Johannes over Johannes (2)

1995-02-10
  • Jaargang 39
  • nummer 3
Leerling
Er is nog iets bijzonders aan het verslag van den evangelist Johannes over het werk van Johannes den Doper.
Hij als enige maakt ons direct getuige van diens omgang met zijn leerlingen. Dat JdD leerlingen had, horen we ook van de synoptici; zie b.v. Mt. 9,14. Zelfs wordt vermeld, dat hij hen leerde bidden, Lc. 11,1 (vgl. ook 5,33). Maar alleen Johannes laat ons uit diens eigen mond horen, wat hij zijn leerlingen had verteld over Jezus, Jh. 3,29-36. En bovenal: hij alleen schildert ons, hoe Johannes twee, van zijn leerlingen tot Jezus leidde, 1,35 vlgg.
Johannes was waarschijnlijk ook wel de aangewezen evangelist om dit te doen. Er is aanleiding te denken, dat van het tweetal waarvan Andreas met name genoemd wordt (v. 41) hijzelf de ongenoemde tweede is geweest. De opgave van het tijdstip van hun kennismaking met Jezus (v. 40) doet vermoeden, dat hij hier uit eigen herinnerinq put.

Opvolger
Maar zijn verhouding tot JdD lijkt zich niet tot dat leerling zijn te hebben beperkt. Wij stonden al even stil bij het slot van hfdst. 10. Nu, zoals dáár van het getuigenis van Johannes den Doper aangaande Jezus nadrukkelijk de betrouwbaarheid wordt vastgesteld, zo wordt aan het einde van het Johannesevangelie de betrouwbaarheid van het getuigenis van den evangelist Johannes opzettelijk onderstreept.
Dat gebeurt zelfs tot tweemaal toe. De eerste keer in 19,35 bij de vaststelling van het feit, dat Jezus in zijn dood voldeed aan de eis die in Mozes' wet aan het paaslam was gesteld ("geen been ervan zal gebroken worden", Ex. 12,46). Dat heet het: "En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd - en zijn getuigenis is betrouwbaar en hij weet, dat hij de waarheid spreektopdat ook gij gelooft"'.

Men lette hier vooral ook op de overeenkomst in doelstelling tussen het getuigenis van den evangelist ("opdat ook gij gelooft") en dat van den Doper ("opdat allen door zijn toedoen geloven zouden", 1,7).

De tweede maal gebeurt het in het klaarblijkelijk aangehechte laatste hoofdstuk. Daar wordt nl. aan het eind gezegd: "Dit (t.w. de pas vermelde leerlingen dien Jezus liefhad) is de discipel die van deze dingen getuigt en die deze beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is" (21,24). (Vgl. ook 3 Jh. 12.) Ik kan mij, als ik deze plaatsen naast het slot van hfdst. 10 leg, niet aan de indruk onttrekken, dat de apostel Johannes overeenkomst heeft gezien tussen zijn eigen taak en die van JdD t.a.v. Jezus, nl. getuigen. Zoals déze door zijn getuigenis Christus' komst in het vlees had voorbereid, zo wist hij m.i. door zijn getuigenis Christus' wederkomst te moeten voorbereiden.
In elk geval begint hij zijn verslag van de hem gegeven openbaring met zich aan te dienen als degene "die getuigenis had afgelegd van het woord van God en van het getuigenis van Jezus Christus; van alles wat hij (van Dezen) gezien had"2, Op. 1,2.
Het vermoeden rijst dan ook, dat de beperking die de evangelist Johannes zich oplegt in de keuze uit wat er over JdD te melden valt, samenhangt met de functie waartoe hij zélf zich geroepen weet, nl. getuige van Jezus zijn; een functie waarin hij diens opvolger is.

Getuigenis en profetie
"Het getuigenis van Jezus": dat is een term die we in het boek Openbaring herhaaldelijk tegenkomen, nl. 1,2.9; 12,17; 19,10; 20,4. Het is om dát getuigenis dat Johannes naar Patmos is verbannen (1,9).
Nu is er onder de genoemde teksten één (19,10) waar dat getuigenis van Jezus nader bepaald wordt: "want het getuigenis van Jezus' is de geest der profetie" Visser" noemt dit "min of meer raadselachtige woorden" en spreekt van een "op het oog wat los . erheen geworpen zin".

Ik geef even de context. Johannes heeft zojuist een grote schare juichend horen verklaren: "de bruiloft van het Lam is gekomen" (v. 7). Dan zegt de hem rondleidende engel, die tevens uitleg geeft: "Schrijf: 'zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam". En hij voegt eraan toe: "Dit zijn de waarachtige woorden van God" (v. 9). Johannes maakt dan een knieval voor den engel en wil hem aanbidden. Maar deze weert dat af met de woorden: "Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God!" En dan volgen die raadselachtige woorden "Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie".
De vraag is: ter verklaring wáárvan dient deze met het verklarende 'want' beginnende zin?

