Wedergeboorte en bekering (2)
1996-12-13
De vorige keer heb ik het eerste deel gepubliceerd van een brief aan een broeder uit de Gereformeerde Gemeente. In dat eerste deel ging het vooral om de betrouwbaarheid van het (belofte) Woord van onze Here God. De beide in de titel genoemde woorden wedergeboorte en bekering kwamen nog nauwelijks aan de orde. Dat gebeurt wel in het hierna volgende tweede en laatste deel van de brief.- Jaargang 40
- nummer 25
Matteüs 19, 1 Petrus I, Titus 3
"Maar de wedergeboorte dan? Daar wordt dan toch maar over gesproken in de bijbel!" Inderdaad. Weet u hoe vaak? Als ik het heel ruim neem, kom ik op vijf keer. * Eén van die vijf valt onmiddellijk af: Matteüs 19:28, waar Jezus het woord 'wedergeboorte' gebruikt in zin van 'wederkomst' . * Dan komt het twee keer voor in 1 Petrus 1. Eerst in vers 3, om het wonder van Pasen te beschrijven. Petrus gebruikt daar beeldspraak: toen Jezus was gestorven, zegt hij, toen was ook onze hoop gestorven; toen hadden we niks meer over; eigenlijk waren ook wij dood. Maar daarna stond Jezus op uit de dood, en wat er toen gebeurde, dat kun je alleen maar vergelijken met het wonder van een geboorte. Eigenlijk zijn we op dat Paasfeest opnieuw geboren.
'Wedergeboren: staat hier dus om het effekt van de opstanding van de Here Jezus te beschrijven. Dat wil zeggen: Petrus gebruikt het woord hier anders dan dat in de dogmatiek pleegt te gebeuren.
* In vers 23 van 1 Petrus 1 spreekt Petrus zijn lezers (allen!) aan als 'wedergeborenen' . Hij stelt dat niet diskutabel, hij twijfelt er niet aan, nee, hij gaat ervan uit, en hij roept hen op om, juist omdat zij wedergeborenen zijn, elkaar van harte en bestendig lief te hebben. Zo kan Petrus alleen spreken omdat hij er ten volle op vertrouwt dat de Here betrouwbaar is, en dat Hij het nieuwe leven ook metterdaad geeft aan degenen aan wie Hij dat belooft. * In Titus 3:5 noemt Paulus de Doop 'het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest'. Daar wil ik nu maar één ding over zeggenen ik val nog in herhaling ook - Paulus kan alleen zo over de Doop spreken, omdat hij er volledig op vertrouwt dat de Doop van Godswege onbedrieglijk is. Als God in de Doop een mens(enkind) aanspreekt met Zijn belofte-woord, dan méént Hij wat Hij zegt. Dan is de Doop niet maar een uitwendig teken dat op zichzelf nog niets waard is, maar dan is die Doop wérkelijk het Woord van God in alle concreetheid gesproken tot jou: "Ik maak jou een nieuwe mens. Ik zie jou als een kind van Mij". (En natuurlijk - zeg ik er dan voor de zekerheid maar gelijk weer bij - is er nog die deur, waardoor je weer naar buiten kunt, als je dat dan beslist wilt; dan leg je de nieuwe mens af, en doe je de oude mens weer aan. Onvoorstelbaar toch? Maar het kan. Erger nog: het gebeurt).
Johannes 3
* Tenslotte, en verreweg het bekendst: in Johannes 3 spreekt Jezus met Nikodemus over de wedergeboorte. Of, strikt genomen spreekt Hij niet eens over de wedergeboorte, maar over 'van boven geboren worden' (ook op de andere vier plaatsen worden trouwens twee verschillende woorden gebruikt, elk weer anders dan in Johannes 3).
Maar laten we bij dat woordgebruik niet te lang stilstaan, en er maar gewoon van uitgaan dat het bij die verschillende woorden verder wel ongeveer om hetzelfde gaat; met uitzondering dus van Matteüs 19 en 1 Petrus 1:3. Tegen Nikodemus zegt Jezus: "Tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien." Het is dit Schriftwoord, dat in het verdere verloop van de geschiedenis zo'n geweldig effect heeft gekregen dat de wedergeboorte geworden is tot een vast punt in de orde des heiis. Dat is niet gebaseerd op één van die andere vier teksten, maar enkel en alleen op dit woord, gesproken tot déze man. Waarom die laatste toevoeging erbij ('gesproken tot deze man')? Nu, omdat het inderdaad naar mijn stellige overtuiging niet toevallig is dat juist Nikodemus dit woord van Jezus te horen krijgt.
Waarom immers spreekt Jezus één hoofdstuk verderop, in het gesprek met de Samaritaanse vrouw, met geen woord over de wedergeboorte? Was daar bij haar geen reden toe? En waarom lezen we er niets over in bijvoorbeeld het tweede gedeelte van Handelingen 16, waar Paulus het Evangelie verkondigt aan de gevangenisdirekteur in Filippi? "Wat moet ik doen om behouden te worden?", vraagt die man; en Paulus zegt: "Je hoeft niks doen, alleen maar geloven"-
Waarom nlét tegen al die anderen, en wél tegen Nikodemus? Ik weet daar maar één antwoord op: omdat Jezus voor hém een raadselwoord nodig heeft om door zijn religieuze trots heen te breken. Nee, het is niet raar dat Nikodemus er niks van snapte (vers 4); dat was precies de bedoeling. Wat hij immers wilde, was een gesprek onder elkaar als twee confraters, horend tot hetzelfde gilde; en dát kan niet; zó kun je niet met Jezus praten. En om hem in één keer radikaal uit die onmogelijke houding te stoten, dáárom spreekt Jezus tegenover déze man dat raadselwoord over de noodzaak van het opnieuw, van boven geboren worden. Jezus kent de mens. Zoals Hij weet hoe Hij de weg moet vinden naar het ommuurde hart van een Samaritaanse vrouw (Johannes 4), zo weet Hij ook hoe Hij het hart moet openen van een minzame religieuze topfunktionaris, die Hem met een bezoek vereert. Is ieder mens een Samaritaanse vrouw? Nu, uw vrouw zou zich terecht beledigd voelen als ik haar zou zeggen dat zij vijf mannen heeft gehad en dat de man die ze nu heeft haar man niet is. Natuurlijk is niet ieder mens een Samaritaanse vrouw. Maar is iedereen dan wel een Nikodemus? Is het terecht om het woord dat Jezus zeer gericht spreekt tot déze man - en dus niét tot anderen - tot een algemeen model te maken, als ware het gesproken tot ieder mens ter wereld, van wat staat of stand hij of zij ook wezen moge? Mij dunkt: wij moeten de Schrift meer onderscheidenlijk lezen.
Hetzelfde of iets anders?
Eén ding nog hierover: Jezus gebruikt tegenover Nikodemus dus andere wóórden dan tegenover de Samaritaanse vrouw (of dan Paulus tegenover de gevangen-bewaarder in Filippi). Maar zegt Jezus tegen Nikodemus dan ook iets ánders dan tegen die anderen? Je kunt immers met andere woorden hetzélfde zeggen, maar je kunt ook iets ánders zeggen. Hoe is dat hier?
Nu, het antwoord op die vraag is eenvoudig; u hoeft maar een paar verzen door te lezen. Na vers 8 van Johannes 3 spreekt Jezus niet meer over het opnieuw geboren worden; Hij spreekt wél over geloven; zie met name vers 15 en 16, waar het gaat om het hart van het heil van God. Wie zal behouden worden? "Ieder die gelooft". Daar had ook kunnen staan: 'Ieder die wedergeboren is'. Maar die term, zo speciaal bedoeld voor Nikodemus, heeft Jezus nu, in het vervolq van dit gesprek, losgelaten.
Het gesprek verbreedt zich, de spits is niet meer alleen gericht op Nikodemus; wat Jezus verder te zeggen heeft gaat ons allen aan; en daarom neemt nu het bredere en veel duidelijker woord 'geloof' de plaats in van het beperktere en raadselachtiger woord 'wedergeboorte' . Tegen de gevangenbewaarder in Filippi zal Paulus straks zeggen: "Stel uw vertrouwen op de Here Jezus, en gij zult behouden worden!' - in Johannes 3 zegt Jezus precies hetzelfde; alleen heeft Hij voor 'Nikodemus andere woorden nodig.
Geloof en wedergeboorte
Goed, na dit lange exegetische verhaal keer ik terug tot de hoofdlijn van mijn verhaal. En ik doe dat door onmiddellijk aan te sluiten bij die machtige woorden van Jezus uit Johannes 3:15-16: "opdat een ieder die in Hem (in de Here Jezus) gelooft, eeuwig leven hebbe" . Mijn grootste bezwaar tegen de beschouwingen zoals ze op dit punt gangbaar zijn in de kring van de Gereformeerde Gemeenten is, dat er afbreuk wordt gedaan aan de betrouwbaarheid van het Woord van onze God. Want God zégt nu wel dat een ieder die in Hem gelooft, behouden zal worden, maar dat mag jij niet zomaar naar jezelf toehalen; daar moet eerst nog wel iets voor gebeuren. Wát moet er dan gebeuren? En precies in dat gat valt dan het woord 'wedergeboorte'. En de suggestie is: je kunt pas geloven als je eerst wedergeboren bent. En daar zitten Gods kinderen weer in die angstige onzekerheid: wanneer immers kun je zeggen dat je wedergeboren bent? Hoe kun je daar zeker van zijn? Want pas als je dát zeker weet, dan gaat die etalage voor jou open, en dán mag je geloven dat al die rijkdommen ook jou toekomen!
Effect - weer: onbedoeld, maar daarom niet minder reëel - is dat het zwaartepunt van het geloof toch weer bij de mens komt te liggen, en niet bij God. Ik zie dat ook regelmatig opduiken in meditaties in De Saambinder (dat is het landelijk weekblad van de Gereformeerde Gemeenten). Daar worden soms bijbelfiguren besproken die het er nu niet zo geweldig hebben afgebracht.
En je zou zeggen: Wat een geweldige troost en bemoediging voor mensen vandaag! Wat is de Here machtig in Zijn genade dat Hij zelfs zulke mensen tot Zijn kinderen aanneemt!
Maar wat gebeurt er dan (vaak) in zo'n meditatie? Er wordt een tussenschakel ingevoegd, die niet aan de bijbel ontleend is, maar aan het eigen dogmatische schema: er wordt een bekering verondersteld bij de betreffende persoon (waar de bijbel met geen woord van rept), en op grond van die bekering kon God zo iemand in genade aannemen.
Nogmaals: het is stellig onbedoeld, maar het onmiskenbare effekt hiervan is dat uiteindelijk mijn beslissing de doorslag geeft over wel of niet delen in het heil van God. En ook het terugvoeren van die beslissing op Gods overmacht (zoals dan doorgaans wel gebeurt) doet daar rn.i. niets aan af. En dat wat de bijbel troostend, bevrijdend, bemoedigend bedoelt (ik denk aan kernwoorden als Efeze 2:8-10 en Filippenzen 2: 13), dat wordt alleen maar tot een extra verzwaring van de last die je als mens te dragen hebt; een last die je uiteindelijk ook geen andere weg laat dan het oude: 'Och, mocht het nog eens komen staan te gebeuren' - terwijl de Hére nu juist zegt: "Jij moet geloven; jij moet Mij vertrouwen; jij moet aannemen wat Ik tegen je zeg." Of - ik kan het ook anders zeggen: "Jij moet je bekeren; jij moet ophouden met op die oude manier naar jezelf te kijken, jij moet van nu af aan op een nieuwe manier naar jezelf kijken."
Bekering
In de laatste zin had ik het over 'je bekeren' - en daarover wil ik nu tenslotte ook nog iets zeggen. Wat is bekering, in mijn visie? Ik kan het nu, in aansluiting aan de laatste zin van het voorgaande stukje, heel eenvoudig zeggen, maar ik doe dat dan ongetwijfeld wel anders dan u het gewend bent te horen: Mijn bekering is dat ik Gods werkelijkheid nu ook werkelijkheid laat zijn in mijn leven. Ik verwijs naar Romeinen 6:11: ,;Zo moet het ook voor u vaststaan dat gij dood zijt voor de zonde." In het gedeelte daarvóór heeft Paulus verteld wat de nieuwe werkelijkheid van God is: Je bént dood voor de zonde, je bent begraven met de Here Jezus. Voel ik dat altijd? Nee, dat voel ik niet altijd. Soms voel ik er helemaal niks van. En de Romeinen, aan wie Paulus schrijft? Nu, blijkbaar wisten zij niet eens dat dit de inhoud en de betekenis van de Doop was! Ze hielden er tenminste behoorlijk merkwaardige ideeën op na (vers 1), en Paulus houdt er serieus rekening mee dat ze de diepten van de heilsgeheimen nog op geen stukken na doorgrond hebben (vers 3). En toch zegt hij dan niét: "Beste mensen, jullie moeten je eerst maar eens bekeren en dan praten we wel weer verder." Nee, hij gaat de werkelijkheid zoals die van Godswege, op grond van de Doop, geldt, met alle overtuiging en intensiteit uiteen zetten (tot en met vers 10). En dán zegt hij: "Beste mensen, dit moet je nou geloven; dit moet voor je vaststaan; jij moet déze werkelijkheid van God nu ook werkelijkheid laten zijn in jóuw leven." Want dán ben je, zo voeg ik er in mijn woorden aan toe, dan ben je bekeerd.
Wat is bekering? Het is: de werkelijkheid van God nu ook werkelijkheid laten zijn in jouw leven. Het is: ermee ophouden naar jezelf te kijken door je eigen ogen, maar van nu af aan alleen nog naar jezelf kijken door Góds ogen. Immers: "Hierin is de liefde: niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft als een verzoening voor onze zonden" (1 Johannes 4:10). En nu maar één ding: geloven, Hem vertrouwen op Zijn Woord. Géén tegenwerpingen meer, niet aankomen met: 'ik ben niet wedergeboren', of: 'ik voel er van binnen niks van' - nu alleen nog je knieën buigen, je handen opheffen, en in je hart en leven Hem Koning laten zijn!