Johannes over Johannes (1)

1995-01-27
  • Jaargang 39
  • nummer 2
Zoals bekend, wijkt het evangelie van Johannes in opzet en in materiaalkeuze sterk af van de drie zogenaamde synoptische evangeliën.
Het loont m.i. de moeite eens nader te bekijken, welke plaats hij inruimt voor -, en welke tekening hij geeft van het optreden van Johannes den Doper.

De gedeelten die over Johannes den Doper handelen
De arbeid van JdD wordt ons vermeld in de hoofdstukken 1 en 3 van het Johannes-evangelie. In de volgende hoofdstukken vinden we alleen nog tweemaal een terugverwijzing naar diens optreden, t.w. in 5,33, waar Jezus herinnert aan wat in 1,19 vlgg. beschreven is, en in 10,40-42,waar Johannes' doop aan de overzijde van de Jordaan, vermeld in 1,28, nog eens gememoreerd wordt.
Uit een vergelijking met Mt. 4,12 ("Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij zich terug naar Galilea") lijkt te mogen worden opgemaakt, dat Jh. 4,1-3 ("Toen nu de Heer vernam, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannesofschoon Jezus niet zelf doopte, maar zijn discipelen - verliet Hij Judea en vertrok weer naar Galilea") zinspeelt op de gevangenneming van den Dooper.
De Farizeeën, die vaker met de Herodianen onder één hoedje speelden (vgl. Mt. 22,16; Me. 3,6), schijnen er de hand in te hebben gehad, dat den Doper door Herodes werd ingerekend.
Nu Jezus bemerkt, dat zijn eigen doop-activiteiten, die Hem nog een grotere aanhang bezorgen dan Johannes achter zich had gekregen, den Farizeeën niet zijn ontgaan 1, wijkt Hij uit om niet voortijdig in hun handen te vallen".

Leemten
Vergelijken we wat ons in de hoofdstukken 1 en 3 door Johannes over den Doper wordt meegedeeld met wat we uit de andere evangeliën van hem weten, dan blijken er grote leémten te zijn. Niet alleen wat Lucas vermeldt over zijn geboorte blijft bij Johannes rusten, maar ook wat elders van hem uit de tijd na zijn gevangenneming te lezen valt, t.w. zijn twijfel t.a.v. Christus (Mt. 11,2-15=Lc. 7,18-30) en het gruwelijk einde dat hij vindt (Mt. 14,2-12;Me. 6,14-29; Lc. 9,7-9) vermeldt de vierde evangelist niet.
Bovendien: ook zijn gevangenneming wordt slechts als terloops genoemd (3,24). Evenmin horen we met zoveel woorden, dat hij Jezus doopte (zie 1,32-34).Over zijn verblijf in de woestijn (Lc. 1,80), zijn kleding en voedsel (Mt. 3,4) worden we al evenmin geïnformeerd.
En zelfs niet over zijn soms felle boeteprediking (Mt. 3,1-12; Me. 1,2-8; Lc. 3,1-14).
Zo op het eerste gezicht lijkt het dus vrij pover wat Johannes ons over zijn naamgenoot te vertellen heeft.

