Het besturen van christelijke gemeenten (De verborgen strik)
1995-02-10
1) Wij schrijven hierover niet om te twisten maar om de gemeenten te dienen en daarvoor te herinneren aan bijbelse feiten.- Jaargang 39
- nummer 3
Christus Jezus, de tweede ADAM, heeft bij monde van Paulus de christelijke gemeenten geleerd dat Hij ze leiden wil door mannen en niet door vrouwen. Daarop doelen de woorden van Paulus uit 1 Corinthiërs 14:34en 1 Timotheüs 2:12, waar hij zegt dat de vrouwen in de gemeenten moeten zwijgen en het hen niet is toegestaan onderricht te geven. Waarom toch niet? Paulus geeft twee argumenten.
Het moeten zwijgen en het niet onderricht geven houdt verband met het feit dat ADAM het hoofd van de mensheid was, niet EVA, en dat niet Adam Eva heeft verleid, maar Eva Adam verleidde (1 Timotheüs 2:12-14). Daarom.
Maar het zal dadelijk blijken dat deze situatie slechts tijdelijk is.
ADAM's hoofd zijn van de mensheid hield in dat het gezag in de schepping aan Adam was opgedragen. In zijn plaats is zijn wettige opvolger gesteld, de tweede Adam, Christus Jezus, onze Heer. Alles wacht er thans op dat Hij zijn persoonlijk regiment op aarde aanvangt. Paulus zegt in Romeinen 8:22 dat de gehele schepping daarnaar zucht en in barensnood is. In de hoop op die terugkeer leeft thans de schepping.
De tweede Adam oefent thans zijn persoonlijk regiment alleen nog maar uit over Zijn gemeenten, door Zijn Woord en Geest! De aardse overheden regeren, zegt Paulus in Romeinen 13:1, nog bij de gratie Gods (Grieks: Theos, Hebreeuws: Elohim).
Hij is de Almachtige! Ze regeren nog niet bij de gratie van Jezus Christus.
Daarom hebben de aardse overheden niet tot taak valse godsdiensten uit te roeien! Dat te verstaan is zeer belangrijk.
Christus Jezus, onze Heer, heeft voor de tijd die aan Zijn terugkeer voorafgaat het opzicht over de gemeenten opgedragen aan de mannen en niet aan de vrouwen. De gronden daarvoor houden verband met het verleden, met de hof van Eden. Maar dat opzicht van de mannen houdt.op als Hij terug komt. Dan heeft de gemeente geen menselijk opzicht meer nodig, maar alleen dat van haar Heer.
Het thans niet geroepen zijn van vrouwen om gemeenten te leiden berust derhalve allerminst op het in Gods oog minder geliefd of belangrijk zijn van vrouwen vergeleken bij mannen.
Geenszins. Jezus' naaste volgelingen waren vrouwen! We weten dat heel goed. Misschien weten we minder goed hoezeer vrouwen in de historie hebben geleden en lijden. Dat alles neemt niet weg dat Jezus Christus voor deze tijd mannen belastte met het opzicht van de gemeenten. En daarover is een grote twist ontstaan.
2) In de hevige strijd in de christelijke kerken, bijna overal, over het besturen van gemeenten door vrouwen, staat helaas niet centraal dit duidelijk door Paulus geargumenteerde voorschrift van Jezus Christus voor deze tijd. De Boze heeft subtiel de strijd niet gericht op het al of niet gehoorzaam zijn aan een duidelijk voorschrift voor de gemeenten, maar op een vermeende onduidelijkheid ervan, om vervolgens de aandacht te concentreren op het algemeen erkende feit dat voor God vrouwen gelijkwaardig zijn aan mannen.
Zo kon deze eenvoudige zaak: doen wat de Heer heeft gezegd, een bron van twist en tweedracht worden in de kerken.
In die strik hebben de christelijke kerken zich verward: de Schrift is niet duidelijk genoeg! Veel eerder was het de Boze gelukt de eerste ADAM in die strik te vangen. In de hof van Eden!
Ook toen met behulp van een onduidelijk geacht verbod. Met de tweede ADAM, het nieuwe Hoofd van de mensheid, Jezus Christus, mislukte het! Gaat het gelukken met de gemeenten die Hem kennen?
Tenslotte, als in onze tijd vrouwen, die heel wel wijzer en bijbelser kunnen zijn dan mannen, in de gemeente hun zusterhulp willen verlenen is dat bepaald een belangrijke zaak, die vaak dringend nodig is, maar hun plaats is niet in het opzicht, d.i. in de kerkeraad.
Maar daarop is de strijd gericht. Vrouwen als diakenen is slechts een tussenstap om te komen tot vrouwen op de kansels, waarvan de Schrift duidelijk zegt: niet doen.
Ook deze strijd bedreigt thans de christenheid. Vanwege de grote geestelijke revolutie die er in besloten ligt.
A. Keizer, 's-Gravenhage