Terloops

1995-02-10
  • Jaargang 39
  • nummer 3
Mengeldigten van Adrianus Hardy
In 1751verscheen bij Boekverkoper en Drukker Johannes Willem Kanneman te Zaltbommel een gedichtenbundel van Adrianus Hardy, die toen predikant was in Waardenburg en Neerijnen.
Later woonde Hardy in Zaltbommel en daar is hij ook overleden en begraven in de Sint Maartenskerk.
Voordat tot het drukken van de bundel werd overgegaan, werden de gedichten gelezen door enkele predikanten uit de Classis. Zij verklaarden de gedichten te hebben gelezen. en 'de zelve stigtelyk en daarin niets strydig tegens de hervormde Leer bevonden' te hebben. Hardy droeg zijn bundel op aan 'de Hoogedele, Welgebore Heeren en Vrouwen, van Waardenburg, Hiern en Neder-Ynen'.
De bundel van Hardy is geen werk, dat je vandaag voor de gezelligheid even achter elkaar doorleest. De hoogdravende woorden passen niet meer in deze tijd. Voor de liefhebber wijd ik er toch maar een artikel aan.
Hardy droaqzijn eerste gedicht op aan de Graaf en Gravin van Wied in hun hoedanigheid als Heer en Vrouwe van de drie al genoemde dorpen. Hij wijst er op, dat ze door God tot hun taak zijn geroepen:

'Zoo dagt myn' ziel, wanneer die Majesteit
Door het beschik, van haar' voorzienigheid
Aan U 't bestier van beide heerlykheden
Vertrouwde, om die naar zyne wet en reden
Als voedster Heer en Vrouw van billykheid
En regt, te staven met verstand, beleid.
Geen blyder tijding hoorde ik lang myn' vreudige ooren
Als streten, en me, op hoop van zegening, bekoren.
't Is waar, ik kon geen beter Dorpsbestier
Verlangen, zedert ik als Leeraar hier
De zorg van Zion my vont aanbevolen ... '

Aan Rutgerus Schutte
Toen Ds. R. Schutte te Dordrecht een beroep kreeg van de kerk van Amsterdam liet Hardy zijn dichtader uitbundig vloeien. Schutte was van 1737tot 1742 predikant in Zaltbommel. In zijn gedicht denkt hij aan 'het zelfde wee, 't Geen BOEMEL eer was overkomen...' Dat wee slaat dan op de lege plaats, die Schutte eerst in Bommel en in 1747in Dordrecht achter liet. Hardy heeft veel waardering voor Schutte en hij spreekt hem moed in nu hij aan de zware taak in Amsterdam gaat beginnen:

'Zoo leert gy, SCHUTTE, die uw' leer
Bevestigt met een heilig leven, Zoo doet gy Zion, meer en meer, Manmoedig naar den Hemel streven.'

Myn Waerdenburg
Toen Hardy een gedicht maakte ter ere van een vriend, kwam de volgende ontboezeming:

'Dit zend ik u, uw vrind, aan 't water neergezeten, Het geen de wyde Waal ter yl van boven jaagt, Langs de oeverzoomen, van myn WAERDENBURG, geheten, Naar 't digt geboomte, dat
het zelve kweekt en draagt. '

Gerrard van Minninghen
Toen bovengenoemde Van Minninghen in 1749stierf, klom Hardy weer in de pen. Van Minninghen was 'Schepen en Raad der Stadt Boemel' en een neef van Hardy. Ze waren blijkbaar goede vrienden, want hij noemt hem Jonathan (denk aan de vriendschap van David en Jonathan):

'Wie helpt my thans den dood betreuren, Van mynen braven JONATHAN, Wiens liefde ik niet beschryven kan, Wiens dierb 're ziel ik zie van 't bevend ligchaam scheuren?
Ik plukk' vast vaale Iyk-cypressen, En gader 't ziltig traanen-nat, 't Geen uit de weenende oogen spat, Ter plenging op zyn graf, in kristallyne flessen.
Of heeft de rouwmaar my bedrogen?
Neen, neen myn Gerard is niet meer.
Die dierb 're vrind, zoo trouw, zoo teer Van my bemind, is laas' te schielyk weg gevlogen.

Elsnerus
Toen G.M. Elsnerus, van 1728tot 1737 predikant in Zaltbommel, later hoogleraar werd te Utrecht, herinnerde Hardy hem aan zijn verblijf in Zaltbommel:

'Dit doet my noch den tydt herdenken, Toen Gy wel eer het BOEMELS-OORD Met d'onvervalsten melk mogt drenken, Geschept uit 't heil-genade woord, My dunkt ik hoor' noch 't auter kraken, Door 't aangestoken offerwerk , Waar door Gy 't liefde hart deet blaken, En steigren boven 't vlug tig zwerk.
Daar maalde Gy het Godlyk schoon, Daar sloeg Uw tong een Enq'len toon.'

En hiermee nemen we afscheid van Hardy.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief