. Het haasje had het zo gauw niet in de gaten, want hij had zijn ogen dicht, dus hij moest vreselijk hoesten en proesten en spugen en het vogeltje sprong van schrik op een tak. "Niet lekker?", piepte ze benauwd. "Nee", proestte de haas, "ik ben geen vogel. Ik was bijna gestikt."
Het vogeltje voelde zich vreselijk bezwaard en vreselijk bezorgd. "Wat moet ik doen?", vroeg ze.
"Ik moet hier weg", hijgde de haas "en ik kan niet. Ik lig hier zo voor het opeten.
Ik moet naar mijn leger. Je moet me er heen slepen."
Het vogeltje begon aan het hazenvel te trekken, maar dat had natuurlijk geen enkel effect. "Het gaat niet", jammerde ze.
"Haal mijn ouders", zuchtte het haasje en viel toen flauw. Het vogeltje vloog als een pijl naar de hazenouders en vertelde wat er aan de hand was, maar de hazen verstonden de vogeltaal niet. "Ga toch weg", zeiden ze, "dat gevlieg hier. Zoek zelf je vriendje maar." Het vogeltje werd wanhopig. Ze kende verhalen van de vos en van de jager met de honden. Ze wist dat ze zelf niks kon doen. Ze moest hulp halen. Ten einde raad stortte ze zich bovenop de ouders van haar vriendje en pikte ze waar ze pikken kon. Het deed niet echt zeer, maar leuk was het ook niet en het bracht de hazen wel tot bezinning.
"Dat beest is vals", zei de rammelaar. "Zie je wei", jammerde de moeder.
"Misschien heeft ze onze lieverd ook gepikt." "Wat?", zei de vader. "Kom hier vogel. Waar is onze zoon?"
"Hier hier hier", tjilpte het vogeltje en nu volgden de ouders gelukkig. Ze vonden hun bewusteloze kind en droegen hem naar huis. Toen het haasje weer wat was opgeknapt, sprak zijn moeder hem ernstig toe.
"Zie je wel dat het niet goed is om vriendschap te sluiten met een vogel?", zei ze. "Die vogel is nog vals ook."
Het haasje was heel erg verbaasd, hij snapte niet waar zijn moeder het over had.
"De vogel wilde mij helpen. Heeft ze jullie niet geroepen?", vroeg hij. De moeder dacht even na. Geroepen? Ze joeg de gedachte gauw weer van zich weg, want het is niet eenvoudig om je oordeel over iemand te veranderen, zeker niet als je zo hebt ingezeten over je kind. "Het vogeltje heeft je in ieder geval niet kunnen beschermen tegen roofdieren", zei ze. "Daar had je ons voor nodig, of niet soms?" Ja, dat moest het haasje toegeven. Hij voelde zich heel ellendig en niet alleen door de bult op zijn kop. "Nou", zei de moeder, die het ijzer wilde smeden als het heet was, "is het nu afgelopen met die vogel?" Het haasje kon geen antwoord geven. "Ik sta doodsangsten uit om jou", drong de moeder aan. "Dat wil je toch niet?"
"Nee", zei het haasje zacht. "Maar ik wil zo graag alle twee." "Alle twee?"
"Jou als moeder en het vogeltje als vriendje. Waarom moet ik kiezen?"
"Volwassen worden is kiezen jongen. Je kunt nu een keer niet alles." De moeder kuste haar haasje zacht. Een warm gevoel van liefde en tederheid overspoelde haar. "Ik ben bijna blij met dat ongeluk", dacht ze. "Misschien had hij het nodig om verstandig te worden."