Op weg naar een hereniging? (3, slot)
1996-11-15
Ruim twee jaar geleden verscheen er in het opinieblad Koers een interview met drs. H. de Jong, waarin hij enkele uitspraken deed, die velen schokten. “De Bijbel valt niet samen met Gods Woord”, en “De Bijbel is niet Gods Woord, maar in de Bijbel vinden we Gods Woord”, zei hij. En ook: “Eigenlijk zouden we eens op moeten houden met dat eeuwige ‘gereformeerd gezeur over het schriftgezag’. Het zijn m.n. deze pregnante uitspraken geweest, die de synode van Berkel er toe deden besluiten om het landelijke gesprek met onze kerken stop te zetten: openlijke Schriftkritiek zou getolereerd worden.- Jaargang 40
- nummer 23
Wie hoopt op en bidt voor een hereniging van de GKV en de NGK, kan niet om dit verwijt heen. Wat doen we ermee? Twee weken geleden deed dr. B. Wielenga in Opbouw de volgende suggestie: "Ik wil eens hardop zeggen dat De Jong, geliefd en vooraanstaand als hij onder ons terecht is, in onze kerken duidelijker moet worden tegengesproken op dit aangelegen punt, willen we tenminste het gebed om kerkelijke eenheid serieus nemen." Ik ben om verschillende redenen niet zo gecharmeerd van deze suggestie. Als iemand De Jong wil tegenspreken - een ieder voele zich daarin vrij! - dan moet hij dat doen uit zorg voor de eigen kerkelijke gemeenschap en niet omdat het goed is voor ons contact met de GKV. Een belangrijker bezwaar echter is, dat collega Wielen ga de situatie binnen de GKV m.i. niet helemaal goed taxeert.
Slechts in schijn staat hetgeen ds. De Jong over de Heilige Schriften schrijft mijlenver bij onze vrijgemaakte broeders en zusters vandaan. Mijn vorige artikel signaleerde ik vormen van exegese binnen de GKV, die vroeger zeker als 'schriftkritisch' zouden zijn afgedaan. Hoezeer de visie op de Heilige Schrift binnen de GKV aan het veranderen is, werd Zaterdag 2 november krachtig bevestigd door een artikel van prof. Ohmann in het NO, waarin hij schrijft, "dat discrepanties en feilen in de Bijbel zich niet laten ontkennen." Wie zich nog de zee van vrijgemaakte kritiek herinnert die ds. De Jong ruim vijftien jaar geleden over zich heen kreeg toen hij om precies deze reden sprak van 'een rand van onzekerheid' aan de Schrift, ontkomt niet aan de conclusie, dat de schriftbeschouwing binnen de GKV wérkelijk aan het veranderen is. Gegeven deze situatie dienen we de eenheid dan ook niet door krampachtig aan te tonen hoe dicht wij - ondanks De Jong - bij de GKV staan, maar door te laten zien, hoe dicht zij ons - inclusief De Jong! - inmiddels genaderd zijn! Daarmee ben ik in deze artikelenserie bezig. En deze keer wil ik laten zien, dat het directe beroep op de Heilige Schrift in gevoelige ethische kwesties óók binnen de GKV steeds problematischer aan het worden is.
Hetzelfde krachten- en vragenveld
De GKV bevinden zich in hetzelfde krachtenveld als de NGK, het krachtenveld van onze moderne samenleving.
Juist de meest ingrijpende beslissingen die de vrijgemaakte synodes de laatste jaren genomen hebben, staan niet los van de ontwikkelingen in die samenleving. In het besluit de ouderling de gemeente de zegen op te laten leggen na een leesdienst, tekent zich het wegvallen van een standensamenleving, waarin de dominee tot de notabelen behoorde, af. En van het besluit van de synode van Ommen 1993 om vrouwen stemrecht te verlenen bij ambtsdragersverkiezingen geldt, dat het ondenkbaar is, zonder de emancipatie van de vrouw in onze samenleving. De doorwerking van de emancipatie in vrijgemaakte kring heeft zelfs geleid tot een nieuw huwelijksformulier! Het formulier van 1981 gaat nog uit van het volgende rolpatroon: "Bruidegom .... wees trouw in de uitoefening van uw beroep, zodat u in staat bent uw gezin te onderhouden ...".
"Bruid, ... wees uw man tot hulp, en zorg ook goed voor uw gezin ...''. Deze rolverdeling wordt verantwoord met een verwijzing naar 1 Tim.2:8-15, waar over de vrouw onder andere staat geschreven: "... zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende ...". Mogelijk hadden de opstellers ook nog Tit. 2:5 in gedachten, alwaar de jonge vrouwen worden vermaand huishoudelijk te zijn. In het alternatieve formulier staat te lezen: "Draag samen de verantwoordelijkheid en de zorg voor uw gezin en zet u ervoor in ook anderen te helpen." De reden van deze bijstelling ligt voor de hand. Ook in vrijgemaakte kring is het klassieke rolpatroon geen vast patroon meer ... Ik vraag me echter wel af: hoe zit het nu met 1 Tim. 2:15 en Tit. 2:5?
Uit alles blijkt, dat de GKV net als de NGK bestaan uit mensen van deze tijd, verregaand geëmancipeerde mensen.
De GKV zijn zich dit overigens ook terdege bewust. Maar als er tegenwoordig één gegeven is, dat ons in alle kerken de Schriften doet lezen en herlezen, dan is het de veranderde man-vrouw verhouding wel. De doorwerking van de emancipatie brengt ons voortdurend in botsing met de wijze waarop we de Schriften altijd verstaan hebben. Het gevolg is een worsteling met de schriftgegevens, óók in de vrijgemaakte kerken. En zoals bij ons vele rapporten zijn geschreven over de vrouw in het diakenambt, zo schreven de vrijgemaakten er vele over het vrouwenstemrecht in de kerk.
Wij bevinden ons dus ook in hetzelfde vragenveld. En allebei willen we binnen dit krachten- en vragenveld bijbels blijven, écht bijbels blijven. Maar wat is bijbels? Die vraag komt steeds nadrukkelijker op ons af.
Stemrecht voor zusters'
Ik wil dit illustreren aan het besluit om zusters stemrecht te verlenen bij ambtsdragersverkiezingen. Hierom werd binnen de GKV al decennialang gevraagd. Het werd óók decennialang tegengehouden met een beroep op de Schrift. De redenering luidde: stemmen is spreken, een vorm van bindend spreken, van beslissend spreken zelfs. De vrouw echter heeft in de gemeente te zwijgen - zie 1 Cor. 14:34-36 en 1 Tim. 2:11 w - en aangezien zij ook onderdanig dient te zijn, kan haar middels stemrecht geen gezag of zeggenschap verleend worden. Een redenering die staat als een huis.
Het is boeiend om te zien hoe onze broeders eruit gekomen zijn. Hoewel, zijn ze eruit gekomen? Een cruciaal moment in de gedachtenontwikkeling van de synode is, dat in tegenstelling tot hetgeen altijd beweerd werd, stemmen wel een vorm van spreken, maar geen vorm van gezaghebbend spreken is. De verkiezing geschiedt immers volgens een door de kerkenraad vastgestelde procedure, en de regeermacht binnen de gemeente blijft gewoon in handen van de kerkenraad.
Hiermee vervalt een belangrijk bezwaar tegen het vrouwenstemrecht, al is daar een in mijn ogen wel erg spitsvondige redenering voor nodig. Maar 1 Cor.14 en 1 Tim.2 dan? Als stemmen een vorm van spreken is, hoe zit het dan met dat zwijgen? Bij 1 Cor. 14:34-36 merkt de commissie op: Hier is geen sprake van een algeméén zwijgverbod - vergelijk namelijk 1 Cor.11:5 -, hier wordt alleen uitgesproken, dat vrouwen niet mogen meedoen aan het openbare debat waarin de profetie kritisch getoetst wordt. Dat beoordelende spreken - wie dat doet staat boven de spreker - is slechts aan de mannelijke oudsten voorbehouden. Bij 1 Tim. 2:11w merkt de commissie op: En vrouw mag wel leren, maar het leidinggevende leren is haar niet toegestaan.
Kort samengevat: stemmen is een vorm van spreken, maar omdat het echter geen vorm van gezaghebbend spreken is, is vrouwenstemrecht niet in strijd met de Schrift. Het moet gezegd: opnieuw een redenering die staat als een huis.
Klopt het schriftberoep?
Maar klopt het? Klopt het met de doorgaande lijn in de Bijbel, namelijk dat de man het hoofd is van de vrouw?
Het is een vraag die de synode zich zó niet gesteld heeft. In het rapport merk ik er althans niets van. Zou ze dat wel gedaan hebben, dan waren er volgens mij problemen gerezen. Waar het bij dit stemrecht om gaat, is, dat zusters in de gelegenheid gesteld worden voor zichzelf te spreken. Ze mogen naast hun echtgenoot -als ze die hebbengaan zitten in de poort, om het zo te zeggen. Ze mogen hem ook tegenspreken als ze willen. Nu vinden wij dat helemaal niet erg, wij zijn twintigste eeuwse mensen, maar het is toch niet wat de apostel in gedachten had, toen hij zijn voorschriften gaf. Wanneer we het bijbelse spreken over het hoofd zijn van de man bekijken, dan ligt een andere gedachtengang veel meer voor de hand. Eén van de aspecten van het hoofd zijn is, dat mannen hun vrouw vertegenwoordigen, representeren.
Zoals Christus, ons Hoofd, ons representeert, zo representeert de man zijn vrouw. En zoals Christus ons kán representeren, omdat wij in Hem, ons Hoofd, begrepen zijn,. zo kan de man zijn vrouw representeren, omdat zij in hem, háár hoofd, begrepen is. De vrouw is ook begrepen in het spreken en optreden van haar man. Omdat zij een hoofd heeft, is het eigenlijk uitgesloten, dat zij als regel voor zichzelf mag spreken. Het is deze representatie-gedachte waarmee het stemrecht voor zusters botst.
Maar ook veroorzaakt het schriftberoep van de commissie - als men ook maar even verder denkt, tenminsteproblemen van heel andere aard. Als de vrijgemaakten hun uitleg van 1 Cor. 14:34-36 werkelijk serieus nemen, dan dienen zij acuut te stoppen met het plaatsen van zusters in beroepings- en hoorcommissies. Als een hoorcommissie namelijk één ding doet, dan is het profetieën annex preken beóórdelen. Daar is ze zelfs voor aangesteld. Ook ligt het voor de hand, dat zusters op gemeentevergaderingen zich niet meer mogen uitspreken over het beleid van de kerkenraad.
Dan beoordelen zij immers de broeders? Uit welingelichte kring heb ik echter vernomen, dat onze vrijgemaakte zusters op gemeentevergaderingen soms vrijmoedig het woord nemen -en krijgen- om kritiek op de kerkenraad te uiten. En dan heb ik nog niet eens gesproken over alles wat op maatschappelijk gebied veranderd moet worden. Talloze vrouwen zitten in gereformeerde schoolbesturendaarin mannen vertegenwoordigend, waaronder hun eigen - en hebben via dat kanaal zeggenschap over mannelijke docenten, waarvan sommigen ambtsdrager zijn. De uitleg van 1 Cor. 14:34-36 roept dus verschillende andere moeilijkheden op. Dit brengt ons bij de kern van het probleem: er is geen exegese meer, die de ontwikkelingen in onze samenleving kan bijbenen. Toen de vrouw haar hoofddeksel afdeed was er veel meer aan de hand dan alleen een verandering van mode. Het was een signaal van een ingrijpende omslag in onze cultuur. En nu botsen bijbelse gegevens en levenspraktijk fundamenteel, eigenaardig genoeg, zonder dat er alarmbelletjes gaan rinkelen. En hoe komen we hiermee klaar, in het licht van de Bijbel? Dit vraagt om een diepgaander bezinning, dan die op de exegese van enkele schriftplaatsen.
Verlegenheid
Het hoeft gelet op deze stand van zaken dan ook niet te verwonderen dat een zekere verlegenheid met het schriftberoep zich ook binnen vrijgemaakte kring aandient. Wat te denken van de volgende gedachtengang, door ds. Van Veelen ten gehore gebracht op de synode van Berkel, i.v.m. het besluit een nog nieuwer huwelijksformulier te schrijven. Een citaat uit het NO: "Ds. M. van Veelen gaf een aanzet voor deze studie door een bezinning op het woord 'onderdanigheid' in de Bijbel. Dat wordt uitsluitend in de brieven van het NT gebruikt "Aan wie en onder welke omstandigheden werd dat geschreven?" was voor hem de centrale vraag. Deze brieven waren gericht aan gelovigen in een nietjoodse omgeving, in de Romeinse maatschappij. Die Romeinse 'familia' bestonden in Israël niet en zo verklaarde Van Veelen de afwezigheid van de onderdanigheidsgeboden in de rest van de Bijbel. Deze geboden zijn volgens hem niet bedoeld voor de huidige huwelijksstructuur, net als het dragen van een hoed niet op grond van de Bijbel verplicht kan worden gesteld." Hier is een man aan het woord, die met de onderdanigheid van de vrouw in déze tijd geen raad meer weet. Van het door de apostelen in de schepping verwortelde abc van de man-vrouw verhouding in het NT"Vrouwen, weest uw man onderdanig"
- zegt hij: cultuurgebonden. Iemand die zo met de Schriften omgaat, is toe aan enkele andere vragen. Welke ruimte heeft God de mens in Christus gegeven om naar 'eigen' inzicht te handelen? En: Op welke wijze zijn deze vermaningen voor ons dan Gods Woord?
Homofilie
Hoe actueel dit alles is moge blijken uit opmerkingen die het laatste jaar door vrijgemaakte predikanten gedaan zijn over één van de moeilijkste en gevoeligste vraagstukken waar we de laatste decennia mee te maken hebben: de visie op homofilie in het licht van de Bijbel. 'Het' vrijgemaakte standpunt hierover wordt vertolkt door Prof. dr. J.
Douma, die al geruime tijd opkomt voor een hartelijke acceptatie van de homofiele medemens, maar de homosexuele praxis afwijst. Toch blijkt deze opvatting niet het eindpunt van de bezinning binnen de GKV te zijn. Vorig jaar was in het NO een opmerking van een vrijgemaakte predikant te lezen die in verband met homofilie onderscheid maakte tussen ethiek en pastoraat. En in de rubriek Lokaal van het NO in juli jl. stond te lezen dat twee vrijgemaakte kerkenraden met elkaar in gesprek zijn of het bijbels verantwoord is, dat twee homofielen samenwonen. Dit n.a.v. een concrete situatie.
In dit verband werden uit het Haarlems Dagblad enige uitspraken van de vrijgemaakte predikant van Haarlem, ds.
AA van Essen aangehaald, die pastorale begeleiding geeft aan één van de betrokken homofiele mannen. Ds.
Van Essen was zo vriendelijk mij dat interview toe te zenden. O.a. lezen we: "Maar op de vraag of homosexualiteit nu wel of geen zonde is, wil de dominee geen direct antwoord geven. 'Wij zitten in een proces verwikkeld, met nog veel onbeantwoorde vragen, drijf me niet tot de uiterste consequentie'." Ook lezen we: "Van Essen pleit voor nieuwe bestudering van de verschillende bijbelpassages 'zonder de ethiek op de tocht te zetten'. 'In negen van de tien teksten waarin homosexualiteit ter sprake komt, gaat het eigenlijk over uitspattingen', concludeert hij. Inzichten kunnen veranderen, legt hij uit en hij trekt een vergelijking met oudere discussies. 'Vroeger mocht je niet met de fiets naar de zondagsdienst, nu mag je zelfs met de auto komen. En de televisie, dat kon ook niet. Nu heeft bijna iedereen zo'n ding in huis. Waarmee ik overigens niet wil zeggen, dat mannen dus met elkaar in bed mogen springen'."
Ter afronding
De GKV zijn pluriforme kerken geworden, net zo pluriform als de NGK. Het zijn kerken die zich ook in hetzelfde krachten- en vragenveld bevinden als de NGK. Ook de manier waarop we ons in dit krachten- en vragenveld bewegen vertoont grote gelijkenis. Dat is wat ik signaleer. Mijn oprechte hoop is, dat deze artikelen mogen leiden tot meer begrip en een nieuwe openheid voor elkaar. Dringend wil ik de vrijgemaakten vragen: Broeders, maak ons - inclusief De Jong - niet tot een mikpunt van kritiek, maar zie ons als bondgenoten in dezelfde geestelijke strijd die in beide kerken gevoerd wordt om werkelijk bijbels te blijven! Want dat laatste is absoluut de bedoeling, bijbels blijven, misschien anders bijbels, maar niet minder bijbels.
Noot:
1. Alle relevante informatie hierover is te vinden in 'Vrouwenstemrecht in de kerk. Besluittekst en Commissierapport van de Generale Synode van De Gereformeerde Kerken in Nederland Ommen 1993', Barneveld 1993.