Het getuigenis aangaande Jezus
Proberen we Johannes' 'selectieprincipe' op te sporen, dan lijken we te moeten vaststellen, dat het enige wat hij ons over JdD vertelt betrekking heeft op diens getuigenis aangaande Jezus.
Hoofdstuk 1 typeert hem aanstonds in alle duidelijkheid als getuige (v. 7), zijn arbeid als getuigen (vv, 8, 15,32, 34) en wat hij zegt als getuigenis (v. 19)a En steeds is het Jézus van wien hij getuigt als van het vleesgeworden Woord, als van den Zoon van God.
In de tweede helft van hfdst. 3 ontmoeten we JdD opnieuw. Zijn leerlingen komen hem daar, kennelijk wat onthutst, vertellen: "Rabbi, die met u was aan de overzijde van de Jordaan en van wien gij getuigd hebt, zie, die doopt en allen gaan tot Hem" (v. 26).
En dan volgt in antwoord op die mededeling opnieuw een getuigenis van JdD betreffende Jezus: aangaande diens positie t.a.v. Israël en t.a.v. Johannes zelf (v. 29), diens herkomst (v. 31) en diens getuigenis (vv. 31-32), de 'zwaarte' daarvan (vv. 33-35) en het .pösitieve en negatieve effect daarvan (v. 36).
Als Jezus in 5,33 het optreden van JdD uit 1,19-28in herinnering roept, dan heet het opnieuw, dat Johannes "van de waarheid heeft getuigd". En 'de waarheid' is hier de waarheid zoals die in Jezus verschenen is (vgl. 1,17; ook 14,6).
Niet anders is het, als JdD voor het laatst genoemd wordt, nl. aan het slot van hfdst. 10. Jezus wijkt daar opnieuw uit voor wie het op zijn leven gemunt hebben (v. 39) en verblijft dan een tijd op de plek waar Johannes aanvankelijk had gedoopt (vgl. 1,28). Daar ontmoet Hij bij veel mensen geloof. Zij zeggen: "Johannes deed wel geen enkel teken, maar al wat Johannes van dezen (d.i. Jezus) zei was waar"
(v.41).
Wat de evangelist Johannes over JdD meedeelt, betreft dus uitsluitend diens getuigenis aangaande Jezus.

Bevestiging achteraf
Het oordeel waarmee de evangelist in hfdst. 10zijn opmerkingen over JdD afsluit, verdient nadere aandacht.
Kennelijk hebben de mensen die zo JdD in het gelijk stellen destijds diens .getuigenis aangaande Jezus gehoord.
En nu ze Jezus zélf horen en bezig zien, voelen ze zich gedrongen een goed getuigenis te geven van den man die door zijn getuigenis hen tot Jezus had geleid.
De evangelist laat hier uitdrukkelijk weten, dat Johannes' prediking daar.
het door God beoogde effect had: "En velen daar geloofden in Hem" (v. 42).
Als nl. de evangelist den Dooper introduceert (1,7), zegt hij van hem: "deze kwam als getuige, om van het Licht te getuigen, opdat allen door zijn toedoen (in het Licht) geloven zouden".
Zo sluit de evangelist zijn verhaal over den Doper af met te bevestigen, dat diens getuigenis aangaande Jezus betrouwbaar is gebleken en de gewenste vruchten heeft afgeworpen.
Dit op het eerste gezicht wat merkwaardige slot van hfdst. 10verraadt m.i. een zorgvuldigheid van compositie die verhelderend kan werken, als we ons buigen over het derde hoofdstuk van dit evangelie.

De opzet van Jh. 3
Hoofdstuk 3 vertoont nl. een merkwaardige tweedeling: eerst krijgen we het verslag te horen van een discussie tussen Jezus en Nicodemus; daarna volgt een gesprek tussen JdD en enkelen van diens leerlingen. Hoezeer die twee gesprekken ook mogen verschillen in aanleiding en onderwerp, toch komen merkwaardigerwijze tal van motieven uit het eerste in het tweede terug. Men vergelijke de volgende elementen:
a "Die van boven komt, is boven allen" (v. 31a).
a' "En niemand is opgevaren naar de .
hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen" (v. 13).
b "wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde" (v. 31b).
b' "Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat-gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het hemelse spreek?" (v. 12)4
c "wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij" (v. 32b).
c "Wij spreken van wat wij weten en wij getuigen van wat wij gezien hebben" (v. 11b).
d "en zijn getuigenis neemt niemand aan" (v. 32c)s
d' "en gij neemt ons getuigenis niet aan" (v. 11c).
e "Want Hij dien God gezonden heeft, spreekt Gods woorden; want God geeft Hem overvloedig zijn Geest"
(v. 34).
e' "De Geest laat zijn adem gaan waarheen Hij wil, en (in Mij) hoort gij zijn stem" (v. 8a)S, "Wie in den Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan den Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem" (v. 36). f' "Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van den eniggeboren Zoon van God" (v. 18).
De combinatie van deze op zoveel onderdelen met elkaar corresponderende gesprekken van Jezus en JdD verraadt m.i. opzet. Zoals Jezus in hfdst. 10 geloof vindt dank zij het voorbereidend getuigenis van JdD, zo stuit Hij hier bij Nicodemus en de Farizeeën op ongeloof ondanks het voorbereidend getuigenis van JdD.
In dit laatste gesprek met zijn leerlingen dat de evangel ist voor ons heeft opgetekend, geeft JdD in de verzen 31-36 een samenvatting van zijn getuigenis van Jezus. En het is alsof de evangelist zeggen wil: zie je wel, dat het beeld dat hij van Jezus tekent precies klopt op den Jezus die Nicodemus ontmoet? Had deze, en hadden zijn mede-Farizeeën maar naar JdD geluisterd!
Door zich af te sluiten voor diens getuigenis hebben zij de aansluiting met Jezus gemist.

De onontwijkbaarheid van den Doper
De evangelist heeft hier m.i. de onmisbaarheid van den Doper als wegbereider willen illustreren. (Ditmaal negatief, zoals in het slot van hfdst. 10 positief).
De Farizeeën, zo blijkt uit de nevenschikking van de twee verhalen uit hfdst. 3, kunnen, willen ze Jezus verstaan, niet om JdD heen. In wezen beklemtoont de evangelist hier m.i.
wat we Jezus met klem naar voren zien brengen in Mt. 21,23-27 (Mc. 11,27-33; Lc. 20,1-8). Als de joodse leiders Hem na zijn reiniging van de tempel vragen naar zijn bevoegdheid daartoe, stelt Hij de wedervraag: "Vanwaar was de doop van Johannes?
Uit de hemel of uit de mensen?" Als ze Hem dáárop het antwoord weigeren, weigert ook Hij op hun vraag in te gaan. Hun behoud ligt in het aanvaarden van de wijsheid Gods, zoals die zich manifesteert in het tweemanschap JdD/Jezus (vgl. Mt. 11,18 en 19).
Zo stelt Jezus het tegenover Nicodemus trouwens ook, onmiskenbaar, als Hij zegt: "tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk Gods niet binnengaan (3,5). Wat die uitspraak behelst, leren we uit 1,31-33 "om het Hem (Jezus) mogelijk te maken zich aan Israël te presenteren, daarom kwam ik dopen met water ... , maar déze (Jezus) is het die met den Heiligen Geest doopt".

Noten:
1 Heeft soms de Jood (d.i. de joodse leider) die het met Johannes' leerlingen aan de stok had over de reiniging (3,25) hen erop attent gemaakt, dat ook Jezus doopte? Dit is weer een van de gevallen waarin Johannes het verband tussen twee gebeurtenissen - in dit geval de twist van Johannes' leerlingen met den joodsen leider èn hun rapportage aan Johannes van Jezus' doopactiviteiten - niet expliciet aangeeft.
2 Een vergelijkbaar geval doet zich voor in Mt. 14: als Jezus heeft gehoord (v. 13), dat Herodes Hem voor den opgestanen Johannes den Doper verslijt (v. 2), vreest Hij kennelijk een arrestatie, en wijkt uit.
3 De termen 'getuige' en 'getuigen' zijn opvallend frequent in Johannes' woordenschat.
Terwijl ze bij de overige drie evangelisten samen resp. 4 en 2 maal voorkomen, ontmoeten we ze bij Johannes allèèn resp. 13 en 31 keer.
4 'Aards' tegenover 'hemels' is hier zoveel als 'oudtestamentisch' tegenover 'nieuwtestamentisch', vgl. Hebr. 12,25.
5 Vgl. Jh. 1,11.
6 Voor deze opvatting van v. 8 vgl. mijn' artikel De noodzaak der wedergeboorte geb/ eken, Opbouw, jrg. 6, blz. 156.
7 Verhuld - zoals vaker bij Johannes - schemert Jezus' aansluiting bij de prediking van JdD hier op nóg een punt door, als ik wel zie.
Wat beweegt Jezus er nl. toe een vergelijking te trekken tussen zijn opgehesen worden aan de kruispaal en het op een staak gezet worden van de koperen slang door Mozes (v. 14)?
Zou Hij niet bedoelen te zeggen: "Ook jullie zijn door een slang ..., nee, door de Slang gebeten"? Zakelijk hetzelfde dus wat JdD uitdrukte in de benaming 'adderengebroed' (Mt. 3,7; Lc. 3,7)? Een brede uitwerking van dit thema van JdD ('Abrahams kinderen of duivelskinderen') door Jezus vinden we in Jh. 8.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief