Het evangelie verborgen in de Bijbel

1996-05-31
  • Jaargang 40
  • nummer 11
Niet voor niets herinnert deze titel aan die van mijn vorige artikel in Opbouw: GOD VERBORGEN ONDER HET KRUIS. Zoals Luther vaststelt, dat wij God nergens anders kunnen vinden dan in zijn ‘vermomming’ van zwakheid en dwaasheid, zo gelooft hij ook dat Gods heerlijk evangelie verstopt is in een boek dat niet zelden de hoon van de intellectuelen oproept: de bijbel. Met zijn opvatting kunnen wij onze winst doen in de hedendaagse discussie over het Schriftgezag.

Eerbied voor de Schrift
Sinds mensenheugenis wordt er kritiek uitgeoefend op de bijbel. Reeds in de tweede eeuw hadden intellectuelen er een behagen in, de fouten en ongerijmdheden op te sommen die zij in de bijbel hadden ontdekt. Beroemd is de aanval op de bijbel van een zekere Celsus geworden: in het jaar 178 publiceerde hij een boek, waarin hij met een keur van argumenten de stelling poneerde, dat een boek met zoveel dwalingen leugen het vertrouwen van mensen niet waard is. Na Celsus zijn er tallozen geweest die hetzelfde beweerden, tot op de dag van vandaag toe. Het effect van die aanvallen is reusachtig. Het is langzamerhand gebruikelijk geworden in onze maatschappij, om zich enigszins denigrerend over de bijbel uit te laten.
Binnen de kerken is grote onzekerheid waar te nemen. Veel christenen zijn zo gevoelig voor die opsomming van ongerijmdheden in de bijbel, dat hij voor hen van zijn voetstuk gevallen is.
De diepe geloofscrisis waar wij middenin zitten, wordt daardoor alleen maar versterkt.
Luther zou op dit alles met 'ontzetting hebben gereageerd. Voor hem stond zo vast, dat de bijbel de bron is waaruit wij de blijde boodschap van Gods genade mogen putten, dat hij niet geaarzeld zou hebben in dit onderuit halen van de bijbel de hand van de duivel te zien. Zijn eigen leven en denken is doortrokken van mateloze eerbied en dankbaarheid voor de Heilige Schrift. Elk jaar las hij de hele bijbel twee maal door. Zijn professoraat in de theologie, dat hij met korte onderbrekingen meer dan dertig jaar heeft uitgeoefend, wijdde hij aan niets anders dan aan bijbel uitleg, wat in die tijd als revolutionair gold. Wetende dat hij het Duitse volk geen grotere dienst kon bewijzen dan met een bijbel in de eigen taal, heeft hij de enorme prestatie geleverd om, naast al het andere werk dat hij deed, samen met een almtal vrienden en collega's heel de bijbel te vertalen. In talloze uitspraken heeft hij zijn grenzeloze hoogachting voor de bijbel tot uitdrukking gebracht.
Ik citeer er een aantal:

Wat de weide is voor het vee, het nest voor de vogel, de rivier voor de vis, dat is de Schrift voor de gelovige ziel.

We moeten een tittel en letter van de bijbel groter achten dan de hele wereld en daarvoor sidderen als voor God zelf.

De Heilige Schrift is een ongelooflijk grote boom, maar er zit geen takje aan, waaraan ik niet met eigen hand geschud heb en ik heb er steeds weer een paar eppete afgehaald.

Ik stel tegenover alle uitspraken van de Vaders, tegenover aller mensen, engelen en duivelen kunst en woord: de Schrift. Hier sta ik, hier houd ik stand, hier daag ik uit en zeg: Gods Woord is me meer waard dan alles.

Hout, hooi en stro
Er kan geen twijfel over bestaan: Luther heeft de bijbel in zijn hart gesloten als een kostbare schat, waarmee hij met de grootst mogelijke eerbied omgaat. Des te intrigerender is het, dat hij tegelijk een open oog heeft voor die dingen in de bijbel, waarover mensen vanouds de wenkbrauwen gefronst hebben. Om met het minst 'beduidende te beginnen: Luther heeft vraagtekens gezet bij de apostolische herkomst van bijbelboeken als Jacobus, II Petrus, Judas en Openbaring.
Ook geloofde hij niet dat het boek prediker door Salomo geschreven is en hield het erop, dat veel wetten die op naam van Mozes staan al lang vóór hem bestonden. Daarnaast stelt Luther vast, dat de bijbel in historisch opzicht niet altijd even betrouwbaar is.
Zo constateert hij dat de geschiedschrijving van de boeken Koningen en Kronieken onderling soms tegenstrijdig is. Ook merkt hij op, dat de vier evangeliën de lijdensgeschiedenis elk op een zo eigen wijze vertellen, dat de beschrijvingen niet met elkaar kloppen.
Maar Luther gaat nog verder: hij heeft ook inhoudelijke kritiek. Hij maakt onderscheid tussen bijbelboeken die de centrale inhoud van het evangelie bevatten, en Schriftgedeeltes die een lager evangelische gehalte hebben. Tot de eerste rekent hij onder andere het boek Genesis, de Psalmen, het evangelie van Johannes en diens eerste brief, en Paulus' brieven aan de Romeinen, Galaten en de Efeziërs.
Veel minder hoog geeft hij op van een boek als Esther ("ik vind er Christus niet in"), Jacobus ("hij probeert met wettisch drijven te bereiken wat de echte apostelen met de lokstem der liefde willen bereiken") en Openbaring ("te veel duistere visioenen"), Van verschillende bijbelschrijvers durft Luther te zeggen, dat zij niet alleen met goud, zilver en edelstenen gebouwd hebben, maar er ook hout, hooi en stro tussenvoegden. Met andere woorden: er staan dingen in de bijbel die de toets der kritiek van God zélf niet kunnen doorstaan (vgl. I Corinthiërs 3: 12-15)...

Mozes in het rieten mandje
Hoe is het mogelijk, dat een en dezelfde man zich zo kritisch over de bijbel kon uitlaten én met zo'n diep ontzag? Luther verenigt hier twee benaderingen die elkaar tegenwoordig lijken uit te sluiten. Waar eerbiedig voor het gezag van de bijbel gebogen wordt, verdraagt men de gedachte niet dat er iets in de bijbel niet zou kloppen of dat kritische kanttekeningen zouden kunnen worden geplaatst bij bepaalde teksten. Omgekeerd, waar men vrijmoedig concludeert dat de bijbel in historisch opzicht vaak niet betrouwbaar is en men ook de inhoud van bepaalde Schriftgedeeltes naast zich neer durft te leggen, is van hoogachting voor de Schrift niet zelden weinig meer te bekennen. Maar wat zo verdeeld is over enerzijds fundamentalisme en anderzijds Schriftkritiek, gaat bij Luther dus wonderlijk genoeg samen. Dat heeft alles te maken met de inslag van zijn theologie. Zoals we eerder hebben gezien, bevat de bijbel volgens Luther niet een aantal 'objectieve' waarheden die men al dan niet kan aanvaarden, maar is het een boek dat mij persoonlijk aanspreekt met de overrompelende boodschap, dat God mij, zondaar, in Christus genadig. Die boodschap is de grootste schat die men in het leven kan ontvangen. Vandaar dat Luther zo mateloos onder de indruk is van de Heilige Schrift en er met geheel zijn wezen aan is verknocht.
De kille analyses van schriftkritische theologen zouden hem daarom volkomen vreemd zijn, evenals het geringschatten van de bijbel dat binnen de moderne christenheid nogal eens voorkomt. Nee, juist omdat God in de bijbel het verlossende woord tot ons spreekt, is het een heilig boek dat men niet genoeg kan respecteren.
Maar dat betekent óók, dat de bijbelse boodschap niet als een objectieve waarheid in de bijbel voor het grijpen ligt. Zij spreekt slechts tot die mens, die niet wegloopt uit zijn positie als zondaar voor Gods aangezicht.
"Alleen de ervaring maakt de theoloog": je ontdekt het evangelie alleen maar, wanneer je jezelf meeneemt met alles wat je ervaart aan vervreemding van God. Zo is bijbellezen voor Luther levenslang een avontuur gebleven.
Hij wist dat de bijbelwoorden hun geheim niet zomaar prijsgeven, maar dat een mens ze alleen kan verstaan in betrokkenheid op God, die zeer kan toornen maar ook zeer genadig is.
Daarom had hij van de bijbel ook niet de verwachting, dat alle historische beschrijvingen feilloos met elkaar zouden kloppen en dat het evangelie van Christus op elke bladzijde in alle helderheid terug te vinden zou zijn. In dat geval zou een mens toch weer greep kunnen krijgen op God en zijn woord.
Wat Luther gezegd heeft over de blokkade die God opwerpt voor mensen, die in hun hoogmoed blijven proberen langs de natuurlijke weg naar Hem op te klimmen, past hij toe op Gods openbaring in de Schrift. Zoals de Here zichzelf verborgen heeft onder het kruis, zo heeft Hij ook zijn heerlijk evangelie verborgen in een boek, dat hoogmoedige intellectuelen alleen maar teleurstelt. Wie met behulp van logisch nadenken en heldere denkkracht in de Schrift probeert binnen te dringen om het evangelie op het spoor te komen, komt bedrogen uit. Want de bijbel is tegen het geweld van logica niet bestand, en is op veel plaatsen zo duister dat het niet zal lukken om er een fraai beeld van God uit te construeren.
Luther geeft het grif toe: er zijn veel verhevener, veel majesteitelijker boeken dan de bijbel. "Het is een worm en geen boek, vergeleken met andere boeken." Maar dat is geen reden om de bijbel te minachten, net zoals de gekruisigde niet onze smaad maar juist onze aanbidding verdient.
God verstopt zijn heilswoord in bijbelboeken die in historisch opzicht rammeien en waarin het lang niet enkel goud is dat er blinkt, om ons zo te dwingen op Christus te gaan letten, de gekruisigde, die in zwakheid en dwaasheid Gods kracht en wijsheid laat gelden. Bij het bijbellezen heb je de Geest nodig, om de opmerkzaamheid te kunnen ontwikkelen waarvan de dochter van de farao blijk geeft:

De bijbel is slechts een simpel rieten mandje, met klei, pek en dergelijke dingen bestreken, nochtans ligt er een mooi, levend jongetje in, Mozes, die het ware inzicht heeft in het goddelijke woord en de dochter van de koning ontfermt zich over hem en neemt hem aan als haar zoon.

Ernst, ruimte en onbevreesdheid
Opgegroeid als wij zijn binnen de calvinistische traditie zijn onze oren aan deze intonatie niet gewend. Calvijn was, veel meer dan Luther, de meester van het evenwichtig uitwerken van de ontdekkingen van de Reformatie.
Stellig had hij, mede onder invloed van zijn juridische scholing, ook veel meer affiniteit met het afgewogen en voorzichtige formuleren zoals dat kenmerkend is voor de scholastiek. Bij Luther is het allemaal veel gedurfder, veel persoonlijker, veel meer visionair, en zeker veel paradoxaler. Luther is daardoor ook kwetsbaarder. Zulke opmerkingen als over Jacobus en de Openbaring van Johannes: daar is het laatste woord natuurlijk niet over gezegd, en hij was zich daar ook scherp van bewust. Zo heeft hij trouwens wel meer uitspraken gedaan waar wij nu het hoofd over schudden.
Berucht zijn bijvoorbeeld zijn uitvallen naar de Joden. Maar het is ongetwijfeld dankzij die durf die hem zo kwetsbaar maakt, dat hij als ontdekkingsreiziger in het Koninkrijk van God de horizon van het christelijk leven enorm heeft verwijd. Vanuit zijn uitzonderlijk diepe inzicht in de reikwijdte van Gods toorn en genade heeft Luther, naar mijn besef meer dan Calvijn, met behoud van de ernst ruimte gebracht en angsten verdreven. Die combinatie van enerzijds diepe ernst, en anderzijds ruimte en onbevreesdheid, ervaar ik ook in zijn omgang met de bijbel. Voor die combinatie wil ik pleiten, nu wij in onze Nederlands Gereformeerde kring druk bezig met onze plaatsbepaling ten opzichte van het Schriftgezag. Ik vind het terecht dat er grote waakzaamheid is: onze kerken mogen ervoor bewaard worden dat de hoogachting voor de Heilige Schrift afneemt en plaats maakt voor arrogantie en onzekerheid ten opzichte van zijn gezag. Maar ik vind het even terecht dat het appèl gedaan wordt om, als het gaat om dingen in de bijbel die kritische vragen oproepen, de kop niet in het zand te steken en om intellectueel eerlijk te blijven. Onmiskenbaar tekent zich langs die lijnen verdeeldheid af in onze kring. Maar van Luther leer ik, dat die twee dingen toch echt kunnen samengaan: een diep ontzag voor de stem van de levende God, zoals die vanuit de bijbel tot ons komt, en Geestelijke vrijmoedigheid om te onderscheiden waarop het aankomt in de bijbel. Ik weet het: dat laatste is riskant. Want hoe gauw slaat die vrijmoedigheid niet om in eigenmachtig oordelen over wat wél en wat niet Gods Woord is. Het vraagt werkelijk diepe vertrouwdheid met de stem van de goede Herder, om bijbelwoorden kritisch te kunnen afwegen.
Maar moeten we er om die reden voor terugschrikken? Mij dunkt: dan ruilen we de Geest in voor menselijke zekerheid.
En als er één ding is dat we van Luther kunnen leren, dan is het dat dát niet de bedoeling is!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief