Ons leven 'in' en 'uit' Christus
1996-06-28
Het vorige artikel eindigde met een overgang. Onder het kopje 'in Christus' bepleitte ik in feite een geloofsmatige 'levens- en wereldbeschouwing' en een via christelijke filosofie daarin gewortelde theologische tijds- en werkelijkheidsbeschouwing waarin Christus, als boventijdelijk centrum van de schepping centraal staat. Dat passen we nu toe.- Jaargang 40
- nummer 13
1. Geloofszekerheid en theologische tobberij
De volkomen heiligheid die wij 'in Christus' hebben en de daarmee in strijd lijkende werkelijkheid van ons zondig en gebrekkig bestaan, dat was ons onderwerp. Er is nauwelijks een volwassen gelovige denkbaar die hierover niet eens een vraag voelde opkomen.
Hoe zit dat nu? Zijn we nu al heilig of komt dat pas in het hiernamaals?
Kan het beide waar zijn, of is dat tegenstrijdig?
De gereformeerde theologie (maar zij niet alleen) heeft daar al ongeveer vier eeuwen mee geworsteld. Er zijn allerlei accenten gelegd, eenzijdigheden verdedigd en vooral evenwichtsoefeningen aanbevolen met die 'eenzijdigheden'.
Men spreekt van de spanning tussen 'zijn' en 'worden', van eeuwigheid en tijd, van verkiezing en verbond, van de eeuwige raad van God en de heilsgeschiedenis, van 'indicatief en imperatief', van speciale theologische tijdsbegrippen (Barth), van een 'complexe situatie' (Velema), van wel waar maar niet echt een feit (Ter Linde), van wel echt gebeurd, maar nog niet als een voldongen feit (in het NO van juni '95), van de spanning tussen rechtvaardiging en heiliging, enzovoort.
Ons probleem wordt ook wel geplaatst in het kader van de leer inzake de volharding der heiligen en tegelijk van secularisatie en geloofsafval, die dus voorafgaand geloof vooronderstellen.
Tenzij men weer het christen en gelovig zijn alleen maar als een verondersteld gelovig zijn opvat, een 'houden voor', en daarbij dan een aantal soorten van geloven introduceert die niet het ware geloof zijn, zoals het 'historisch geloof', het 'tijdgeloof' of het wondergeloof.
Een 'gewone' gelovige die geen theologie gestudeerd heeft, of hoe dan ook geen theoretische training of aanleg heeft, zou er moedeloos van worden of een minderwaardigheidsgevoel aan overhouden. En dat is niet alleen zo bij dit onderwerp, maar ook bij vele andere, zoals bij voorbeeld de vraag of volgens de Bijbel al dan niet vrouwelijke ambtsdragers gekozen mogen worden.
2. Theologie mag en moet tobben
Gelukkig ontbreekt dat theoretisch getob van de theologie over 'het probleem van de heiliging-in-Christus' vrijwel geheel in onze belijdenis. Alleen in onze Dordtse Leerregels klinkt er nog wat van door, maar dit document stamt dan ook uit een periode waarin de protestantse scholastiek zich al weer heel breed gemaakt had(1).
Het bovenstaande is niet bedoeld om de tegenwoordige negatieve stemming jegens de theologische dogmatiek te versterken. In tegendeel. De anti-dogmatische instelling van vele gelovigen in onze tijd is wel een begrijpelijke reactiebeweging, maar wij moesten die niet in het gevlei komen. De theologen niet, met een als tegemoetkoming bedoelde aanpassing door middel van steeds populairder en stichtelijker verpakking van hun denkresultaten om, zoals we vaak hoorden, 'de theologie naar de gemeente te bren gen'. De gemeenteleden niet, met het roepen om meer warmte en 'spiritualiteit', ook wel bevindelijkheid genoemd, of spreken uit 'ervaring'. Het zal allemaal wel goed bedoeld zijn, maar een beter alternatief voor ons allen is m.i. reformatie, inclusief relativering van de theologie zelf. Dit gepaard met een verdieping van onze praktische, geloofsmatige levens- en werkelijkheidsbeschouwing, zoals ondanks alle lek en gebrek in feite toch volop gebeurt in prediking, kerkelijk kringenwerk, bezinning op conferenties en in de christelijke pers.
Over de dringend noodzakelijke relativering van de theologie schreef ik enkele jaren geleden al in Opbouw een aantal artikelen. Over de reformatie van de theologie gaan deze artikelen slechts in op een heel klein onderdeeltje van de dogmatiek. Zonder te beweren dat de reeds genoemde problematiek eenvoudig en met een simpele uitspraak is op te lossen, is zij m.i. toch veel doorzichtiger voor het theologisch denken te maken, dan in de gangbare handboeken gebeurt. De resterende moeilijkheid schuilt meer in onze vervlochtenheid met traditionele Westerse denkpatronen die niet bij ons onderwerp passen, dan in de zaak zelf: onze heiliging in Christus.
Inderdaad, onze dogmatiek heeft het erg moeilijk met deze 'complexe problematiek', zij tobt er mee, maar dat is een normale zaak voor wetenschapsbeoefening.
Het gaat in de wetenschap, ook in de theologie, om op een bepaalde manier onderzoek te doen om te ontdekken hoe een concrete zaak structureel in elkaar zit. Hierop zou van toepassing kunnen zijn wat de Prediker zei: "ik zette mijn hart er op om na te vorsen en onderzoek te doen naar de wijsheid in alles, wat onder de hemel geschiedt. Dat is een kwade bezigheid, die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om zich daarmee te kwellen" (Pred. 1:13).
Theologie mag dus tobben - het is vaak een moeilijke problematiek. Maar ook deze taak, de wetenschapsbeoefening op een bepaald gebied, is een taak voor een zeer beperkt aantal mensen. Gelukkig is theologie geen taak voor alle gelovigen. Theologische discussies, hoe ernstig en belangrijk ook binnen het christelijk leven, zijn ten slotte toch weinig meer dan tafeltennis voor theologen. Voor mijzelf is de beoefening van dogmatiek, op basis van mijn doctoraal examen en promotie in de systematische theologie, al weer een aantal jaren mijn voornaamste hobby, naast mijn meer beroepsmatig bezig zijn met filosofie.
3. 'Zijn' en 'worden' beide 'in Christus'
In de christelijke geloofshouding mogen wij zeggen: wij zijn in Christus geheiligd. Zoals we ook mogen belijden: wij zijn in Christus verkoren. In hoeverre deze verkiezing 'van eeuwigheid' was, laten we nu even buiten bespreking. De werkelijkheid of inhoud van die verkiezing is voor alle schriftgelovigen duidelijk: die verkiezing raakt ons hele bestaan, van begin tot eind, sterker uitgedrukt: van voor de grondlegging der wereld tot in en na onze 'tijdelijke dood', ja tot in alle eeuwigheid.
Wij bestaan immers niet slechts in de tijd, ook nu al niet. 'Wie in Hem gelooft hééft (= tegenwoordige tijd) het eeuwige leven'.
Terzake van ons thema in deze artikelen betekent dat dus dat onze heiliging van a tot z onze heiliging in Christus is. Daarom zeggen we ook met onze theologische traditie dat onze 'goede werken', beter gezegd, ons hele christelijk leven, een vrucht is van en vanuit Christus, door de Heilige Geest in ons bewerkt. Als wij ons in dit tijdelijk leven bewust worden van gebreken of zwakheden in dit realiseren van ons christen zijn, dan weten we in het geloof tevens dat wij ook getroost mogen leven uit de goddelijke vergeving. Dat is leven vanuit Christus, in wie wij 'ingeplant' mogen zijn. Hij alleen is en blijft de boventijdelijke bron of wortel van ons werkelijke en totale leven. Dat is Hij in een niet aan tijd of vergankelijkheid gebonden periode, maar al-tijd, en nog meer dan in de tijd. De 'heilsfeiten' ontlenen hun kracht en betekenis niet aan hun historiciteit als zodanig, maar juist aan hun boven-historische wortel- of dieptedimensie.
Maar nogmaals: dit is een geloofskennis, een geloofsweten dat op niets anders berust dan op Gods openbaring van wat Hij in zijn goddelijke tijd en op zijn goddelijke wijze 'in Christus' voor en met ons deed en doet.
4. Heilszekerheid alleen in het geloof
Juist die goddelijke tijd en die goddelijke wijze mogen wij niet vermenselijken, en niet verhistoriseren in een ontwortelde (vertijdelijkte) 'heilsgeschiedenis', en met een door mensen in dogmatische boeken dubieus geconstrueerde 'orde des heiis'. Noch met exegetische kommentaren die proberen een wetenschappelijk verantwoorde 'reconstructie' te bieden van de preciese gang van zaken in bij voorbeeld het feitelijke opstandingsgebeuren.
Heilsgeschiedenis is juist daarom heils-geschiedenis, omdat zij meer is dan een reeks puur historische feiten.
In het geloof (en anders niet) weten wij 'dat onze staat vastligt in Christus', om het eens even heel ouderwets uit te drukken. Maar die zogenaamde 'staat' is niet wat anders dan onze momentele of tijdelijke '(toe)stand'.
Ook die 'stand' is in al haar zondigheid, gebrokenheid en onvolkomenheid niet los van of buiten Christus. Zij is wel gekenmerkt door een lang-nog-niet-helemaal, een nog onderweg-zijn, nog slechts een begin of beginsel zijn.
Onze zekerheid omtrent Gods liefde en ons daarin vastliggend heil, kortom: onze 'heilszekerheid' is dan ook niet gefundeerd in zichtbare of tastbare 'bewijzen', ook niet in de bewijzen van (theo)logische dogmatische rede(n)eringen, noch in exegetische reconstructies van historische feiten, noch in geheime 'stemmen' of vermeende 'boodschappen' of in intuïtief aanvoelen, maar in niets anders dan in de persoon en het werk van Christus.
En de verbinding met Hem is de geestelijke band van het geloof. Die band is ons eveneens geschonken 'in Christus', en wel 'van eeuwigheid', we kunnen ook zeggen: in de 'volheid van de tijd', waarin ook ons tijdelijk leven geworteld is.
5. De 'eeuwigheid' van Christus.
Door dat geloof kunnen we over ons tijdelijk leven heenkijken. Door dat geloof weten we dat ook het in onze menselijke tijd volbrachte werk van Christus, nog steeds, over alle grenzen van onze historische tijd heen, 'vast' ligt in Gods verkiezend welbehagen.
Dat maakt onze historische tijd niet van minder belang, maar relativeert haar wel ten opzichte van haar boventijdelijke én onaantastbare dimensie, haar 'eeuwige' grond of wortel.
Wanneer we de persoon en het werk van Christus in die ongeveer dertig jarige periode uit het begin van onze jaartelling theologisch zouden verhistoriseren (dat wil zeggen theoretisch aftrekken van haar bovenhistorische worteldimensie), dan zouden we daarmee alle geloofszekerheid in principe ondermijnen of aantasten. Zowel het geloof als haar zekerheid bestaat juist in het boven onze tijdelijke werkelijkheid uitreiken, ook boven het dertig jarige historische heilswerk van Christus uit. Het is immers (vgl. o.a. Hebr. 11:1) een bouwen op een 'vaste grond' en een bewezen achten van wat niet gezien kan worden, omdat het geen tijdelijke maar een meer-dan-tijdelijke werkelijkheid is. Het is namelijk de boventijdelijke dieptedimensie ervan, de 'volheid' waarin alles aanwezig is wat tot ons heil behoort.
Voor alle onderwerpen uit de wetenschappelijke theologie is het daarom van grote betekenis, dat we in ons theoretisch denken breken met het traditionele dilemma van tijd of eeuwigheid, alsof daar niets tussen zou liggen.
Dat dilemma en die scheiding maken de theologische puzzels inzake de verhouding van verbond en verkiezing, van rechtvaardiging en heiliging, van uitverkiezing en verantwoordelijkheid, van schepping en evolutie, van wedergeboorte en geloof, van de éne kerk en de vele kerken, en vele andere onderwerpen meer, onoplosbaar, ondanks de al eeuwen durende discussies daarover ook binnen de theologische orthodoxie. Dat zou nog niet zo erg zijn, ware het niet dat door de (veelal te) nauwe relatie tussen kerk en theologie, deze theologische tobberijen doorwerken in prediking en geloofsleven, tot in de kerkverbandelijkheid toe.
Noot:
1. Dat blijkt vooral uit de 'Synopsis purioris theologiae' (= Handboek van de zuivere theologie), het standaard studieboek uoor de gereformeerde dogmatiek in de 17e eeuwen later. Die dogmatiek was bepaald niet zo zuiver als de 'Dordtse Vaderen, met hun boektitel suqqereerden. Het was, evenals andere geschriften van dezelfde auteurs, weer volop scholastiek. Niet in de gebruikelijke maar opperolakkiqe betekenis van veel subtiele en splinterige onder-scheidingen, want die zijn in alle wetenschappen soms noodzakelijk. Maar in de principiële betekenis van religieuze synthese in het vertolken van bijbelse geloofsgedachten met behulp van heidens-filosofische of modem-humanistische denkpatronen, in de onjuiste mening dat deze slechts neutrale en formele denkinstrumenten zijn die je een eigen geloofsinhoud kunt geven zonder de geloofskennis daarmee te beschadigen, of minstens in gevaar te brengen (vgl. mijn artt. over scholastiek in Opbouw 1992 nrs 15, 16, 19).
| (III) Ons leven 'in' en 'uit' Christus 1. Geloofszekerheid en theologische tobberij 2. Theologie mag en moet tobben 3. 'Zijn' en 'worden' beide 'in Christus' 4. Heilszekerheid alleen in het geloof 5. De 'eeuwigheid' van Christus. |