Tussen kerk en keuken

1995-02-10
  • Jaargang 39
  • nummer 3
Dag 'Terp'
Als stenen konden spreken. Ja goed, iedereen weet dat ze dat niet kunnen.
Tenminste .... niet met een stem die je met je gewone, daagse oren kan horen.
Maar stel nu eens dat ...
Wat zouden de oude stenen van de Terp te vertellen hebben?
De Terp, het witte kerkje van Oudorp, dat we na bijna vijfentwintig jaar vaarwel zeggen om samen met onze christelijk gereformeerde broeders en zusters verder te gaan.

Op een kille dag, begin januari ben ik naar de kerk toegegaan en ik moet zeggen, het bezoek beantwoordde aan het doel, want zoals ik had gehoopt, trof ik in de lege ruimte een sfeer die tot spreken noodde. Ik had wel het een en ander op m'n lever, nam een stoel op de middelste rij, legde mijn armen op de leuning voor me en zat een tijd zwijgend te luisteren. Eindelijk hoorde ik een gebarste donkere stem die me wonderlijk vertrouwd voorkwam. "En ... Zeg het eens."

Een beetje schuchter, want je praat niet iedere dag met een kerkgebouw begon ik zacht "Dag ... Terp. Ik weet niet precies hoe ik u aan moet spreken, dus mag ik u bij de naam noemen?"
Ik luisterde even en ging toen verder. "U zult er wel van gehoord hebben, denk ik. Van die andere kerk bedoel ik."
Het bleef even stil. Ik wilde al knorrig zeggen dat een zichzelf respecterend kerkgebouw ook niet hoort te converseren, toen de Terp antwoordde: "Inderdaad ... Zo ... Dus jullie gaan! Na bijna vijfentwintig jaar. 't Is me wat moois. Was ik niet meer goed genoeg soms? En ik heb laatst nog wel zo'n perfecte verwarming gekregen."
Ik knikte en zei: "Inderdaad, ik kan tijdens de kerkdiensten zonder jas zitten. Dat was vroeger wel anders.
Weet u nog wei ... die twee grote kachels, aan iedere kant één? Wat konden die loeien ... En nog bevroor je achterin."
"Voor die tijd stond er een kolenkachel ... Het had wel iets, die kachels. Het voegde me meer dan zo'n radiator", zei de Terp. "Je trekt een bejaarde heer toch ook geen hopseflops jas aan?"
"Kerken zijn tijdloos," zei ik tactisch.
"Vind je? Tja, die kachels. Ik vond het wel gezellig altijd, het trilde zo plezierig in m'n zerken. Je herinnert je toch nog wel dat die er lagen voor dat de houten vloer er over werd gelegd", grommelde de Terp.
"Er lag een loper over", vulde ik aan.
"En her en der stonden stoven. Gemakkelijk als je een kind bij je had dat op schoot wilde zitten."
"Jullie hadden veel kleine kinderen", zei de Terp. "Er zijn er hier wat gedoopt!
Daar was ik blij mee. Ik heb ze hier groot zien worden, al mis ik er nu een paar."

Ik zuchtte. Het was schemerdonker geworden en de wind stak op.
"Die ouderlingbanken voorin, aan weerszijden van de preekstoel. Daar maakten jullie niet veel gebruik van."
De donkere stem klonk verwijtend en ik zocht in mijn geheugen hoe dat ook al weer zat.
"Ja wei", aarzelde ik ... "In het begin wel hoor. Er was een oude ouderling, broeder Rus, weet u niet meer ... die kleine vierkante man. Hij zat er altijd.
De anderen zaten liever bij hun gezin.
.Dat kon gemakkelijk, we waren niet erg conventioneel, dat is het voordeel van een kleine gemeente. Voor mensen met wat langere benen waren die banken trouwens een ramp."
"De banken achteraan zijn van het zelfde formaat en die zitten de laatste jaren aardig vol," kaatste de Terp adrem.
"Ja, vreemd hé," zei ik en wriemelde met mijn vingers in mijn jaszak.
"Jullie waren vroeger maar een handvol zielen. Met de morgen van Nieuwjaarsdag telde ik er niet meer dan twaalf. Je zoekt zeker een pepermunt,"
zei de Terp.
"Eh ... ja", gaf ik toe.
"Dat gebaar ken ik tenminste ... tussen preek en psalm de pepermunt,"
galmde de Terp. "Merkwaardige gewoonte en zo oud als ik hier sta."
"Oh, sorry. Daar hoeft u toch niet kwaad om te worden," schrok ik.
"Vind jij dat eerbiedig dan. Het geeft nog propjes op de vloer ook," pruttelde de Terp, gelukkig weer op normale sterkte.
"Nooit over nagedacht en er werd, voor zover ik weet, zelden papier op de grond gegooid", zei ik zachtzinnig.
"Hmm", zei de Terp.

Het bleef een paar minuten stil. Door de ramen zag ik de berijpte takken van de bomen rondom de Terp in de wind heen en weer bewegen.
"En nu?", zei de Terp.
"Ach ... U weet er alles van," zei ik.
"We hebben gezocht naar eenheid.
Dat is een opdracht ... Van de Allereerste, de Allerbeste ... en U weet zelf hoe klein het verschil is tussen de kerk waar we straks mee verdergaan en tussen ons. We kunnen het vooral aan onze kinderen niet verkopen dat we gescheiden optrekken."
"Ja," zei de Terp. Het klonk goedkeurend.
"Maar ik zal u wel missen." Ik slikte en slikte en grabbelde weer in mijn jaszak.
"Je moet niet snotteren", zei hij toen half troostend, half streng, "je weet toch wel dat een gebouw niet belangrijk is?
Want een geméénte moet leven, dat moet er afspetteren. Niet inslapen.
Leven!"
Ik knikte, stond op en liep naar de dubbele deur toe. "Dag ... En bedankt", zei ik en sloot de deuren tot een kleine kier. Daarna ging ik even terug. "Zeg ... Ik hield veel van u,"
riep ik vlug en trok de deur dicht.
Hoorde ik nu echt: ik ook van jullie, maar speel niet voor mevrouw Lot ...
of was het verbeelding? Ik liep het kerkepad af, draaide me bij het hek nog een keer om. "Dag," zei ik nog eens en hoorde alleen de wind in de bevroren bladeren aan de struiken ritselen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief