Theologische probleemstellingen
1996-06-14
De discussies die onlangs in ‘vrijgemaakte’ kringen gaande waren rondom A. Kamsteeg, Watchman Nee en de predikanten die tegen hen hun artikelen schreven, raken de gehele theologische orthodoxie.- Jaargang 40
- nummer 12
1. Rechtvaardiging en heiliging
De in mijn vorig artikel genoemde discussies gaan om de juiste theoretische bezinning op een onderwerp uit de dagelijkse praktijk van het geloofsleven.
Wat betekent het dat we 'in Christus' niet alleeen gerechtvaardigd, maar ook geheiligd zijn? Zeggen W. Nee, Kamsteeg en anderen: 'in Christus' hebben we alles al wat we nodig hebben voor tijd en eeuwigheid, de rechtvaardiging èn de heiliging, dan is het wederwoord van veel theologen: ja, dat is zo, MAAR er is ook een 'andere kant', en dat is het gebod om de heiliging in ons leven na te streven.
Dus niet 'teveel' nadruk op het 'voldongen feit' dat wij de heiliging in Christus al hebben. Bewaar het 'evenwicht'.
Logisch kunnen we het toch niet doorgronden.
Nu is het zeker waar dat wij Gods heilswerk in Christus niet verstandelijk kunnen doorgronden, maar we moeten in de wetenschappelijke theologie niet op een verkeerd moment vluchten in het onbegrijpelijk-zijn, wanneer we onszelf in foutieve redeneringen hebben vastgepraat. Dat zou een 'dialectische' theologie worden, die niet alleen zichzelf verstrikt in tegenstrijdige 'spanningen', maar daarmee ook het geloof der gemeente kan schaden.
2. Indicatief en imperatief
Ik noemde al het etiket dat de genoemde problematiek in de theologie meedraagt: de complexe situatie van de indicatief en de imperatief. De stellende wijs en de gebiedende wijs dus, die vaak genoemd worden twee kanten van de waarheid.
Toch is dit etiket, de combinatie van indicatief en imperatief, mijns inziens geen goede oplossing. Hoezeer ik ook positief waardeer dat W. Nee, Kamsteeg en anderen de klemtoon primair leggen op de indicatief (het evangelie), toch blijft dit mijns inziens theoloqisch gezien gebrekkig. Er moet theologisch meer gezegd worden en ook nog wat anders, waardoor althans de schijn vermeden kan worden dat de imperatief (het gebod) onvoldoende wordt benadrukt.
Ook de mededeling dat de imperatief gegrond is in de indicatief, het gebod tot heiliging gegrond is in de blijde boodschap van de goddelijke en definitieve vrijspraak, is wel in zeker opzicht waar, en lijkt even op een afdoende beantwoording van het probleem.
Toch blijkt dat niet het geval te zijn. Daarvan getuigen door de eeuwen en de generaties heen, de telkens weer opflakkerende discussies over dit oude twistpunt.
3. Theologisch vastgelopen
In de theologie spreekt men, zoals gezegd, meestal over de imperatief die gegrond is in de indicatief. Zo in de trant van 'word wie je bent'. Dat lijkt op het eerste gezicht acceptabel, maar deze bekende formulering (die soms ook nog wel te verdedigen is) roept toch weer de suggestie op van een temporele relatie en van een zakelijke volg-orde. Eerst de indicatief, dat wil zeggen de mededeling dat het zo is. Daarna de imperatief, het gebod om dat wat is nu niet alleen als feit te zien en te geloven maar ook te tonen, in de zin van te 'realiseren'.
We zijn ons zelden ervan bewust dat dit niet kan, dat dit gewoon een logische tegenstrijdigheid is. Wat er is, is er. Is er als een 'voldongen feit'. Dat staat geen tweede of eigenlijke realisering toe. Het is al reëel. Het is echte werkelijkheid of het is geen echte werkelijkheid.
Beide tegelijk kan gewoon niet.
Zo wordt de heiliging minder juist de 'realisering' of 'verwerkelijking' genoemd van de rechtvaardiging.
Alsof de rechtvaardiging 'alleen nog maar' een verandering zou zijn in onze rechtspositie, en nog niet con crete werkelijkheid, nog niet een 'voldongen feit', nog niet een echt rechtvaardig zijn. En alsof gerechtvaardigd zijn in Christus misschien ook wel eens niet gevolgd zou kunnen worden door de heiliging, het rechtvaardig worden.
Nogmaals: het theologisch denken loopt hier onherroepelijk vast in logische tegenstrijdigheden. De achtergrond van deze impasse ligt mijns inziens hierin dat wij, net als in de filosofische traditie, in onze theologische betogen nog niet gewend zijn binnen de schepping te onderscheiden tussen het boventijdelijke en het tijdelijke, het (tijds)transcendente en het (tijds)immanente, de geestelijke 'volheid' en het leven in de tijd, het bovenhistorische en het historische.
Zo gaan we echter Gods werken vanuit Gods eeuwigheid rechtstreeks en geheel binnen de tijd trekken en letten we niet op de boventijdelijke volheid daarvan 'in Christus'. Ik kom hier nog op terug, want dit zal voor onze lezers waarschijnlijk niet direct duidelijk zijn.
Het past namelijk niet in de gangbare denkpatronen van onze theologische traditie, die alleen onderscheiden kan tussen tijd en eeuwigheid, zonder raad te weten met de creatuurlijke boventijdelijkheid van Christus in wat de Schrift ook wel eens noemt 'de orde van Melchizedek' (vgl. Opbouw 22.9.95).
In dit verband moeten we ook letten op een andere gedachte die in de genoemde discussies even naar voren kwam. De gedachte namelijk dat het heilsgoed in Christus, dat ons eenmaal en voorgoed geschonken is in Christus' dood, opstanding en hemelvaart, wel geloofd moet worden maar anderzijds niet zo erg vrijmoedig en onbelemmerd beleden mag worden, omdat die gave niet 'onvervreemd baar' zou zijn. Zou er dan toch een 'afval der heiligen' zijn? Maar we belijden toch dat die er niet is en dat er wel is de 'volharding der heiligen'?
Maar, zal men tegenwerpen, hoe zit dat dan met gedoopte kinderen die later God niet willen dienen, of daarin niet 'volharden' en geen levensheiliging tonen? Hebben wij hen dan toch ten onrechte gezien als 'in Christus geheiligd'? Of was dat toch eigenlijk weer een 'houden voor ...totdat het tegendeel blijkt', een 'veronderstelde' wedergeboorte of heiliging?
Zo blijkt voortdurend dat de traditionele theologische redeneringen zich verstrikken en vastlopen. Pas daarná verwijst men dan naar het mysterie, het 'heiigeheim' , dat boven ons verstand uitgaat. Dat is wel beter dan niets, maar het is geen theologisch te verantwoorden oplossing.
4. Er zijn, en er nog niet zijn
Het punt in geding heeft in de gehele theologie haar parallellen, in principe zelfs in elk hoofdstuk, in elke 'locus'.
Niet alleen de verhouding van hetgeen wij in Christus hebben tot ons tijdelijk en met zonden bevlekte leven onder het gebod der 'heiligmaking', maar ook bijvoorbeeld ons geloof in de eenheid van de christelijke kerk.
Die eenheid van de christelijke kerk geloven en belijden wij, maar in de gangbare patronen van onze theologische verwerking krijgt dit geloof precies dezelfde onoplosbare 'problematiek'.
Door het geloof in Christus zijn wij één in Hem. Dat is een feit, een 'voldongen feit'. Maar, zo zegt men, in de werkelijkheid (alsof dat voldongen feit geen echte werkelijkheid was!) is de concrete kerk een en al gebrokenheid.
Daarom zeggen anderen: nee, die eenheid is nog geen voldongen feit, maar is een gebod en/of een belofte, maar nog niet zozeer een feit.
We zijn geroepen tot eenheid, maar haar 'realiseren' kunnen we nog niet.
Het gebod is er, maar nog 'liet de gehoorzaamheid er aan. Daarom is er die éne kerk eigenlijk nog niet, zij is nog onderweg. Het 'kerkbegrip' moet gedynamiseerd worden, wat eigenlijk betekent verhistoriseerd. De ene kerk is er in feite niet, maar zij is in wording. Zoals ook onze andere daden van 'heiligmaking'. Die hebben we in Christus, maar dat is nog geen concreet en echt feit, maar meer 'ideëel'. Onze concrete reële heiligmaking, de enige echte, blijft daar ver bij achter.
Andere voorbeelden moet ik nu laten rusten, ofschoon de avondmaalsleer hier bijzonder verhelderend zou kunnen zijn.
5. 'In Christus'
De theologie van de gereformeerde gezindte lijdt mijns inziens al van haar begin af, onder het haar niet passende kader van een niet-christelijke, van de Griekse en modern-humanistische filosofie overgenomen religieus ontwortelde werkelijkheidsbeschouwing. Dat zal ik in het volgende artikel toelichten. In de ruimte die mij nu nog rest daartoe slechts een aanloop.
De genoemde horizontalistische ('onteeuwigde') werkelijkheidsbeschouwing (= gangbare filosofie) werkt onbedoeld, meestal ook onbewust, maar zonder meer onvermijdelijk door in alle wetenschappen, ook in de theologie.
In laatstgenoemde wetenschap krijgen we daardoor te maken met een aantal denkpatronen of scherna,s dat een bijbelse visie op de realiteit soms ernstig belemmert. Dat is ook het geval bij het theologisch verstaan en interpreteren van wat de Bijbel bedoelt, wanneer hij honderden keren de uitdrukking 'in Christus' gebruikt, en dit ook toepast op de schepping en de geschapen werkelijkheid.
Zo al eerder is opgemerkt, wordt onze theologische interpretatie van deze bijbelse uitdrukking, zowel in de exegese als in de dogmatiek, mede bepaald door onze historisch gevormde denkpatronen en door een visie op de werkelijkheid die daarin meekomt. Zo bijvoorbeeld het probleem of dilemma van zijn en worden, dat al in de vroegste tijd van de filosofie speelde en theologisch doorwerkt in de bovengenoemde problematieken.
6. Christelijke filosofie onmisbaar
Een centrale grondgedachte van de filosofie van Dooyeweerd is deze dat onze gehele tijdelijke werkelijkheid een boventijdelijke 'wortel' of boventijdelijk 'concentratiepunt' heeft. De twee onderstreepte woorden zijn dan beeldspraak om een werkelijkheid aan te duiden die niet zintuiglijk en ook niet verstandelijk voor ons toegankelijk is.
Een werkelijkheid die wij slechts kunnen kennen door en in het geloof. En daarvan is ons wetenschappelijk denken in filosofie en theologie afhankelijk.
De term 'boventijdelijk' is dus beeldspraak, maar een minder gelukkige.
Dooyeweerd zelf noemde het eens een verlegenheidsterm, die hij graag cadeau gaf voor een betere. Een iets betere term, geheel in de geest en bedoeling van wat Dooyeweerd bedoelde, is het woord 'voltijdelijk' . Dit slecht-Nederlandse woord heeft althans dit voordeel dat het precies aanduidt wat Dooyeweerd bedoelde met zijn term 'concentratiepunt' waarin de veelheid der schepselen bij-één komt en één is, in een 'volheid' - ook een volheid van de tijd.
Er is dus geen scheiding tussen tijdelijkheid en boventijdelijkheid, het zijn geen twee elkaar vreemde 'werelden', geen 'natuur en bovennatuur' bijvoorbeeld, zelfs geen dualiteit, maar, om een ander beeld te gebruiken dat Dooyeweerd graag hanteerde: de 'boventijdelijkheid' duidt iets aan dat ten opzichte van ons tijdelijk leven te vergelijken is met het witte licht van de zon, waaruit in het verschijnsel van de 'lichtbreking' alle kleuren van de regenboog te voorschijn komen. Die kleuren zaten er voor de lichtbreking al in, maar dan in de ene witte kleur ge-con-centreerd, ongedifferentieerd, als een nog niet uit-één gebroken éénheid, die zich pas in de 'Iichtbréking' (beeld voor een functie van de tijd) manifesteert of uitdrukt in een veelheid van gekleurde lichtstralen.
Welnu, de uitdrukking boven- of voItijdelijkheid, die ook van toepassing is op wat de Bijbel zelf 'de volheid des tijds' noemde (Gal. 4:4, natuurlijk niet in filosofische zin) duidt op een dimensie van de geschapen werkelijkheid, waarvan wij in het geloof weet hebben, waarop wij door het venster van het geloof pas 'zicht' hebben. Die boventijdelijkheid is, wat de mens betreft, een aanduiding voor wat de Schrift noemt het menselijk 'hart'.
Deze boventijdelijke werkelijkheid is echter uit de wetenschappelijke taal (ook van de theologie) grotendeels verdwenen. Dat gebeurde onder invloed van de binnen-heidense secularisatie die de opkomst der wetenschappen begeleid heeft, en die ons een ont-mythologiseerde, geseculariseerde, ontwortelde en horizontalistische interpretatie van de werkelijkheid heeft opgedrongen. Daarvan heeft de reformatorische wijsbegeerte ons in principe bevrijd en daarmee zou ook de theologie haar winst kunnen doen.