Verlost van wetjes in de ‘Jezus-kerk’
2010-04-30
Hij groeide op binnen de nauwkeurige grenzen van de reformatorische zuil. Inmiddels is Gerard van Engelenburg lid van de NGK Veenendaal. Het is nogal een verschil, maar hij voelt zich helemaal thuis in de ‘ontspannen’ en ‘ruime’ gemeente. Deel drie van een serie frisse blikken op de NGK.- Jaargang 54
- nummer 9
‘Hoe kan ik nee zeggen tegen zo’n God?’ Na jaren van ongeloof en twijfel kwam Gerard van Engelenburg als twintiger tot het inzicht dat God een God is die liefheeft. Een openbaring, want heel zijn jeugd bleef die kant van God voor hem verborgen.
Gerard groeide op in Veenendaal, in een gezin met zeven kinderen. Zijn ouders kerkten in de Gereformeerde Gemeente in Nederland (buiten verband), een marginaal kerkverband dat zich in 1980 afsplitste van de Gereformeerde Gemeente in Nederland. In Veenendaal stond dominee Wink op de kansel – jarenlang de enige predikant van het genootschap, tot hij in januari 2010 overleed.
Hoewel Gerard altijd zonder mokken met zijn ouders mee naar de diensten ging, voelde hij zich nooit thuis in de kerk en had hij ‘geen persoonlijk geloof in God’. Hij was tegendraads en hield ervan in discussie te gaan.
Toch doorliep Gerard de volledige reformatorische zuil. Hij ging naar reformatorische basis- en middelbare scholen en ook de MTS die hij bezocht, was op refoleest geschoeid. ‘Het wereldje komt soms bedreigend over, maar zo heb ik het niet beleefd. Ik heb een gelukkige jeugd gehad’, vertelt Gerard.
‘Maar ik had wel altijd een onbestemd gevoel’, vervolgt hij. Dat gevoel werd vooral veroorzaakt door de kramp waarin de gemeente leefde, weet Gerard nu. ‘Wink vertelde slechts een ministukje van Gods genade. Een God die van je houdt, was er voor ons niet. Tenzij je bij de uitverkorenen hoorde, maar dan moest je eerst een zwaar zondebesef hebben en veel Bijbellezen. In die kringen wordt een God beleden die erg ver weg is, en dus ís God ook erg ver weg. Er rust geen zegen op. Wetjes zijn hun houvast, niet Gods genade.’
Vooral tegen het punt van de uitverkiezing liep Gerard steeds weer aan. Daarbij kwam dat hij vanaf zijn zeventiende vaker in aanraking kwam met andere gelovigen. Zo ging hij op vakantie met Beter-uit Reizen, waar hij met verbazing naar andere jonge christenen keek. ‘Misschien ga je lachen, maar ik zag daar een jongen met een oorbel getuigen van zijn geloof. Dat was heel vreemd voor mij.’
Het zijn ‘gave herinneringen’, vindt Gerard, maar tegelijk voelde hij in die tijd ook een soort angst. ‘Een bekende spreuk in reformatorische kringen is: met een ingebeelde hemel naar de hel gaan. Ik voelde onbewust toch angst dat ik mezelf voor de gek aan het houden was.’
Pas toen hij zijn vrouw Anne – leerkracht op een basisschool – leerde kennen en ging kerken in de Nederlands Hervormde Kerk in Wekerom, begon hij in te zien dat de uitverkiezing ook anders ingevuld kan worden.
‘Dominee Jan Maas speelde daar een grote rol in. Hij vroeg eens: waarom ga je niet belijdeniscatechisatie doen?
Ik zei dat ik daar nog niet aan toe was. Hij antwoordde: lekker belangrijk, of jij daar aan toe bent. Misschien is God er wel aan toe. Dat raakte me heel erg. God verlangde naar mij, dat had ik nog nooit gehoord.’
Jezus-kerk
Gerard deed belijdenis, trouwde met Anne en ging in Harskamp wonen, terwijl hij in Wekerom bleef kerken. In 2004 verhuisde hij terug naar Veenendaal. In eerste instantie sloot het echtpaar zich aan bij de PKN. Daar voelden ze zich echter niet thuis, waarna een zoektocht door Veenendaal volgde.
De NGK kende Gerard toen slechts zijdelings, via vrienden uit Ede. ‘Ik had dat veroordelende wat je vaak ziet in reformatorische kringen. Ik dacht: ze zeggen nu wel dat ze christenen zijn, maar ondertussen...’
Het waren zijn tweelingdochters die hem en zijn vrouw zo’n drie jaar geleden op het NGK-pad brachten. ‘Iemand in de klas van Anne ging een toneelstuk opvoeren met kerst. Natuurlijk moest de juffrouw ook komen’, vertelt Gerard. ‘Wij gingen erheen. Op een gegeven moment droeg degene die Maria speelde een pop in haar handen, dat het baby’tje Jezus moest voorstellen. Onze dochters, die nogal verlegen zijn, waren niet mee naar voren gegaan met de andere kinderen, maar nu zei één van hen: papa, ik wil naar voren toe, ik wil naar Jezus toe. Het was de eerste keer dat ze Jezus “zagen”.’
Na die tijd vroegen de dochters, toen vier jaar oud, regelmatig of ze weer naar de “Jezus-kerk” mochten gaan.
Op een bepaald moment besloten Gerard en Anne daarom nog eens te gaan kijken. ‘Die eerste dienst voelden we ons direct opgenomen. Die gastvrijheid was heel plezierig. Er werd ook meteen gezegd dat het een diverse gemeente is, ook in de liturgie, en dat we dus het beste een paar diensten konden komen. Het ging allemaal heel ontspannen, ik voelde me gelijk erg thuis. En er was ook een geestelijke band: het ging er niet om alle wetjes of
hoe je je zou moeten gedragen.’
Flexibel
Gerard en Anne hebben hun kinderen (ze hebben er inmiddels vier) de afgelopen jaren tot bloei zien komen in de NGK. ‘Ze gaan met plezier naar de kerk, ze staan zelfs te springen op het podium om liedjes te zingen’, zegt Gerard. ‘Natuurlijk komt het ook in de NGK voor dat kinderen niet meer naar de kerk willen, maar voor ons maakt het verschil. Dat was ook doorslaggevend bij onze beslissing om NGK-lid te worden.’
Zelf heeft Gerard de NGK leren kennen als een ontspannen en vrije gemeente en hij heeft dan ook nergens aan hoeven wennen na zijn overstap. ‘God is een heerlijk brede God en ik heb het gevoel dat daar binnen de NGK ruimte aan wordt gegeven.’ Gerard vindt het daarbij plezierig dat er flexibel om wordt gegaan met tradities.
‘Tegelijkertijd staat de kerk wel in de traditie en dat vind ik goed. Ik vind het bijvoorbeeld heel gaaf dat de belijdenisgeschriften waar ik mee opgegroeid ben hier ook gebruikt worden. Er wordt alleen nuchterder mee omgegaan.’
Typerend voor die flexibiliteit is voor Gerard dat de gemeente in een school kerkt – iets wat hij niet kende. ‘Voor mij is dat een beeld dat we als gemeente geen kerkgebouw zijn. In de kerk waar ik vandaan kom, is dat wel zo. Toen ik er pas weer eens was, zag ik een klein meisje heel vrolijk en opgewekt de hal binnen komen lopen.
Het enige dat haar moeder zei, was: ssst, we zijn hier in de kerk.’
Stemmetje
Soms hoort Gerard nog wel eens een reformatorisch stemmetje in zijn hoofd. Zo voelt hij wel eens de neiging om mensen te veroordelen die oppervlakkig lijken te leven. En bij typische NGK-thema’s als vrouw in het ambt dringt zijn achtergrond zich sterk naar de voorgrond. ‘Veenendaal is nog redelijk behoudend, daar heb je alleen vrouwelijke diakenen. Maar ook dat was wel even schrikken voor mij. Het voelt toch best vrijzinnig.’
Gerard is echter blij met hoe er in Veenendaal mee om wordt gegaan. Ook als het om homoseksualiteit gaat.
‘De kerk wil daarin een “heilige en veilige plek” zijn. Daar ben ik heel blij mee’, zegt Gerard. ‘Daar voel ik me in thuis.’
Aan de andere kant weet Gerard zijn reformatorische achtergrond ook op een positieve wijze in te zetten in de gemeente. ‘Mijn Bijbelkennis is groot, dat kan ik goed gebruiken. Bovendien ken ik veel vraagstukken waar mensen mee zitten, omdat ik er zelf ook mee zat. Zo heb ik een Alpha+-groep geleid en dat beviel erg goed.’
Gerard vervolgt: ‘Wat ik ook aan mijn achtergrond te danken heb, is standvastigheid. Dat zeg ik met een glimlach. Ik ben in zekere zin wel eigenwijs. Als ik ergens voor sta, dan sta ik er ook echt voor.’
‘Verder heb ik, ook vanuit de Nederlands Hervormde Kerk, een bepaald evenwicht meegekregen. Dat voorkomt dat je beeld van God te eenzijdig wordt, zoals je wel eens ziet bij mensen met een oppervlakkig geloof. Ik denk dat dat wel iets is wat ik kan toevoegen in de gemeente. God is ook een heilige God en ik geloof nog steeds dat de mens van nature dood is in de zonde. Maar nu weet ik ook, door Gods genade, dat we een nieuwe mens mogen zijn door het verlossende werk van Jezus Christus. Beide kanten moeten aan bod komen.’