Buiten beeld
1996-05-31
Wanhopig zoek ik in mijn jaszak naar een gulden voor de winkelwagen. Er staan mensen achter me en ik voel hun ongeduld.- Jaargang 40
- nummer 11
Het lukt me niet er uit te komen.
Geen gulden, geen wagen, geen boodschappen.
Maar opeens is er iemand die ik ken. Ze komt bij me staan, pakt mijn arm en zegt: 'Kom maar mee, je hoeft hier helemaal niet te zijn'.
Ik wring me los. Ik moet boodschappen doen. Maar weer pakt ze me vast en trekt me mee naar buiten. Ze lijkt zo aardig, maar ze laat me niet gaan. Ze dwingt me met haar mee te lopen. Wat wil ze toch van me?
Dan zie ik dat ze een gebaar maakt naar iemand op straat. 'Ik heb haar gevonden, hoor!' zegt haar mond. Ook dat is iemand die ik ken, maar de naam ben ik kwijt. Ze doen tegen me alsof ik een kind ben, nemen me mee en praten over me, alsof ik er niet bij ben. 'Ze is gek', denken ze. Maar ze raken me niet echt aan. Ze kunnen niet bij me komen, er zit iets onzichtbaars tussen hen en mij.
Ben ik in de war, weet ik niet meer waar ik moet zijn? Waar is mijn huis, waar zijn de mensen waar ik van houd? Mijn mond voelt stijf en mijn lippen kunnen amper woorden vormen. Ik wil wat zeggen.
'Van het einde des lands roep ik tot U omdat mijn hart bezwijkt'. 'Mijn verwanten staan van verre... '. Flarden van psalmen.
Ze willen mijn mond niet uit. Ik probeer het wel maar niemand verstaat me...
Zo word ik wakker. Ik lig in bed. Toch in slaap gevallen tegen de morgen. En dan die vreselijke droom.
Want soms is er teveel op een dag. Dan heb je moeite om in een gesprek bij de les te blijven. Een naam die je je niet kunt herinneren.
Een verhaal dat je al eerder gehoord moet hebben en dat toch nieuw voor je is. Een oude dame in het verpleeghuis die niemand meer kent. En je eigen gepieker over een van de kinderen. Een vreemd pijntje ergens in je lijf. Dat zijn de ingrediënten voor een slechte nacht.
Ik ben blij dat ik weer wakker ben. Zo voelt het dus om oud, eenzaam en van alles verlaten te zijn. Dan zeggen ze in de kerkelijke gemeente waar ik bij hoor: 'Wie gaat er deze maand naar haar toe? Ze heeft er wel niet zoveel weet van, maar we mogen haar niet vergeten.' En daar zit ik dan in mijn cocon. Ik zie vreemde mensen komen en gaan. Ik weet inderdaad niets meer. En dan toch: flarden van psalmen, bijbelteksten. Mensen verzorgen mijn lichaam tot de dood er op volgt.
Hun woorden bereiken mij niet meer. Maar woorden van God, diep geworteld in het hart. Er niet meer uit de branden. Hoe vaak heb ik dat niet gezien en gehoord bij ver weggezakte mensen.
Maak je maar geen zorgen voor de tijd. Hij is er dan nog. Ik kijk op de wekker. Het is bijna vijf uur. Ik draai me om en val in slaap.