Schriftgezag en kerkelijke eenheid

1996-11-01
  • Jaargang 40
  • nummer 22
Laatst las ik in Opbouw een enthousiast verslag van het Gereformeerd Appèl. Daar zou ik graag bij geweest zijn, dacht ik al lezend. Wie wil er niet graag een voorschot ontvangen op de kerkelijke eenheid die er in elk geval komt, zij het niet op aarde dan toch wel in de hemel. Samen bidden om eenheid is al beleving van een stukje gerealiseerde eenheid.

Wachten op eenheid van kerkdiensten en kerkregering is als 'wachten op Godot' - dat komt er gewoon niet van, leert ons het zilveren jubileum van de verloving tussen christelijk gereformeerde en Nederlands gereformeerde kerken op deputaten-niveau. Die verloving wordt dan ook nooit wat. Wat is fijner dan toch al iets beleven van de heling van geslagen breuken?

Vrijgemaakte kritiek
Natuurlijk kon kritiek op deze gebedsdag niet uitblijven. In De Reformatie (71/47:953) neemt drs B. Luiten de kerkelijke eenheid die op deze dag ervaren zou zijn, onder schot. Alsof de finish van kerkelijke eenheid al bereikt zou zijn, terwijl iedereen toch weet dat niets minder waar is, als men de werkelijke stand van zaken tussen de kerken in geding opneemt. Ter illustratie noemt hij dan de visie van drs H. de Jong op het Schriftgezag, die scheiding zou maken tussen zijn en onze kerken. Heeft De Jong niet gezegd die kwesties rond het Schriftgezag maar gereformeerd gezeur te vinden? Nou dan! Daar kan je toch niet overheen bidden? Zolang de visie van De Jong, een TSB-docent nog wel, geduld wordt in onze kerken, kan er van kerkelijke eenheid geen sprake zijn. Dit verschil in leer moet je niet met gebed toedekken, wil je eerlijk voor Gods aangezicht voor kerkelijke eenheid kunnen bidden. Typisch vrijgemaakt, denk je dan. Het gaat weer over de kerk. Bovendien, we kennen De Jong als een eerbiedig Schriftgeleerde, van wie we erg veel geleerd hebben over de bijbel, waardoor het bijbelgezag onder ons alleen maar gegroeid is. We zijn niet erg geneigd op aandringen van vrijgemaakten nogal liefst De Jong aan te spreken op uitspraken die we zelf ook niet altijd confessioneel zien zitten. Kerkelijke zaken aanzwengelen laten we het liefst niet aan vrijgemaakten over; we hebben te veel bittere ervaringen. En daarmee zou de kous af kunnen zijn. Toch wil ik het hier niet bij laten. Luiten raakt natuurlijk wel een gevoelige plek aan in ons kerkelijke leven; en wijst op een structurele zwakheid van dagen zoals georganiseerd door het Gereformeerd Appèl. Over het laatste wil ik kort zijn. Bidden om kerkelijke eenheid zonder dat er zondags iets van te zien valt, blijft onbevredigend. Met gemak zal het Appèl haar zilveren jubileum kunnen halen, zoals het er nu naar uitziet. Vijfentwintig jaar bidden voor kerkelijke eenheid: het is me wat te veel van het goede. Hoe houden we dat ooit vol?

De Jong over de Schrift
Ook in Opbouw las ik de nota van De Jong voor TSB-studenten over huwelijk en echtscheiding. Inhoudelijk vind ik zijn verhaal de moeite van het overwegen waard; die verschillen tussen de evangeliën moeten inderdaad in rekening gebracht worden bij een afweging van wat de bijbel aan richtlijnen geeft voor onze omgang met echtscheiding. Het gaat me echter om het kader waarin hij zijn verhaal in Opbouw plaatst. Het getob van de vrijgemaakte synode in Berkel bij het verstaan van de bijbel op dit punt wordt door De Jong best wel gewaardeerd, maar intussen wel als fundamentalistisch gediskwalificeerd. Als alternatief biedt hij dan een vrijere omgang met de Schrift aan om uit de problemen te komen.
Het gaat me om deze tegenstelling: krampachtig wrikken en buigen aan bijbelteksten om die geschikt te maken voor een bewijslast die ze niet kunnen dragen bij de vrijgemaakten tegenover een vrijere omgang met de bijbeltekst die ertoe kan leiden dat conclusies uit de Schrift hetzelfde gezag krijgen als de Schrift zelf bij Nederlands gereformeerden.
Het zou me niet verbazen als Luiten deze tegenstelling uitlegt tegen de achtergrond van De Jongs opmerkingen over het gereformeerde gezeur over het Schriftgezag, en over stapjes terug die we zouden moeten doen terzake van het gezag van de bijbel. Dat zou jammer zijn, want inhoudelijk zijn de Jongs notities de moeite van overwegen waard. Maar begrijpelijk zou het wel zijn. De Jong doet niet erg zijn best het gebed om kerkelijke eenheid tussen vrijgemaakten Nederlands gereformeerden kans van slagen te geven.

Vrijgemaakt fundamentalisme?
Is er nu werkelijk reden om de vrijgemaakten een fundamentalistische visie op de Schrift aan te rekenen? Ik zou erg zuinig willen zijn met de term fundamentalistisch in een cultureel klimaat, waarin alles wat maar religieus lelijk en afschuwelijk, bekrompen en burgerlijk is, in die term wordt gestopt. Bidden om kerkelijke eenheid met dat soort mensen: willen we dat eigenlijk wel? Dus een eerlijk gebed verbiedt om zulke etiketten anderen op te plakken. Maar zijn de vrijgemaakten wel fundamentalistisch in hun Schriftbeschouwing? Die bewering lijkt me, wanneer we de term historisch serieus nemen, nauwelijks hard te maken. Wat ik van vrijgemaakten lees, is het tegendeel van fundamentalistisch; het is wel orthodox-gereformeerd, wat ze gemeen hebben met gereformeerde bonders of christelijk gereformeerden.
Hun omgang met de bijbel is wereldwijd in orthodoxe kerken van gereformeerde en evangelische signatuur herkenbaar. Ook in onze kerken zullen verreweg de meesten daar geen moeite mee hebben. Het foutloosheidsdogma van het fundamentalisme is niet kenmerkend voor de vrijgemaakte kerken; het fundamentalistische gedram over geschiedwetenschappelijke juistheid van de bijbelse geschiedschrijving vind ik bij hen niet erg opvallend. Biblicisme, zo karakteristiek voor het fundamentalisme, komen we in vrijgemaakte kring nauwelijks tegen. Waarom zo iets suggereren? Waarom daartegenover een vrijere omgang met de Schrift bepleiten, zonder dat duidelijk wordt gemaakt waarin dat vrijere dan precies uitkomt? Een preciezere definitie van de nogal losse term vrijer zou op zijn plaats geweest zijn. Luiten zal wel denken: hij bedoelt zeker vrijzinning. Nu denk ik niet dat De Jong vrijzinnig in zijn Schriftvisie is, maar begrijpelijk is het wel dat zijn spreken over het gezag van de Schrift geen vertrouwen wekt bij mensen met wie we kerkelijk één willen worden - althans volgens ons publieke gebed op de bijeenkomst van het Gereformeerd Appèl.
Volgens mij moet het gezag van de bijbel helemaal niet ter diskussie gesteld worden; daar gaan we in geloof vanuit. Een andere zaak is hoe we de Schrift gebruiken. Welk gebruik doet het meeste recht aan het gezag dat de Schrift heeft - dat zou m.i. de kernvraag moeten zijn. Uit ons gebruik van de bijbel blijkt of ze inderdaad gezag over ons heeft. In het huidige theologische en religieuze klimaat in het Westen het gezag van de bijbel ter discussie stellen, is behalve onjuist ook onwijs, en ondersteunt het gebed om kerkelijke eenheid niet. Luiten heeft op dit punt gelijk.

Nederlands gereformeerde gevoeligheid
Vrijgemaakte kritiek op onze kerken roept bij mij altijd irritatie op. Daar zal wel een psychologische verklaring voor te geven zijn. Kerkelijke conflicten kunnen ook vanuit een psychologisch, zo niet pathologisch perspectief beschreven worden. (Wie zal daar eens een begin mee maken?) Maar dat neemt niet weg dat Luiten terecht een verband legt tussen het gebed om kerkelijke eenheid en het Schriftgezag.
Ik wil eens hardop zeggen dat De Jong, geliefd en vooraanstaand als hij onder ons terecht is, in onze kerken duidelijker moet worden tegengesproken op dit aangelegen punt, willen we tenminste het gebed om kerkelijke eenheid serieus menen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief