Op weg naar hereniging? (2)
1996-11-01
De apostel Paulus moet niets hebben van mensen die een zwak hebben voor geschillen en haarkloverijen. In Opbouw plegen dergelijke lieden dan ook niet aan het woord te komen. Het onderstaande artikel heeft desondanks wel wat weg van gekissebis en theologische haarkloverij. I’m sorry! Het schrijven ervan leek me echter onontkoombaar, al was het alleen maar om te laten zien dat de vrijgemaakten en wij ook op de werkelijk gevoelige punten meer met elkaar gemeen hebben, dan wel gedacht wordt.- Jaargang 40
- nummer 22
Opnieuw heeft een vrijgemaakte synode afstand van ons genomen. Hoewel zij bezig zijn een kerkelijke stijl te ontwikkelen, die ons vertrouwd voorkomt, blijven wij vreemden voor hen. Onconfessionele wildgroei zou bij ons de kans krijgen, zelfs de Heilige Schrift zou niet meer veilig zijn. Je kunt geen vrijgemaakt artikel over onze kerken lezen of in dit verband wordt de naam van drs. H. de Jong genoemd. Zijn spreken en schrijven zouden bevestigen, dat onze binding aan de drie formulieren van eenheid dusdanig slap is, dat daardoor ruimte ontstaat voor ontrouw aan de Schriften, ja, zelfs schriftkritiek.
Schriftkritiek
Nu is schriftkritiek één van de ernstigste verwijten die we elkaar kunnen maken. Het houdt immers in, dat iemand de Heilige Schrift niet leest als dienaar van het Woord, maar als heerser over, richter van het Woord. En het ligt daarom voor de hand, dat wij bij het horen van deze kritiek in het defensief kruipen en alle mogelijke moeite gaan doen om aan te tonen dat dit anders ligt. Hoewel ik er diep van overtuigd ben, dát het anders ligt, dus dat drs. De Jong niet schriftkritisch in de hierboven geformuleerde zin is, wil ik een andere weg gaan. Evenals in het vorige artikel wil ik het niet hebben over ons, noch over ds. De Jong, maar over de ontwikkelingen binnen de GKV. Naar mijn idee namelijk komt hetgeen de vrijgemaakten jarenlang schriftkritiek genoemd hebben ook in hun gelederen voor, en het wordt rn.i. tijd, dat ze dit openlijk erkennen.
Schriftkritische exegese
Voordat ik dit wat uitwerk, eerst iets over het soort schriftkritiek waarover ik het dit artikel heb. Ik gebruik het in verband met bepaalde methoden van schriftluitleg die in de vorige en deze eeuw zijn opgekomen en die geleid hebben tot o.a. de zogenaamde bronnensplitsing, het spreken over een Deutero- en een Tritojesaja en het onderzoek naar de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving. Deze methoden van exegese werden en worden in Geref. kring van het predikaat 'schriftkritisch ' voorzien, omdat de menselijke inbreng bij de totstandkoming van de Heilige Schrift overgewaardeerd zou worden. Schriftkritische exegese, het wordt drs. H. de Jong verweten. Maar, - om de kring wat wijder te trekken - in het verleden werden ook de inmiddels overleden Christelijke Gereformeerde hoogleraren prof.dr. B.J. Oosterhoff en prof.dr. J.P. Versteeg ervan beticht. Prof. Oosterhoff, omdat hij in 'Hoe lezen wij Gen. 2 en 3?' sprak van symbolische geschiedschrijving en kritiek leverde op het besluit van de synode van Assen 1926, alwaar werd vastgelegd, dat het in Gen. 2 en 3 om zintuigelijk waarneembare werkelijkheden gaat. Prof. Versteeg, omdat hij Oosterhoff hierin steunde. Ongelukkig was men in vrijgemaakte kring ook met Versteegs 'Evangelie in viervoud, een boek over de vier evangeliën waarin hij veel werk maakte van de eigen optiek vanuit welke iedere evangelist 'zijn' evangelie geschreven heeft. Vergelijken we zijn aanpak met die van bijv. prof.dr. J.P. van Bruggen, dan valt op, dat de eigen inbreng van de evangelisten als bewerkers van de hun overgeleverde traditie door Versteeg veel sterker benadrukt werd. Terzijde, het artikel dat ds. De Jong onlangs in Opbouw plaatste (40e jrg. nr.19) over huwelijk en echtscheiding geeft een indruk van de wijze waarop ook Versteeg te werk ging.
Vrijgemaakte klassieker
Lange tijd hebben de GKV kunnen doen alsof hetgeen zij schriftkritische exegese noemden, binnen hun kerken niet aan de orde was. Vragen m.b.t. de aard van de bijbelse geschiedschrijving, een latere datering van Deuteronomium, het spreken over een tweede en mogelijk zelfs derde Jesaja, waren binnen de GKV toch niet aan de orde? Hierin is echter een aantoonbare verandering opgetreden. Ik wil dit illustreren aan de hand van één duidelijk voorbeeld, de exegetische notities die drs. J.P. Lettinga bij de hebreeuwse tekst van de Tien Geboden gemaakt heeft. Ze zijn te vinden in de bekende boeken van prof.dr. J. Douma over de Decaloog, N.B. een vrijgemaakte klassieker! Het boeiende is, dat je via deze notities in kort bestek op behoorlijk overtuigende wijze de methoden van het moderne bijbelonderzoek in werking ziet, ZÓ, dat een ieder het volgen kan, èn, zonder dat het afdoet van de eerbied voor de Heilige Schrift. Terzijde, die combinatie is dus mogelijk!
Wordingsproces van de Tien Geboden
De bespreking kan worden ingezet bij het opmerkelijke verschil tussen de beide sabbatsgeboden in Ex. 20:8-11 en Deut. 5:12-15. In Ex. 20 wordt het houden van de sabbat gemotiveerd met een verwijzing naar de rust van de HERE op de zevende scheppingsdag, in Deut. 5 met een verwijzing naar de Uittocht van Egypte. Drs. Lettinga verklaart dit verschil door aan te nemen, dat de oorspronkelijke, door de vinger van God op stenen tafelen beschreven versie van de Tien Geboden geen motivering bevatte. Die zou later zijn toegevoegd. Dit zou ook kunnen worden opgemaakt uit de persoonswisseling, die zowel in Ex. 20:11, als in Deut. 5:5 optreedt, wanneer tot de motivering wordt overgegaan.
Drs. Lettinga schrijft: "In het eigenlijk gebod 'Gedenk/Onderhoud de sabbatdag' is Jahwe zelf aan het woord, maar daarna wordt over Jahwe in de derde persoon gesproken ..." (deel 1, blz. 150). Vervolgens merkt Lettinga op: "De veronderstelling dat de motivering oorspronkelijk niet tot het gebod heeft behoord, is ingegeven door de eerbied voor de Heilige Schrift, eerbied die het verschil, tussen Deut. 5:14b-15 en Ex. 20:11 wil respecteren. Want al ontbraken ze op de stenen tafels, zij hebben niet buiten de leiding van de Heilige Geest om een plaats gekregen in de Bijbel." Vervolgens oppert hij de mogelijkheid, dat beide motiveringen hetzij op Mozes, hetzij op de priesters - aan wie de wet is toevertrouwd - kunnen teruggaan (deel 1, pg. 151).
Dit is niet de enige keer dat Lettinga van een oorspronkelijk kortere versie van de Tien Geboden spreekt. Zo ontdekt hij ook 'naden' - dat is de in de bijbelwetenschap gebruikelijke term voor oneffenheden, waaraan het wordingsproces van een tekst zichtbaar wordt - in het tweede gebod. Taalkundig namelijk klopt de zin niet helemaal, hoewel je daar in de vertaling niets van merkt. De verbinding tussen de woorden 'Gij zult u geen gesneden beeld maken' en 'noch enige gestalte' verloopt niet volgens de geldende grammatikale regels. De zinsnede 'noch enige gestalte' zou later zijn toegevoegd, omdat de Israëlieten - na afkondiging van het gebod - toch nog naar subtiele mogelijkheden zochten om onder het beeldverbod uit te komen. Ze maakten geen stierenbeeld, maar beeldden wel de horens af (zoals in de Umwelt gebeurde).
Middels een kleine uitbreiding van het oorspronkelijke gebod werden vervolgens alle mogelijkheden om onder het gebod uit te komen afgesneden. 'Ge zult u geen gesneden beeld makenin welke vorm dan ook -', leest Lettinga (zie deel 1, pg. 159-161). Ook bij het derde gebod oppert Lettinga, dat de oorspronkelijke versie korter was en aldus luidde: 'Ge zult de naam Jahwe niet misbruiken.' (deel 1 pg. 166). Bij het vijfde gebod merkt hij op: "De tekst van het Vijfde Gebod in Deut. 5 verschilt op een paar punten van die van Ex. 20. Meestal wordt de kortere versie van Ex. 20 als ouder beschouwd. Het ligt dan voor de hand om bij Deuteronomium te denken aan uitweidingen, toe te schrijven aan Mozes (die de Dekaloog bepreekte) of aan de priester(aan wie de wet werd toevertrouwd, Deut. 31 :9)." (deel 2 pg.191).
Kanttekeningen
Laat ik bij deze exegetische notities een paar kanttekeningen maken. Opvallend is Lettinga's conclusie, dat de Tien Geboden een bepaalde wordingsgeschiedenis hebben doorgemaakt. Hij beargumenteert dit op basis van nauwkeurige exegese. Deze uitkomst echter mag opmerkelijk heten! Immers zijn de Tien Geboden oorspronkelijk door de vinger van God in twee stenen tafels gegrift! Je zou denken: Daardoor waren ze onaantastbaar en zullen aanvullingen uitgesloten zijn geweest. Toch meent Lettinga dat het een slag complexer ligt. Ondanks het feit, dat de vinger Gods de Decaloog schreef, hebben mensen, door Gods Geest geleide mensen, bepaalde zinnen toegevoegd. Gewijzigde omstandigheden dwongen tot aanscherping, tot motivatie. Maar dan rijst wel een vraag: Als van de Tien Geboden al geldt, dat ze een wordingsgeschiedenis hebben kunnen doormaken, zou dit dan niet in nog veel sterkere mate met andere delen van de Heilige Schrift het geval geweest kunnen zijn?
Opmerkelijk is vervolgens Lettinga's argumentatie. Wie ook maar een beetje thuis is in de oudtestamentische wetenschap weet, dat deze in niets verschilt van de wijze waarop de zg. 'schriftkritische exegeten' argumenteren.
Zijn conclusie is o.a. gebaseerd op een onderzoeksmethode, die .literaire kritiek, wordt genoemd. Het is deze benadering, die geleid heeft tot een late datering van Deuteronomium en tot het spreken over een Deuteroen Tritojesaja. Ook is hetgeen drs.
Lettinga schrijft over de rol van Mozes of de priesters maar een klein stapje verwijderd van hetgeen 'redactie-kritiek' genoemd wordt. Het reeds genoemde boek van prof. Versteeg over de evangeliën is erop gebaseerd.
Werkelijk, het zit er allemaal in. Tenslotte zijn de conclusies van drs. Lettinga voor de visie op de bijbelse geschiedschrijving van belang. De 'onbevangen lezer' van Ex. 20 zal immers nooit vermoeden, dat het met de Tien Geboden niet helemaal zo gegaan is als staat beschreven in Ex. 20 ... Nu wil ik met deze laatste woorden werkelijk niet suggereren, dat drs. Lettinga over de aard van de bijbelse geschiedschrijving, bijv. die van Gen. 1-11, opvattingen zou hebben die door de GKV op grond van Assen '26 als 'schriftkritsch' bestempeld worden. Daar weet ik niets van. Wel wil ik er op wijzen, dat de wijze waarop drs.