Dan is het dienstig even twee verzen terug te gaan, waar een uitspraak eveneens met een 'want'-zin besloten wordt. Daar heet het, dat het aan de vrouw van het Lam "gegeven is zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden". En dan volgt: "Want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige dagen der heiligen" (v. 8).
Het lijkt mij duidelijk, dat in dit 'want'-zinnetje verklaard wordt, waarom hier van 'fijn linnen' gesproken werd: dat nl. met dit 'fijn linnen' bedoeld zijn: de 'dikaioomata' van de heiligen. Nu wordt in de bijbel iemands wijze van optreden vaak voorgesteld als het kleed dat hij draagt. Zo b.V. in Ps. 73, 6, waar van de goddelozen gezegd wordt: "het geweld omhult hen als een kleed". Dat wil zeggen: deze mensen worden gekenmerkt door gewelddadig optreäen", Zo ook hier: het gedrag van de bruid beantwoordt aan de eisen - dat betekent het hier gebruikte woord 'dikaioomta' eigenlijk; vgl. o.a. Lc. 1,6; Rm. 1,32; 2,26 - die God stelt aan zijn heiligen, aan het voor Hem afgezonderde volk. Die door de heiligen in geloof volbrachte eisen zijn als het ware de tooi van Christus' bruid.
Nu, m.i. heeft het 'want-'zinnetje uit v. 10 een soortgelijke functie, t.w. een pas gebezigde term verkteren". De engel had nl. Johannes zojuist betiteld als 'mede-knecht', 'collega-knecht', wat inhoudt, dat hij Johannes als 'knecht' van God ziet. En nu verklaart hij meteen even, waarom hij Johannes zó kwalificeert.

Men moet nu, om zijn verklaring te begrijpen, weten - en dat is de sleutel tot het verstaan van dit raadselachtige zinnetje - dat 'knecht (van God)' in het OT een gangbare aanduiding is van '(Gods) profeet'. Herhaaldelijk lezen we in de profetieën van het OT: "zijn knechten, de profeten" (of, waar de Heere zelf aan het woord is: "mijn knechten, de profeten"). Met name is dit het geval in Jeremia (o.a. 7,25; 25,4), maar ook elders: Ez. 38,17; Dan. 9,10; Am. 3,7; Zach. 1,6. Die formule klinkt ook na in het boek Openbaring: 10,7; 11,18. De tolkengel wilt dus verklaren, waaróm hij in Johannes een profeet ziet. En hij doet dat met de woorden: "Want het getuigenis van Jezus is de geest der profetie". Dat wil zeggen: het nieuwtestamentisch getuigenis van Jezus ademt dezelfde geest als de oudtestamentische profetie.
Dezelfde Geest die zich oudtijds in de profeten deed horen, spreekt nu door de getuigen van Jezus. En dat feit geeft Johannes als getuige van Jezus, het recht op de aanspraak 'knecht' (= proteet)".
Het bewijs dat deze tekst zo moet worden verstaan, vi ndt men drie hoofdstukken verderop. In 22,8 krijgen we nl. een herhaling te zien van wat hier gebeurt: Johannes maakt een knieval voor den tolk-engel en wil hem aanbidden.
Opnieuw weert deze af, en wel met bijna dezelfde woorden als hier. Alleen is daar de omschrijving 'die het getuigenis van Jezus hebben' vervangen door 'de profeten'.

Johannes de Doper: scharnier tussen Oud en Nieuw Testament
Door de aanspraak 'mede-knecht', die Gods engel in Op. 19,10tegenover hem in de mond nam, en door de daaraan toegevoegde verklaring mocht Johannes zich dus als getuige van Jezus geplaatst weten in de rij der profeten van oudsher.
Deze onthulling nu brengt opnieuw Johannes den Doper in onze gezichtskring.
Hij immers is de verbindingsschakel tussen de oudtestamentische profeten en de nieuwtestamentische getuigen van Jezus. Zijn vader dient hem aan als "een profeet des Allerhoogsten"
(Lc. 1,76)en Jezus bevestigt dat, maar voegt eraan toe, dat hij méér is dan dat (MI. 11,9).En de evangelist Johannes betitelt hem van het begin af (1,7) als "getuige".
Nu, is het via déze schakel dat ook deze evangelist zelf in de lijn der oudtestamentische profeten is komen te staan.

Doper en ziener: Elia en Daniël?
"Een profeet" zei Zacharia van zijn zoon. Jezus kwalificeert hem als een bepaalden oudtestamentischen profeet: Elia (MI. 11,14);zulks in aansluiting bij de profetie uit Mal. 4,5.
Het Israël van Jezus' dagen is blijkbaar vertrouwd geweest met de gedachte dat onder hen een profeet kon opstaan die de kenmerken van een van de oude profeten vertoonde. Dat blijkt uit Mt. 16,14,waar de leerlingen op een desbetreffende vraag van Jezus antwoorden, dat sommigen uit het volk Hem houden voor Elia, anderen voor Jeremia of voor een van de andere profeten. Beloften als die uit Mal. 4,5 geven aan die gedachte ook wel voet. (Vergelijkbaar is een belofte als die uit Ez. 37,24: "En mijn knecht David zal koning over hen wezen".) Paulus was zich bewust de trekken te vertonen van den 'knecht' uit Jes. 49,1-7. Dat blijkt uit Hd. 13,47.Als hij daar v. 6 uit genoemde profetie aanhaalt ("Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde"), dan stelt hij: "zo heeft ons de Heer geboden"?
Men vraagt zich af: heeft ook de apostel Johannes zich met een bepaalden oudtestamentischen profeet verwant geweten? Ik zou geneigd zijn te denken van wel, nl. met Daniël.
Dan denk ik niet alleen - en zelfs niet in de eerste plaats - aan de beschrijving van Christus' verschijning in Op. 1,9-19,die onmiskenbaar sterke verwantschap vertoont met Dan. 7,9 en 10,6.Want men moet toegeven, dat er daarnaast ook heel duidelijke zinspelingen zijn op andere profeten, b.v. in Op. 10,8-10op Ez. 2,8 - 3,3. Nee, dan denk ik met name aan wat in de hoofdstukken 13-19wordt beschreven: de overheersing van de gemeente van Jezus Christus door het beest uit de zee (reeds aangekondigd in 11,7). Niet alleen de herkomst van dit monster (de zee), ook zijn uiterlijk (tien koppen) en heel zijn optreden (lastering tegen God; diens heiligen bestrijden) moet teruggaan op.Dan. 7. Johannes van Gischala is in dit visioen de herleefde Antiochus IV Epiphanes". De lengte van de periode van diens tyrannie ("een tijd en tijden en een halve·tijd", Dan. 7,25 en 12,7) klinkt in het boek Openbaring herhaaldel ijk na: 12,14en ook 11,2en 13,5 ("tweeënveertig maanden") en 11,3 ("twaalfhonderd zestig dagen"). Een verdere opvallende overeenstemming is, dat zowel in Daniël (8,26; 10,1) als in Openbaring (19,9; 21,5; 22,6) de waarheid van wat geopenbaard wordt, bij herhaling nadrukkelijk wordt vastgesteld. (Vergelijk wat we hierboven onder het kopje 'Opvolger' schreven over waarheidsbetuigingen in Johannes' evangelie.) Op grond van deze talrijke punten van overeenstemming ben ik geneigd te denken, dat de ziener van Patmos zich den nieuwtestamentisch en Daniël heeft geweten.

De leerling dien Jezus liefhad
En zo rijst bij mij het vermoeden - dat ik overigens niet hard kan maken; Johannes' cryptische aanduidingen zijn voor ons nu eenmaal niet meer restloos te ontraadselen - dat hij dáárom in zijn later geschreven evangelie zichzelf aanduidt als "den leerling dien Jezus liefhad" (13,23; 19,26; 21,7.20). Deze aanduiding zou nl. gekozen kunnen zijn naar analogie van de kwalificatie 'zeer bemind' (men vertaalt ook wel 'hoog bevoorrecht'), die de hem verschijnende engel tegenover Daniël bezigt (9,23; 10, 11, 19).
Zeer bemind (hoog bevoorrecht) nl. omdat Daniël, en zo ook Johannes, een blik gegund werd in de toekomst van zijn volk; in het lijden dat het zou hebben te ondergaan en in zijn uiteindelijke bevrijding uit de macht van den onderdrukker.

Noten
1 Men moet - wat helaas in de vertalingen niet altijd uitkomt - de woorden .,en zijn getuigenis is betrouwbaar, en hij weet. dat hij de waarheid spreekt" als parenthese nemen. De doelstelling ("opdat ook gij qeloott") sluit aan bij de zin "en die het gezien heeft. heeft ervan getuigd. "
2 Zie ook Jh. 19,35 en 1 Jh. 1,1.2: en vergelijk Jh. 1,34.
3 Dr. A.J. Visser. De Openbaring van Johannes (in de serie De Prediking van het Nieuwe Testament), 3de druk, Nijkerk, 1975. blz. 220.
4 Zie verder mijn artikelen Het beeld van de kleding bij Paulus, Opbouw. jrg. 10. blzz. 349, 357.363.
5 Een parallel geval vindt men o.a. in Gal. 3.13.14: ..Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden - want er staat geschreven: 'Vervloekt is een ieder die aan een paal wordt gehangen'opdat in Jezus Christus de zegen van Abraham de heidenen zou bereiken ......
6 Het werk van de twee getuigen uit Op. 11.3 wordt in datzelfde vers profeteren genoemd.
maar in v. 7 weer getuigenis.
7 Zie ook Gal. 1.15. waar de woorden "die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd .. heeft·· herinneren aan Jes. 49.1.
8 Dat Dan. 7 spreekt over de onderdrukking van Gods volk door Antiochus IV Epiphanes, mag bekend worden verondersteld. Dat met 'het beest uit de zee' in Op. 13-19 Johannes van Gischala is bedoeld, heb ik duidelijk gemaakt in mijn artikel Het beest uit Op. 17, Opbouw, jrg. 37. blzz. 221 en 238.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief