Het Woord is vlees geworden, Johannes 1:14
1996-12-13
Jaren geleden schreef een Engelse schooljongen in zijn opstel: "Hoe komt het toch dat er tegenwoordig zoveel tweelingen geboren worden? Ik denk dat dat komt, omdat kinderen bang zijn om in hun eentje op de wereld te komen". Dejongen legde zijn kleine vinger bij een groot probleem: dat van de eenzaamheid. Zonder liefde van opzij en omhoog is het geen leven. Kerst voedt de hoop, dat in deze diepste nood is voorzien.- Jaargang 40
- nummer 25
Het wonder van een liefhebbend hart
In zijn boek De pest vertelt Albert Camus van een oude man in een stad in Noord-Afrika waar de pest is uitgebroken.
Niemand mag de stad meer in of uit. De mensen sterven massaal. Wie overleeft is ziek van malaise. Als de oude man met kerst in een etalage kijkt, denkt hij wanhopig aan het gezicht van zijn vrouw. Hij heeft haar zo lang niet gezien, zal hij die ogen ooit nog zien? De herinnering aan haar gezicht vult zijn ogen met tranen. Dan schrijft Cam us: "Voor ieder komt het moment waarop hij moe is van zijn werk en van de toewijding aan zijn taak, en het enige waar hij nog naar hunkert is een gezicht dat hij bemint, de warmte en het wonder van een liefhebbend hart". Eenzaamheid is het missen van dat gezicht, van de ogen die liefde spellen, van het hart dat de warmte en het wonder van genegenheid uitzendt. Zoals de mens in het paradijs ondervond toen hij wandelde met God.
Communicatie tussen hemel en aarde
"Het Woord is vlees geworden". In deze ene zin vat het vierde evangelie het geheim samen dat geen mens ooit had bedacht. Woorden zijn dragers van wat wij voelen, denken, willen.
Woorden zijn communicatiemiddelen waardoor wij contact zoeken met elkaar. Toen het Woord vlees werd, zocht God in Jezus weer communicatie met de wereld, bracht Hij de verbinding tot stand die Hij van den beginne beoogd had toen Hij in de avond koelte Adam zocht. Het Woord was God, schrijft de evangelist, God is van den beginne op communicatie uit. En door dit Woord is alles geworden: alles draagt het stempel van Hem die zich als vriend op de wandeling wil doen kennen. Dit Woord scheen als licht in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan. En zweeg het Woord toen, dodelijk, of sprak het vlammenden veroordelend? Toen werd het Woord vlees, als gras in een wintertuin, kwetsbaar, broos en sterfelijk, en woonde onder ons, om zo, herkenbaar van opzij, ons de warmte en het wonder van Gods bewogenheid te tonen.
Werden die door het voorhangsel voor de tempel verhuld, hing voor Mozes' gezicht een doek, in Jezus kon je Gods heerlijkheid zien, zijn genade en waarheid. Met geen ander doel schreef Johannes het evangelie dan om die goddelijke goedheid en trouw uit de doeken te doen. Hoe het levende Godswoord mensen opzocht, toesprak, troostte, heelde, het leven weer voeten en toekomst gaf, door de wereld waart en licht in ogen brengt met vasthoudende liefde ...
Verbonden
Zoals in die middeleeuwse gelijkenis van de verloren dochter, een parabel die in Opbouw in decemberweken wel mag verhaald. Over een meisje dat Maria heette maar met de duivel leefde, zeven jaren lang. Een eenzaam kind, dat meende dat niemand haar begreep en niemand van haar hield. Hield iemand maar van haarGod of de duivel, zei ze, het maakt me niet meer uit. En de duivel kwam in de gedaante van een aardige jongen. Sta me toe je te vermaken, zei de jongen, ik heb slechts dit verzoek, dat je afstand doet van je naam, want ik zal nooit van iemand kunnen houden die Maria heet. Maar daar wilde zij niet van weten. Welke naam is mooier, zei ze, dan die van Maria, de moeder van God? Maar de duivel hield voet bij stuk. Luister liefje, zei hij, als we vrienden willen zijn, zul je een andere naam moeten kiezen. En nog iets: ik wil ook niet meer dat je het kruisteken slaat. Dat is geen probleem, zei Maria, ik zal geen kruisje meer slaan, maar mijn naam opgeven: nooit! Toen sloot de duivel een compromis. Goed, zei hij, ik zal je de eerste letter van je naam laten houden. De letter M mag je houden en ik zal je Emmeken noemen. Zo was er nog één letter, één draadje dat Emmeken aan haar verleden en God bond. Dat ene draadje hield ze vast, of liever omgekeerd, dat ene draadje hield haar vast, want de kracht kwam van boven, niet van haar.
En toen zij zeven jaar met de duivel geleefd had, kwam Emmeken tot zichzelf en zei: Ik zal opstaan en naar God teruggaan. En ze stond op en keerde terug naar God. Dit is geen fabel. Emmekens zijn er genoeg, gedoopt, maar het teken van het kruis maken ze niet meer, ze lezen niet meer in de bijbel, gaan niet meer naar de kerk, bidden niet meer. Zij houden God niet vast, maar God hen wel. Een dunne draad verbindt hen nog aan Hem: de Naam bij hun doop aan hen verbonden. De sterkte van die draad is van boven afkomstig. Anders zou hij breken. Niet de mens heeft zich aan God, maar Hij heeft zich in Jezus aan mensen verbonden. Het Woord is vlees geworden en sindsdien is God als een tweelingbroer onder de mensen, met zijn vriendelijk aangezicht, zijn zoekende ogen en de warmte en het wonder van zijn liefhebbende hart. Erop uit om hen aan te spreken. Ook via ons?
(Naar een preek van collega John Timmer, emeritus van de Woodlawn Christian Reformed Church, Grand Rapids, 20 december 1992)