Antwoord aan dr B. Wielenga
1996-11-29
'Het is een vriend die mij mijn fellen toont', dacht ik toen ik het artikel van dr B. Wielenga in Opbouw van 1 november jl gelezen had. Wielengais erover gevallen dat ik, toen ik in Opbouw van 4 oktober jl een bijdrage leverde aan het gesprek over echtscheiding en hertrouw, mijn visie tegenover die van de synode van Berkel heb getypeerd als een produkt van een wat vrijere omgang met de Schrift, tegenover de fundamentalistische benadering waar de synode blijk van gaf. Dat vond Wielengate losjes geformuleerd en daar heeft hij, moet ik toegeven, gelijk in.- Jaargang 40
- nummer 24
Sorry!
Hij was er bang voor dat ik met dergelijke lakonieke formuleringen vat op mijzelf zou geven en het kerkelijke gesprek met de vrijgemaakten op achterstand zou brengen. Wel, toen ik het zelf achteraf nog eens las was ik er ook niet zo gelukkig mee. Dat gevoelige woord vrij had ik inderdaad beter moeten omschrijven, wilde ik mij tenminste indekken tegen verdenkingen van vrijzinnigheid. Laat ik dat daarom alsnog doen. Met het woord vrij heb ik niet bedoeld te zeggen dat ik mij in mijn Schriftbehandeling vrij voel van wat de kerk over de Heilige Schrift belijdt. Het 'al deze boeken ontvangen wij voor heilig en kanoniek ...' staat mij als met een brandglas op de tafel van het hart geschreven - om maar iets te noemen. Nee, niet het vrij zijn van iets, maar meer het vrij zijn voor iets stond mij voor ogen, een omgang met de bijbel die mij in staat stelt om lasten die te zwaar zijn om te dragen van de schouders van mijn medebroeders en zusters af te nemen. Het meer historisch lezen van de Heilige Schrift dat ik mij in de loop der jaren voetje voor voetje heb eigen gemaakt, verschaft mij deze vrijheid. Niet dat dit historisch lezen nu mijn enige hermeneutische (=uitlegkundige) sleutel geworden is.
Zelfs niet mijn eerste. Voorop staat dat ik in de Heilige Schrift een boodschap opvang die voor alle tijden gelijk is.
Het is dit grote nieuws: dat God in Christus en om Christus' wil vóór ons is. Maar deze boodschap wordt door heel verschillende tijden heengedragen en neemt als gevolg daarvan een verscheidenheid van inkleding aan. En het is nu daarin dat ik het historisch bepaalde en het tijd- en situatiegebondene van de bijbel gelegen zie. Ik wijs hiervoor graag naar de lengte en het vele tijden omspannende van de Schrift. Want met name daardoor is het volstrekt niet onzeker waar de bijbel door die veelheid van tijden en situaties heen op uit is. Die konstante springt er gewoon uit. Tegelijk maken die verschuivende panelen in de bijbel ons gevoelig voor onze efgen tijd en de wisselingen die zich dáárin voordoen.
Zo is de bijbel in zijn lange loop van eeuwen en eeuwen een voorbeeldig en leerzaam trajekt waarop wij scholing opdoen om in al het wisselende het gelijkblijvende op te merken. Maar dit is waar: Beide, dat historische en dat bovenhistorische, liggen in de bijbel zo in elkaar verstrengeld, dat ik geen kans zie ze tot ieders genoegen van elkaar te scheiden. Daar blijft dus altijd, bij mij (en bij een ieder, denk ik) iets subjektiefs inzitten. Dit en andere dingen, ik heb het allemaal al wel eens gezegd, ook in het Interview van twee jaar geleden in Koers, dat mij nog steeds, kregen de vrijgemaakten hun zin, noodlottig dreigt te worden, mede vanwege het feit dat er zo hap-snap uit geciteerd wordt. Ware het toch eens mogelijk dat héél dit interview in het Nederlands Dagblad werd afgedrukt, in plaats van enkele uit het verband gerukte uitspraken ervan! Wat zou dat kunnen bijdragen tot herstel van mijn eer en goede naam in de beide huizen van de vrijmaking! Maar goed, laat ik nu niet de schijn wekken dat ik het ongelijk dat ik tegenover Wielenga belijd, weer op anderen verhaal. Ik weet trouwens best dat wat ik hier hardop verzucht niet mogelijk is.
Nog eens: het fundamentalisme
Maar Os Wielenga had nóg een verwijt aan mijn adres. Ik zou de vrijgemaakte synode en de vrijgemaakten in het algemeen ten onrechte van fundamentalisme hebben beticht. Op dit punt ben ik minder scheutig. Ik meen op te merken dat hij en ik onder fundamentialisme niet hetzelfde verstaan. Wielenga associëert de term met zaken als het hameren op een foutloosheidsdogma inzake de Heilige Schrift, een gedram over geschiedwetenschappelijke juistheid van de bijbelse geschiedschrijving en biblicisme. Hij ziet daar de vrijgemaakten weinig mank aan gaan en dat is ook zo.
Evenwel, zonder nu te beweren dat deze dingen niets met het fundamentalisme uitstaande hebben, geloof ik toch dat ik me er in het verleden wel eens anders over heb uitgelaten, op zoek als ik was naar wat achter die meer uiterlijke verschijnselen ligt. Ik wil er graag nog eens mee komen. Voorop moge dan staan dat de term fundamentalisme voor mij geen scheldwoord is, maar de aanduiding van wat ik zie als een te eenzijdige manier van bijbellezen. Met verwaarlozing namelijk van - en hier raak ik aan wat ik hierboven schreef - het historisch karakter van de Heilige Schrift, waardoor alles wat geschreven staat in een geur van blijvende geldigheid komt te staan. Voor wat het Oude Testament betreft werd dan dat historische karakter nog wel opgemerkt en het niet meer geldig zijn van veel van Mozes' voorschriften ingezien, maar eenmaal in het Nieuwe Testament aanbeland deed men alsof daar alles voor altijd geldig was. Niet onbegrijpelijk, trouwens, want het definitieve en het gelijkblijvende neemt in het Nieuwe Testament een veel groter plaats in dan in het Oude. Toch zit er ook in het Nieuwe Testament bewegelijkheid en daar ziet het fundamentalisme aan voorbij.
Huis en weg,een zelfcitering
Onlangs is van mij een preek over Romeinen 14:1-12 gepubliceerd in de bekende blauwe serie HET BLIJVENDE WOORD (24ste jaargang, no. 17), waarin ik het over de 'zwakken' en de 'sterken' heb. Ik ben zo vrij het begin van die preek hier over te nemen. Want zonder dat het woord fundamentalisme valt, heb ik het daarin over wat ons nu bezig houdt. Ik begon die preek als volgt: "Wat is de bijbel voor u: een huis om in te wonen of een weg om op te gaan? Is de bijbel voor u een huis om in te wonen, dan behoort u tot de zwakken over wie Paulus het in onze tekst heeft. Is hij een weg om op te gaan, dan bent u één van de sterken. De bijbel een huis om in te wonen. Dan neemt u met de heerlijke boodschap van Gods Woord de hele kultuur van de bijbel mee over. De gewoonten en zeden van de bijbel zijn dan de leidraad voor uw opstelling in het moderne leven. U kunt zich dan bijvoorbeeld uitstekend vinden in de patriarchale inrichting van het leven, zoals we die in de bijbel tegenkomen, en u bent dan van mening dat die ook het voorbeeld van de hedendaagse samenleving moet zijn. Het ideale beeld van de mensengemeenschap is dan voor u de bijbelse heerschappij, de vertikale ordening, waarin de onderschikking van de ene mens aan de andere (van de vrouw aan de man bijvoorbeeld) de boventoon voert, terwijl u weinig aardigheid beleeft aan de tegenwoordige maatschappij die aan de nevenschikking de voorkeur geeft.
Is evenwel de Schrift voor u de weg waarop u gaat, dan voelt u zich door de bijbel van de ene tijd in de andere geleid, van de ene kultuur in de andere gebracht, van de ene levensorde in de andere gestuurd. En dan kijkt u tegen de veranderingen in de samenleving van nu aan met iets van moed en vertrouwen, dat de Here die zijn volk, getuige de bijbel, door al zoveel tijden heeft heengeleid, ook voor vandaag wel een begaanbare weg naar morgen zal weten te wijzen.
U behoort dan tot de sterken onder het christenvolk."
Het overwicht van rust op beweging
De fundamentalisten zijn voor mij de mensen van het huis. In het woord fundamentalisme (de voorstelling van een fundament met daarop een huis) hoor ik iets van stilstand en gelijkblijvendheid. Bij het woord weg daarentegen denk ik aan beweging. In de bijbel zit zowel die stilstand als die beweging.
Vandaar dat ik in het vervolg van de aangehaalde preek het aangebrachte onderscheid ook weer relativeer door op te merken dat hij die woont in een huis, ook wel reist over de weg en dat zo ook hij die zich in de wereld van de bijbel helemaal thuis voelt, er niet omheen kan dat hij in een andere tijd leeft. Omgekeerd zal hij die sterk onder de indruk is van de beweging die er in de bijbel zit, de hang naar het zich bergen in het gelijkblijvende niet kunnen onderdrukken. In die zin gaat het tussen 'sterken' en 'zwakken' om een aksentverschil: de één legt de nadruk meer hierop, de ander meer daarop. En daar trek ik dan natuurlijk de konklusie uit dat de 'sterken' en de 'zwakken', de mensen van de weg en de lieden van het huis, elkaar nodig hebben. Toch is daarmee niet alles gezegd. Want aangenomen dat wij dat onderscheid tussen het blijvende en het veranderlijke in de Schrift tegenover het fundamentalisme terecht maken, moeten wij, hoe moeilijk dat ook is, die twee kanten van de bijbel in de juiste verhouding tot elkaar stellen. En wel in deze zin dat wij de gedachte van gelijkblijvendheid moeten verbinden aan de hoofd melodie die de Schrift ons voorspeelt, terwijl we de beweging met het meer bijkomstige te associëren hebben. Een waardeoordeel staat dus tussen beide in: het blijvende is van veel groter belang dan het wisselende. Dat is mijn verweer tegen het relativisme dat alles in de Schrift bewegelijk en vloeiend maakt en geen enkele vastheid overhoudt.
Gesteld dus voor de (heilloze) keus tussen beweging en rust, kies ik met overtuiging voor de laatste en neem ik het risiko voor een fundamentalist versleten te worden. Want ik wil wel het fundamentalisme, maar tot geen prijs het fundament kwijt. En ik durf zelfs wel de bewering aan dat al het bewegelijke in de Schrift in dienst staat van het onbewegelijke en dat de verandering der wankele dingen plaats vindt opdat blijve wat niet wankel is, zoals de brief aan de Hebreeën dat zegt over hemel en aarde in hun verhouding tot het onwankelbare Koninkrijk van God (12 : 27/28). Het fundament: dat God in Christus voor ons arme zondaars gekozen heeft - dát moeten wij door alle wisselvalligheden van de Schrift en van de tijd heen nader komen! Een en ander sluit goed aan bij een onderscheid dat ik eerder eens aan het boek Deuteronomium ontleende, dat we namelijk in de Schrift de geboden van God zowel door God zelf in steen gebeiteld (10:4) als door Mozes in de natte kalk geschreven (27:2/3) tegenkomen. En ook Paulus met zijn 'dit zeg niet ik maar de Here' en 'dit zegt niet de Here maar ik' (I Kor. 7: 10 en 12) heeft hiermee te maken.
Relativeren
Om na deze uitwijding tot het tweede verwijt van Wielenga terug te keren: Inderdaad zie ik de vrijgemaakte Schriftuitleg teveel in fundamentalistisch dit woord nu genomen in de zin van de hierboven gegeven verklaring) vaarwater verkeren. Toegespitst op het onderwerp waarover ik het in mijn artikel van 4 oktober jl had, betekent dit dat op de synode van Berkel de vragen rond echtscheiding en hertrouw mi te sterk benaderd werden vanuit woorden van de Schrift en van de Here Jezus zelf die een andere maatschappelijke konstellatie dan de onze tot achtergrond hebben. Een meer historisch of situatie-bepaald lezen van de Schrift zou hier tot andere uitkomsten hebben geleid. (Ik denk dan ook dat ik mijn uitdrukking 'een vrijere omgang met de Schrift' beter kan vervangen door 'een meer historische omgang met de Schrift'.) Om op dat historische, relationele, niet fundamentalistische bijbellezen in dit verband nog iets nader in te gaan: Vergelijk eens het scherpe verbod van Jezus tot echtscheiding met een ander woord van Hem uit de bergrede: Zweert ganselijk niet! Beide woorden lijken in hun absoluutheid voor geen misverstand vatbaar. Toch hebben wij dat laatste ondubbelzinnige voorschrift over het zweren, dat later door Jezus' broer Jakobus onverkort is overgenomen (Jak. 5 : 12) en dat daardoor een zeer stevige basis in de Schrift heeft gekregen, weten te relativeren door op de situatie te letten: Jezus had met een eedzweringspraktijk te maken die alle perken te buiten ging. Het absolute 'zweert ganselijk niet!' werd door daarop te letten in onze leer betreffende het menselijk handelen terecht afgezwakt tot: 'zweert niet onnodig!', om zo het funktioneren van de christenen in het publieke bestel mogelijk te maken. Wij hebben daar zelfs een katechismuszondag (de zevenendertigste) aan overgehouden.
Zo nu ook moeten we wat de Here Jezus, tegen de achtergrond van een losse en willekeurige mannenpraktijk dienaangaande, over het echtscheiden gezegd heeft, in die zin afzwakken dat Hij zich tegen het lichtvaardig ontbinden van de huwelijksband heeft gekeerd, in plaats van dat Hij dat (behoudens die ene uitzondering: niet anders dan om hoererij) strikt verboden zou hebben. We zeggen dat niet om zo meer dan voorheen de vrije hand voor het veroorzaken van deze ellende te krijgen, maar om (bijvoorbeeld) het hoofd te bieden aan de gevolgen van het romantische trouwen zonder voldoende voorbereiding, waar de achter ons liggende tijd zo sterk in geweest is. Veel huwelijksschipbreukelingen komt alleen daarom al een herkansing toe, want het gaat niet aan deze tekortkoming van ons allen alleen op hen te verhalen.
Nog een steen des aanstoots
Ik sluit af. Ik ben ds Wielenga dankbaar voor zijn reactie en ik neem mij voor mij nog meer dan voorheen behoedzaam uit te drukken. Onder geen beding mag de indruk ontstaan als zou ik niet door een gelijk gevoel van eerbied voor de Schrift met mijn vrijgemaakte (en andere orthodoxe) gesprekspartners verbonden zijn. 0 ja, nu toch de pen vasthoudend wil ik nog even iets zeggen over de uitdrukking 'gereformeerd gezeur', waarmee ik onze schier eindeloze discussies over het schriftgezag heb getypeerd. Wielenga noemt die steen des aanstoots ook weer. Heb ik destijds echt niet duidelijk kunnen maken dat ik daar niet enkel de vasthouders aan het oude mee bedoeld heb? Zij voelen er zich het meest door in hun wiek geschoten, heb ik gemerkt. Zij hebben er iets laatdunkends naar juist hun kant in gehoord. Ten onrechte, geloof ik. De term kwam spontaan in mij op toen ik me met het boek van dr Loonstra bezighield. Dat vond ik bij alle herkenning die ik erbij had wat verhullend en in-en-uit-praterig. Ik zag het al voor me hoe zich rondom zijn uitgekiende formuleringen een nimmer eindigende discussie zou ontspinnen. Zouden we ons dat met iets meer doortastendheid niet kunnen besparen, vroeg ik me af.
Om zo vrij te komen voor een schriftgebruik waarmee we niet zozeer de vakgenoten tevreden stellen maar veel meer het gewone gemeentelid helpen bij de vele onnodige gewetensnoden die van een te rigoreuze bijbelopvatting het treurige gevolg zijn.