Lettinga exegetiseert, van dezelfde onbevangen en ondogmatische gerichtheid op de tekst alléén getuigt, die ook het werk van De Jong, Oosterhoff en Versteeg kenmerkt. Met iemand die zo'n basishouding heeft, valt er te praten over de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving, inclusief die van Gen. 1-11, zolang dat maar op basis van goede, aan de tekst ontleende argumenten gebeurt. In de sfeer waarbinnen drs. Lettinga exegetiseert lijken opvattingen als die van de genoemde broeders me op z'n minst bespreekbaar.
Bedoeling
Nu kan ik me voorstellen dat iemand zich afvraagt 'Waar wil die man naar toe?'. Een poging iemand verdacht te maken? Geenszins, ik denk er niet over om drs. Lettinga van schriftkritiek te beschuldigen. Ik kan alleen maar waardering hebben voor de nauwkeurige wijze waarop drs. Lettinga de Schrift leest. AI lijkt het me wel goed om te benadrukken, dat zijn verklaringen voor de verschillen tussen de twee versies van de Decaloog hypothetisch zijn. Het bestaan van een oorspronkelijk kortere versie van de Decaloog is een veronderstelling, die wel aannemelijk valt te maken, maar niet bewezen is. Nee, m'n bedoeling is drieërlei. Ten eerste wil ik laten zien, dat de GKV zich op het hele aangelegen punt van de exegese van de Heilige Schrift in een situatie bevinden, die vergelijkbaar is met die in de CGK en onze kerken. Ook binnen vrijgemaakte kring zijn integere exegeten - bewust is voor het meervoud gekozen -, die niet aan de conclusie ontkomen, dat de Schrift een complexe wordingsgeschiedenis heeft doorgemaakt, waarvan de sporen zichtbaar zijn in de teksten. Sommigen binnen de GKV zullen het met hun conclusies wel, anderen zullen het met hun conclusies niet eens zijn. Zo ligt het binnen de CGK en onze kerken ook. Opnieuw, wat beginnen we op elkaar te lijken!
Ten tweede hoop ik, dat de vrijgemaakten veel en veel zuiniger met het gebruik van het woordje 'schriftkritiek' zullen worden. Alleen al het feit dat het werk van vooraanstaande vrijgemaakte exegeten sporen vertoont van hetgeen schriftkritiek genoemd wordt/werd, moet de broeders - en soms ook zusters - leren zich te matigen in het veroordelen van anderen. Om nog een reden is een zuinig gebruik van het woord schriftkritiek nodig. De notities van Lettinga laten zien, dat hetgeen schriftkritisch genoemd wordt, in de loop van de tijd sterk veranderen kan. Gun daarom jezelf en anderen eens rustig de tijd om dóórte denken en uitte spreken, alvorens je met zulke zware qualificaties op de proppen komt! We staan voor gelijke vraagstukken en - dusvoor een gemeenschappelijke taak! Tenslotte hoop ik, dat dit artikel een aanzet je mag zijn tot een meer open bezinning binnen de GKV op de vragen 'Hoe lezen we de Schriften?' en 'Wanneer spreken we van Schriftkritiek?'.
'Open', allereerst in de zin van publiek. Laat de gemeente van Christus maar meelezen en meedenken.
Toegegeven het is wel eens lastig om een De Jong in je kerken te hebben, het veroorzaakt soms een boel onrust, maar op langere termijn helpt het de gemeente van Christus wel om het Woord van God, de Heilige Schrift niet kwijt te raken, maar er bij bewaard te blijven. Vervolgens bedoel ik met 'open', een bezinning waarbij de visie op de Heilige Schrift helemaal bepaald wordt door het lezen van de Schrift. Wanneer een kundige exegeet uitgaat van de geïnspireerdheid van de Bijbel, maar desondanks op basis van preciese exegese tot resultaten komt die niet geheel passen bij de resultaten van een op de gereformeerde dogmatiek gebaseerde exeqese, mag dan van schriftkritiek gesproken worden? Het antwoord op deze vraag kan binnen gereformeerde kerken alleen maar ontkennend zijn.