Niet door geweld maar door geest (7) (Zacharia)
1996-06-28
Vergeefs zocht Jesua tussen de mensenmassa's.- Jaargang 40
- nummer 13
Hij deed navraag bij vrienden en kennissen, of zij misschien zijn zoon hadden gezien. Maar Mattanja bleef onvindbaar. En iedereen vertelde hetzelfde verhaal: van joodse jongens die van straat werden opgepakt, uit de huizen werden weggehaald, en werden doodgeslagen of opgehangen. Er hing een wolk van rouw een weeklacht over de stad. En er mocht wel een wonder gebeurd zijn, als Mattanja aan deze golf van terreur was ontsnapt.
Toch kon Jesua niet blijven zoeken.
Zijn plicht riep hem naar de tempel.
Op weg daarheen zag hij hoe de Syriërs huishielden in Jeruzalem. Het oudste deel van de stad was versterkt.
Het was kennelijk de bedoeling om hier een garnizoen soldaten te legeren.
In de rest van de stad waren grote verwoestingen aangericht. De mensen trokken weg en vluchtten de stad uit.
Ook op de Tempelberg speelden de bezetters heer en meester. Net als op andere dagen waren de priesters met hun werkzaamheden begonnen.
Samen met de Levieten troffen ze voorbereidingen voor het morgenbrandoffer.
Jesua haastte zich naar de hal waar de zang- en speelrepetities werden gehouden.
Op dat ogenblik stormden Syrische soldaten de tempelpoort binnen en verspreidden zich over alle gebouwen.
Er verscheen een beambte die de aanwezigen in en om de tempel te verstaan gaf dat zijne majesteit de koning niet langer toestond dat het joodse volk leefde en handelde volgens de wetten van Israëls God. Het dagelijkse brandoffer, zinnebeeld van de totale toewijding aan Jahweh, moest worden gestaakt. Alle andere werkzaamheden in de tempel werden stopgezet, ook de zangers en speellieden kregen een werkverbod. In het vervolg zouden er geen sabbatten en joodse feesten meer gevierd mogen worden. Heilige boeken moesten worden ingeleverd en verbrand. Kleine jongens mochten niet meer besneden worden.
Verbijsterd luisterde Jesua naar de afkondiging van al deze maatregelen die de nekslag betekenden voor de joodse eredienst. Hij hoorde niet alleen de woorden die de beambte sprak, maar hij begreep ook de geest waaruit ze voortkwamen en het doel dat de koning ermee beoogde. Het joodse geloof moest met wortel en tak worden uitgeroeid. De ouderen mochten niet meer naar de wet van God leven en de jeugd mocht niet meer léren om naar de wet van God te leven. De tempel zou niet langer het huis van God zijn. Niet langer de plaats waar Jahweh zijn volk liet zien hoe het vroeger in het paradijs was geweest en hoe het eens op de vernieuwde aarde zou worden. Gods tent bij de mensen werd afgebroken - de herinnering eraan en de verwachting ervan. De joden mochten niet meer denken aan het grootse verleden en de heerlijke toekomst van de aarde.
Ze mochten niet meer aan God denken.
Niet alleen het joodse land, maar ook de heilige stad Jeruzalem, en zelfs de tempel moest vergriekst, verheidenst worden.
Jesua begreep heel goed dat dit de bedoeling van Antiochus was. En, bij alle verdriet om zijn zoon en zijn volk, wist hij heel zeker dat dit plan nooit zou slagen. Niet Antiochus maar Jahweh zou uiteindelijk het pleit in zijn voordeel beslechten.