Niet door geweld maar door Geest (5) (Zacharia)
1996-05-31
De repetitie van het tempelkoor was afgelopen. Jesua had de nieuwe melodie voorgezongen, terwijl hij zichzelf begeleidde op een van de harpen die altijd in de bijgebouwen van de tempel aanwezig waren. De zangers en speellieden hadden de wijs vlug te pakken. Als ze nog een paar keer oefenden, konden ze de nieuwe lofzang op de volgende sabbat al ten gehore brengen.- Jaargang 40
- nummer 11
Aan de ingang van de repetitiehal had Mattanja gekeken en geluisterd naar de aanwijzingen die zijn vader aan de andere levieten gaf.
Nu liepen vader en zoon over de voorhof van de tempel. Enkele priesters waren bezig met het avondbrandoffer.
Levieten ruimden de resten van een lange dag op. Vroeger was op dit uur de hogepriester uit het heiligdom gekomen. Na het reukoffer had hij dan altijd de mensen in de voorhof gezegend.
Maar nu was er geen knecht van God die de oude woorden sprak: 'Jahweh zegene u en Hij behoede u...'.
Er was zelfs geen reukofferaltaar meer in de tempel. Dat had de syrische koning twee jaar geleden meegenomen naar Antiochië, de hoofdstad van zijn rijk. Behalve het gouden altaar had hij ook de zevenarmige kandelaar meegenomen, de tafel der toonbroden en al het andere goud dat er in de tempel was. Het heilige was leeg: er werd niet meer gebeden tot God en gezegend namens God.
'Als wij niet meer tot God spreken, Mattanja', zei Jesua tot zijn zoon, 'wie moet het dan doen?' 'Als wij niet meer tot God spreken, spreekt God nog wel tot ons, vader', merkte de jongen op. 'Kijkt u maar: het avondbrandoffer wordt nog gebracht!' 'Dat is waar', antwoordde Jesua. 'God blijft trouw, ook al zijn wij ontrouw. Ik ben blij dat je dit ziet en dat je dit zegt'.
Ze liepen de tempelpoort door, de stad in. 'Hebt u nog iets over de koning gehoord, vader?' vroeg Mattanja.
'Koning Antiochus?' zei Jesua.
'Die is inderdaad niet dood. Hij is op weg naar Jeruzalem. Jason, de hogepriester, staat met zijn manschappen klaar om hem op te vangen. Ze zijn niet van plan om te wijken. Ik zie de toekomst donker in'.
Plotseling was er rumoer in de straat waar ze door liepen. Late reizigers, pas aangekomen, vertelden opgewonden: 'De Syriërs komen niet! Ze trekken Jeruzalem voorbij! Ze volgen de kustweg. Ze gaan regelrecht naar Antiochië terug!' Uit alle huizen kwamen mensen, die juist aan de avondmaaltijd begonnen waren, naar buiten. Even later stonden overal groepjes mannen en vrouwen, opgewonden en druk gebarend, het nieuws te bespreken. Met open mond luisterden de kinderen ernaar.
Het was te begrijpen dat de mensen opgelucht ademhaalden. Twee jaar geleden, toen hij de tempelschatten roofde, was koning Antiochus met groot machtsvertoon, - paarden, olifanten en manschappen - de stad binnengetrokken en had daar een waar schrikbewind uitgeoefend.
Deze keer viel het klaarblijkelijk mee.
De koning stuurde een afvaardiging onder leiding van zijn hoogste belastingambtenaar naar Jeruzalem. Volgens de geruchten was die aan het onderhandelen met de oudsten van de stad en verliepen de besprekingen in een goede verstandhouding. De Syriërs vroegen wel veel geld, maar voor de rest waren zij erg vredesgezind.
Het zou allemaal met een sisser aflopen.
Jesua en Mattanja liepen haastig door.
Ze hadden een lange dag achter de rug en ze verlangden naar rust. Hun bed stond gespreid bij Jesua's zuster, die in Jeruzalem woonde, aan de rand van de stad. Daar aangekomen verfristen ze zich. Ze gebruikten de maaItijd en spoedig daarna waren ze diep in slaap.