Ons geboortebewijs

1996-06-14
  • Jaargang 40
  • nummer 12
Het heil wordt in het Nieuwe Testament meermalen aangeduid als een erfenis: 1 Petr. 1:4 een onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard wordt; Rom. 4:13: Abraham had de belofte dat hij erfgenaam van de wereld zou zijn; Rom. 8:17: de gelovigen zijn erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus. Zij mogen dan ook zonen van God heten.
Om recht op een erfenis tot gelding te brengen moet een identiteitsbewijs worden overgelegd. Zo was het reeds in de Oudheid. Is het gezin van ouders en kinderen een grondvorm in onze samenleving, in de Romeinse wereld was dat de familia. Daarin vormde de pater familias met vrouwen kinderen en de tot het huis behorende slaven een samenlevingsverband. In zo'n familia kon het voorkomen dat een kind geboren werd uit een slavin door de heer verwekt. Wanneer zo'n kind de vader ter harte ging, kon het kind worden geëcht, als wettige zoon worden aangenomen. Daartoe werd een geboortebewijs opgemaakt, waardoor het kind onder de rechtmatige erfgenamen werd opgenomen. Door dat geboortebewijs werd de rechtspositie van het kind zeker gesteld. Het was de 'eerste gave' aan het kind.

'Eerste gave', het Griekse woord hiervoor werd met name gebruikt als aanduiding voor de eerstelingen van de oogst, die aan de godheid werden gewijd; vervolgens ook in meer algemene zin voor de eerste in een reeks waarop nog velen volgen. (Zo b.v. 1 Kor. 15:23 Christus als eersteling van de opstanding der doden).
Zoals een woord naast een algemene een specifieke betekenis kan krijgen (b.v. woord = bijbel) zo heeft - zoals uit gevonden papyri bekend is - het Griekse woord voor 'eerste gave' een specifieke betekenis van geboortebewijs gekregen.
In Rom. 8:23 wordt de Heilige Geest als 'eerste gave' genoemd. In een gemeente als die van Rome, waar spanningen tussen Joden- en heidenchristenen hoog konden oplopen, waar de apostel christenen uit de heidenen herinnert aan de (voor)rechten der Joden, hun 'aanneming tot kinderen' en joden vermaand worden te erkennen dat door het geloof Abraham een vader zou zijn van onbesneden gelovigen uit de heidenen (Rom. 4:11) - in die gemeente heeft men bij het voorlezen van deze brief in Rom. 8:23 gehoord dat de Heilige Geest het geboortebewijs was op grond waarvan ook heidenen hun hoop mochten vestigen op de toekomst waarin ze als zonen deel zouden krijgen aan de erfenis, de heerlijkheid van de kinderen Gods. Ze be hosven niet meer op te zien tot God in een geest van slavernij, maar als kinderen tot hun Vader (Rom. 8:15 e.v.).
Ze hebben ontvangen de Geest van het zoonschap. Die Geest getuigteen rechtsterm - met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. Als kinderen (aangenomen) zijn ze erfgenamen van een van vergankelijkheid tot heerlijkheid bevrijde wereld. Want God, die de harten kent, heeft getuigd door hun evenals de Joodse discipelen de Heilige Geest te geven (Hand. 15:8). En hieraan onderkennen wij de Geest Gods - ons geboortebewijs iedere geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees is gekomen, is uit God (1 Joh. 4:2).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief