Niet door geweld maar door Geest (16, slot)

1996-11-01
  • Jaargang 40
  • nummer 22
Toen de zon al onder was gegaan en de eerste sterren aan de hemel verschenen, vertelde Mattanja wat het doel was van zijn bezoek. "Judas wil dat u uw werk als zang meester weer opvat, vader, maar ik denk niet dat u het zo fijn vindt om onder hem te werken." "Het is goed, zoon", antwoordde Jesua. "Ik zal het doen. Maar niet omdat Judas het wil, maar omdat Jahweh zelf het wil. Zeg hem dat maar uit mijn naam!"
"Bent u niet blij, vader, dat uw nieuwe loflied nu eindelijk gezongen zal worden in de tempel?" vroeg Mattanja.
"Ja, dat ben ik. Ik heb deze dag meer gekregen dan ik ooit had durven hopen. Maar je moet goed begrijpen dat de tempel nu wel bevrijd is, maar dit is een bevrijding door geweld. En je weet wat de profeet Zacharia heeft gezegd toen ons volk uit de ballingschap was teruggekeerd: "Niet door kracht en ook niet door geweld, maar door mijn Geest, zegt Jahweh der heerscharen". We hebben nu de handen wel vrij, maar de harten nog niet".
"Ik weet het, vader", zei Mattanja, "maar ik heb me de afgelopen jaren zovaak afgevraagd wat nu de waarheid is. Matathias en Judas zeiden dat wij, Joden, zelf de verlossing moeten bewerkstelligen. U hebt altijd gezegd dat Jahweh het moet doen. Heeft het er niet alle schijn van dat de Makkabeeën gelijk hebben gekregen, en niet u? Wat vindt u ervan, vader? Wie bevrijdt ons nu: God of de mens?" "Daar heb ik ook over nagedacht, jongen", zei Jesua langzaam. "Ik geloof dat het geen tegenstelling is. De profeten hebben gezegd dat God het zal doen en dat de mens het moet doen.
Zij doen het samen: God en mens. Maar wij begrijpen niet hoe dat kan en hoe dat precies in zijn werk zal gaan.
Ik denk dat wij dit nóg niet begrijpen. Er komt een tijd dat we het zullen zien en dat we ons zullen verwonderen over Jahwehs wijsheid. Ik denk dat dit het geheim is van hem die de profeten 'de knecht van Jahweh' of 'de Messias' noemen.
Ik moet vaak denken aan mijn eigen naam: Jesua, Jahweh is redding. Die naam was er toen ons volk uit Egypte het beloofde land binnenkwam: Jozua, de leider van Israël. Die naam was er toen ons volk uit Babel weer in het beloofde land terugkeerde: Jozua, de hogepriester. En ik denk dat die naam er ook zal zijn als wij eens voorgoed gered zullen worden, niet alleen onze handen maar ook onze harten. Niet door kracht en geweld maar door Gods Geest: Jozua, de Messias."
Mattanja keek in het uitdovende vuur. Aan de hemel stonden ontelbare sterren.
En zachtjes zei hij: "Op hem wachten we, vader, op Jahweh die redt." En Jesua zei: "Leg uw vrede op uw volk Israël en zegen ons allen. Geprezen zijt Gij, Jahweh, die vrede schept!"

[Juli 1981]

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief