Van waarheid en troost; Nico ter Lindens nieuwe Bijbel
1996-11-15
En God zei….zegt de priester. En doet daarmee een poging om zowel God in beeld te brengen als zichzelf. Hij bedoelt te zeggen: Ik stel mij God voor als iemand die gezegd heeft.- Jaargang 40
- nummer 23
Recent heeft Ds. Nico ter Linden een nieuwe Bijbel het licht doen zien, een gebeurtenis die op 21 oktober j.1. in 'de Rode Hoed' in Amsterdam feestelijk gevierd is, met bijdragen van cabaretiers als Paul van Vliet en musici als Louis van Dijk, bijgewoond door Amsterdams burgemeester en politici als PvdA senator Eric Jurgens. Deel één van Het Verhaal gaat is nu uit. De voormalige predikant van de Amsterdamse Westerkerk is nu de meeste tijd met een project bezig dat de hele Bijbel in vijf delen moet hervertellen, stond in de krant. Een commentaar op de inhoud van het eerste deel.
Mooie taal, rijke ideeën
De eerste opmerking m.b.t. het eerste deel van Ter Lindens boek moet de taal betreffen. Het lijdt weinig twijfel dat Ter Linde zeer taalgevoelig is en daarom ook mooie taal bezigt of ontdekkende uitspraken doet. Er staan prachtig citeerbare dingen in! Over Adam en Eva lees ik: "God gaf hem zijn beminde in de slaap" (hoofdstuk 4, vgl. Psalm 127). Voor zo'n uitspraak ben ik hem dankbaar, net als voor een zin als "Wie zichzelf vergoddelijkt, ontmenselijkt" (hfds. 5). Als Kaïn Abel gedood heeft, zegt God: "Wat je aan je minste broeder gedaan hebt, Kaïn, heb je aan mij gedaan". "God had nu twee verloren zonen. De ene zoon verloor hij aan de dood, de andere aan het leven." (hoofdstuk 6) Als Noach de ark bouwt staat er: "Noach kapt en hakt en zaagt en timmert. 'Alsof je leven ervan afhangt', honen de buren. 'Wat je zegt', geeft Noach ten antwoord. Hij timmert. Langzaam groeit de logge praam, op zijn erf. De droom van een gek. Een preek van hout, driehonderd el lang, vijftig el breed, dertig el hoog. Noachs getuigenis dat een cultuur ten onder dreigt te gaan. Een onbegrepen stil protest, want er is geen sterveling die deze hecht doortimmerde onheilsprofetie verstaat, er wordt slechts schamper om gelachen. 'Noach, wat ben je toch aan 't doen? Ga je varen?' " Het zijn zinnen waarvan ik wenste ze te hebben bedacht! Het zou me niet verbazen als menig lezer met een hele vlucht aan associaties 'opstijgt', zicht geopend krijgt op zaken die hij/zij anders nooit zo bijeengedacht had. In ons land hebben niet zoveel mensen dat talent; de enige aan wie ik in dat verband denken kan is Dr. Willem Barnard in zijn schitterende bundel Stille Omgang.
Wie heeft het gezegd?
Maar helaas, met die opmerkingen kan ik niet volstaan. Ds. Ter Linden heeft zich in het verleden al naam gemaakt met de veel geciteerde (en gewraakte) uitspraak: "Niet echt gebeurd, maar toch waar!" Achter zijn gevoelige en poëtische taalgebruik is een opvatting over de Bijbel terug te vinden die ik met de beste wil van de wereld niet 'klassiek-christelijk' kan vinden en die mijns inziens ook op termijn ons niet verder helpt. Ook daarvan een wat uitvoerige weergave. De openingszinnen van 'In den beginne' zijn direct raak: "Het verhaal gaat dat in den beginne God de hemel en aarde schiep. Een verhaal van Israël is het en het werd naar verluidt zo'n zesentwintig eeuwen geleden opgeschreven, toen de Israëlieten aan Babyions stromen gevangen zaten.
Stil, Israël vertelt een verhaal. Een priester uit Israël vertelt een verhaal. Een priester zonder tempel is hij. Ook hij is ver van huis. Denk niet dat die man het over het begin van de wereld heeft, Volantdaar weet die man niets van en hij is er bovendien niet in geïnteresseerd. Hij houdt geen verhandeling over hoe de wereld is ontstaan, hij zingt een gelovige ballade waartoe. De priester gaat zijn wanhopige volk dus niet geologisch uiteenzetten hoe God met de hemel en de aarde begonnen is. Zelfs al zou hij hetweten, hij zou hen er niet mee troosten. Nee, hij vertelt theologisch en naar beste kunnen waar het God met zijn hemel en aarde om begonnen is, waar het God in beginsel om begonnen is." Natuurlijk wordt hier een aantal zaken bijeengebracht die in (een deel van) de theologische gemeenschap algemeen aanvaard worden. Niettemin is het wel nadrukkelijk een verhaal 'van onderen'. Het gaat om de visie van mensen, hoe zij zich het begin van onze werkelijkheid voorstellen; er zit geen spoortje van 'gezag' bij, van goddelijke openbaring. Bovendien wordt de spanning tussen de geologie en de theologie hier ondraaglijk groot gemaakt, ben ik geneigd te denken.
Die man zegt niet wat echt gebeurd is, maar wat dat volk aan Babyions stromen echt troost! Die indruk wordt bevestigd door het volgende: "En wat die priester aan goede gedachten bijeengesprokkeld heeft, van her en der, van toen en nu, biedt hij de ballingen aan in de vorm van een lied. Een leerdicht."
Is er wel Iemand?
lets verderop lees ik: "En God zei ... Wie zegt dat God iets zei? Wat moeten we ons bij dit spreken Gods voorstellen?
Het kan toch alleen maar 'bij wijze van spreken' zijn dat God spreekt?" Hij vertelt dat een jongen op de school waar hij godsdienstles gaf de vraag stelde of God dan echt spreekt. "Ik weet niet meer welk antwoord ik destijds gegeven heb. Nu zou ik zeggen: 'Natuurlijk is het fantasie, mijn beste jongen, fantasie van Israël over God. Over God valt slechts te fantaseren. Op het doek van het wolkendek, op het scherm dat tussen hemel en aarde hangt, projecteren wij onze beelden van God, onze denkbeelden over God: Moeder, Vader, Schepper, Voleinder, Arend, Koning, Rechter, Herder, Koopman in oud roest. Allemaal beelden uit onze werkelijkheid, want waar zouden we ze anders vandaan moeten halen? Is God dan slechts vrucht van onze projecties? Moet je niet in plaats van 'God schiep de mens' zeggen dat de mens God schiep? Wie garandeert ons dat die projecties van ons ergens op slaan? Misschien is er slechts leegte aan gene zijde van het doek! Dat zou kunnen. Maar het zou ook kunnen dat God aan gene zijde van de wolken woont, boven het dak van ons denken."
Wie weet is alles wat in dit boek, en in de vier nog volgende boeken, alleen 'beeldsprakig', 'symbolisch' op te vatten.
Dat zou kunnen, geeft Ter Linden toe. Ik denk dan: Maar wat moet ik daar dan precies mee? Wat zeg ik tegen jonge mensen van de komende generatie? Zeg ik dan: Kijk maar of je hier geen diepe inspiratie bij je menszijn bij opdoet? Preciezer geformuleerd, als ik op een van mijn reizen contact heb met een Moslim die Christen is geworden, ontmoet, een man of vrouw die in zijn of haar oude woonomgeving blijft met gevaaar voor eigen leven. Zeg ik tegen zo iemand: "Het zou goed zijn, als u in uw visie de schoonheid van de taal en ook de mogelijkheid van een ermee overeenkomstige (zij het ons ten diepste onbekende) realiteit wilt overwegen? Ik constateer wel dat Ter Linden mij mooie en soms ontroerende gedachte aanreikt - dat doet hij inderdaad!maar dat ik er niet veel mee kan, als ik mensen in de situatie van vervolging ontmoet. Die hebben echt behoefte aan iets dat je in uiterste situaties houvast geeft, aan een krachtiger basis dan we hier ontvangen! Aan 'existentiëler' nabijheid van de Almachtige God. Aan zekerheid!
Hoeveel weten we van 'die priester'?
Nog een vraag: Hoeveel weten we eigenlijk van die priester die 'het verhaal' aan Babyions stromen verteld zou hebben? Waar de schrijver zich zo voorzichtig over (de mogelijkheid) van het echt kennen van God uitlaat, is het opmerkelijk hoeveel hij wel over die (mijns inziens puur fictieve) priester weet te vertellen. "Denk niet dat die priester het over het begin van de wereld heeft, want daar weet die man niets van en hij is er bovendien niet in geïnteresseerd". Hij heeft "goede gedachten bijeengesprokkeld", vernemen we. Hij spreekt (uitsluitend?) om te troosten. "Zo zingt de priester zijn lied, met het wereldbeeld van die dagen voor ogen. Dapper priestertje. Hij ontgoddelijkt de kosmos. Hij geeft geen college over het ontstaan van de wereld. Hi belijdt wat hij gelooft, een geloofslied van zeven coupletten." Ter Linden spreekt over de sabbat. "De sabbat. Israëls geschenk aan de wereld. Ook een godsgeschenk. De priester heeft er zijn hymne op afgestemd. Midden in het heidendom houdt hij staande dat een mens niet leeft om te werken maar dat hij werkt om te leven." Wat me opvalt is hoe menselijk, en menselijk makend, die priester toch gesproken heeft, temidden van een barre dwingelandij van heidense machten. Het feit dat die priester er zelfs maar is, vind ik al een wonder, een ontzagwekkend wonder! Het is een God waardig die er misschien niet is, of niet echt zo is als Hij wordt voorgesteld. Ik vind het eigenlijk gemakkelijker om te geloven dat God er echt is en Zich heeft geopenbaard (met alle vragen die je dan stellen mag wat dat betekent) dan dat hier een Joodse man, die we niet kennen, die volstrekt anoniem geweest is, hier deze grootse Hymne aanheft die miljoenen in alle tijden en alle culturen echt mens heeft gemaakt, met een lofzang aan God op de lippen soms heeft doen sterven. Als ik moet kiezen tussen het verhaal van Ter Linden en het verhaal van de (ouderwetse) Bijbel, geef mij dan te allen tijde die laatste!
Is wat troost daarmee ook waar?
'De god van de verhalenverteller' weet imponerende dingen te doen, het leven te beveiligen en psychologische zekerheden te geven. Niet dat die 'god' daarmee dus per se Degene is die de verhalenverteller zich voorstelt, maar het helpt wel om ons staande te houden in deze barre wereld, mens te blijven. Het heeft een machtig vertroostende werking. Toch denk ik aan een verhaaltje, een navrant verhaal, van een pastor die een vrouw uit de gemeente gaat opzoeken. "Een jonge vrouw", zei ik bijna maar dat klopt niet helemaal; ze is niet meer zo jong en komt erg verdrietig tot de conclusie dat ze nog steeds geen partner gevonden heeft en die ook in dit leven vermoedelijk niet meer zal vinden.
Dan komt de pastor en die wil haar troosten. Hij zegt: "Kop op, je kans is nog niet verkeken! Je bent nog niet zo oud dat je de moed moet opgeven." Hij zegt op haar zucht dat leeftijd er niet toe doet, dat ze toch niet aantrekkelijk is, dat ze dat wél is, dat ze zelfs érg aantrekkelijk is, dat hij - ja hij is getrouwd en dus kan het niet - haar dusdanig attractief vindt dat hij onder andere omstandigheden graag met haar gehuwd zou zijn! Als zij na die vurige troostwoorden haar tranen droogt, heeft ze nog één vraag: "Is dat echt waar?" De pastor, die in zijn pastorale ijver misschien toch wat verder gegaan is dan hij oorspronkelijk beoogde, aarzelt en hakkelt: "Nou nee, maar ik dacht dat het je wel goed zou doen om dit te horen! Het zal je op zijn minst troosten!" Zij, plotseling fel (en groot gelijk!) zegt vernietigend: "Maar iets wordt niet waar omdat het troost! Het troost alleen omdat het waar is ..."
En dus
En dus zeg ook ik: "Beste ds. Ter Linden, ik heb uw boek geboeid en soms met enige ontroering gelezen. Ik denk dat ik er best wat bruikbaars uit kan halen voor een preek in de toekomst en daar dank ik u voor. Alleen, wordt het hele verheven staketsel van zulke grootse zaken niet gezet op een veel te dunne basis? Wie is God eigenlijk, naar uw opvatting, en wat belooft Hij ons wel of niet, en met welke garantie? Dat zou ik toch graag willen weten, voor nu en voor later." Tot slot een persoonlijke herinnering. Toen mijn grootvader stierf, op hoge leeftijd, waren zijn laatste woorden: "Ere zij aan God de Vader, ere zij aan God de Zoon!" Toen viel hij in coma en was het spoedig voorbij. De vraag steeds opnieuw is: op welke basis kunnen we tot zo'n overgave komen, tot zo diepe zekerheid, dat we "in leven en sterven", zoals de Catechismus zegt, weten dat we niet onszelf toebehoren, maar eigendom zijn van onze getrouwe Zaligmaker Jezus Christus? Dat is de vraag. Op die vraag krijg ik bij dit eerste deel van de nieuwe serie te weinig antwoord. Dus houd ik het voorlopig maar bij 'het Oude Boek'.